Pensioenakkoord: waarom je maar beter voor kan stemmen

ANALYSE – Deze week mogen de leden van de FNV zich uitspreken over het pensioenakkoord. Oppositiepartijen PVV, 50plus en de SP namen geen deel aan het overleg, en proberen FNV leden er nu van te overtuigen dat het beter zou zijn om tegen te stemmen. Verontrustend, want wie de zaken op een rijtje zet, zowel inhoudelijk als strategisch, ziet dat werkend Nederland met een tegenstem eigenlijk alleen maar kan verliezen.

Een speculerende socialist

Ook de hoofdredacteur van Socialisme.nu schreef een paar dagen terug een artikel op Joop met de oproep het voorstel te verwerpen. Hij stelt voor om de pensioenen te garanderen door de rekenrente te verhogen. Opmerkelijk voor een socialist. Wie de rekenrente verhoogt, gaat namelijk uit van goede rendementen op beleggingen, een aanhoudend succes van het kapitalisme dus.

Helaas geven resultaten uit het verleden geen garantie voor de toekomst. De rekenrente is niet voor niets laag, dit komt omdat de reële rente op leningen is al jaren historisch laag is. En het ziet er niet naar uit dat dit snel zal veranderen. Bovendien hebben we dit als Nederland ook niet zelf in de hand. Jezelf rijk rekenen met een hoge rekenrente is daarmee onverantwoord begroten.

Kans op meevallers

Voorzichtig begroten brengt in het nieuwe voorstel bovendien voordelen met zich mee. In het nieuwe stelsel worden tegenvallers gecompenseerd door aanpassingen van het pensioen. Dat klinkt bedreigend. Maar ook de meevallers gaan naar de werknemers.

In het huidige systeem kwamen meevallers niet ten goede aan werknemers. Tegelijkertijd zagen we dat tegenvallers altijd leidden tot discussies over het stelsel, en uiteindelijk tot aanpassingen daarvan: bijvoorbeeld de overgang van een eindloonpensioen naar een middelloonpensioen, en onlangs het verhogen van de pensioengerechtigde leeftijd. Dus in praktijk kwamen tegenvallers bij werknemers terecht, terwijl meevallers onder de werkgevers en de overheid werden verdeeld.

Daaraan komt met het nieuwe voorstel een einde. En met voorzichtige ramingen is de kans op meevallers natuurlijk groter. Een extra reden om juist te willen kiezen voor een lage rekenrente.

De positie van zzp’ers

Ondertussen is er vanuit socialistische hoek ontstellend weinig aandacht voor het meest opmerkelijke punt van dit akkoord: de door GroenLinks en de PvdA bedongen verplichting voor zzp’ers om zich te verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid.

Voor mensen die hechten aan baanzekerheid is dit enorm goed nieuws. Wanneer zzp’ers zich verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid, vormen ze op dat punt geen oneerlijke concurrentie meer voor mensen met een vast contract en vaste werkgeverslasten. Het verschijnsel dat de sociale zekerheid door werkgevers ondermijnd wordt door te kiezen voor (schijn)zzp’ers wordt daarmee hard afgeremd. Dit is een grote overwinning van de linkse partijen ten opzichte van de VVD, CDA en D66, die tot voor kort iedere verplichte verzekering voor zzp’ers van de hand wezen.

Reacties van zzp’ers

De één miljoen zzp’ers reageren ondertussen nogal bevreesd op dit voorstel. Logisch, want zij zien immers de huidige AOV verzekering, met haar hoge vaste premies en zeer magere dekking. Wanneer deze verzekering in deze vorm verplicht wordt gesteld, betekent dat voor veel zzp’ers een financiële strop, en zou dat wel eens kunnen leiden tot massale uitschrijvingen bij de kamer van koophandel (lees: werkeloosheid).

Gelukkig is dit ook niet de insteek van de onderhandelende partijen. Op de uiteindelijke vormgeving van de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zzp’ers moet echter nog een jaar gewacht worden.

Insteek zou mijns inziens moeten zijn dat de premie een bepaald percentage is van het loon, en geen vast bedrag, en dat de dekking minstens even goed moet zijn als die van Wia verzekeringen. In het ideale geval zou iedere zzp’er tegen hetzelfde percentage als een werknemer verzekerd moeten zijn voor de Wia: één arbeidsongeschiktheidsstelsel voor alle werkenden.

Dit is ook de inzet van zzp-organisaties. Omdat hier ook het Wia stelsel zelf op aangepast zou moeten worden, is de kans niet groot dat dit de uitkomst wordt van de discussie. Maar dat neemt niet weg dat de kans groot is dat de verzekering voor zzp’ers uiteindelijk zowel qua premieberekening als qua dekking meer op de Wia gaat lijken dan op de AOV, die juist zo duur uitvalt doordat mensen zich selectief verzekeren.

Hoe dan ook, één miljoen mensen die tot zover nauwelijks toegang hadden tot de sociale zekerheid, krijgen dit nu wel. Dat is een grote overwinning voor de verzorgingsstaat, die normaliter met iedere aanpassing juist grote klappen krijgt.

Onrealistisch alternatief

Uiteindelijk is dit pensioenakkoord niet wat veel mensen ervan gehoopt hadden. Zij hadden gewild dat de pensioenleeftijd voor altijd bevroren zou worden op 66 jaar en een middenloonpensioen gegarandeerd zou blijven. Zij kregen niet wat zij eisen.

Maar wanneer dit pensioenakkoord wordt afgewezen, zijn zij nog verder van hun eis verwijderd. Dan blijven de staande afspraken gelden, en volgens die staande afspraken stijgt de pensioenleeftijd sneller dan in het voorstel, en is lastiger het om eerder te stoppen.

Ik begrijp best waarom eeuwige oppositiepartijen zoals de PVV en de SP dit voorstel afwijzen. Wat zij hun kiezers voorspiegelen, is in hun ogen immers veel beter. Het is ook waar mensen vertrouwd mee zijn, en dat maakt het aantrekkelijker.

Maar deze beloften hebben helaas geen politieke realiteitswaarde. Bovendien is die wens met een stijgende gemiddelde leeftijd, een vergrijzende bevolking en stagnerende rentestanden ook economische gezien niet realistisch, ook al zou het politieke draagvlak er wel voor zijn. En tenslotte denk ik dat het huidige voorstel alles bij elkaar genomen weliswaar anders is, maar onder de streep uiteindelijk beter voor werknemers dan het Walhalla dat de SP en de PVV voorstaan.

Slechter alternatief

Vooralsnog betekent een tegenstem vooral dat de werknemers met lege handen blijven staan. Bovendien zou het zomaar wel eens nog decennia kunnen duren voordat zzp’ers hun rechten op sociale zekerheid krijgen, waardoor vaste contracten onder druk blijven staan. De vakbonden verdwijnen van de onderhandelingstafel, en er komt een akkoord zonder hen. Het  polderoverleg krijgt daarmee een gevoelige knauw.

En dit terwijl er nog zoveel te winnen is. Door dit akkoord op hoofdlijnen te accepteren, en vervolgens met het mes op tafel te onderhandelen over de uitwerking, zou de vakbond erg mooie dingen kunnen bereiken. Een goede regeling om eerder te stoppen, waar dit akkoord een opening voor biedt, en een meer compleet sociaal vangnet voor alle werkenden, in plaats van alleen voor werknemers met een vast contract.

Wanneer de bond het voorstel afwijst verkleint zij haar eigen rol in het proces. Dat is niet in het belang van werknemers. Laten we dus maar hopen dat de FNV leden deze week niet luisteren naar politieke populisten die hen willen meesleuren in een verloren strijd, maar bij het stemmen hun verstand laten spreken.

Dit artikel verscheen eerder op Joop.nl en op Sargasso.nl.

Politiek Kwartier – Rutte op een roze olifant

COLUMN – Waarin Klokwerk Rutte’s participatiesamenleving bij de slurf neemt en stelt dat het dier niet kan overleven zonder verzorgingsstaat.

Ruim twee weken geleden vergeleek Rutte een visie nog met een olifant die het uitzicht belemmert. Ten onrechte stelde hij daarmee een visie gelijk aan dogmatisch idealisme.

Zeker valt het kabinet gebrek aan visie te verwijten. Maar die olifant, die staat er wel degelijk. In de troonrede werd hij meerdere keren bij naam genoemd. Rutte’s olifant heet “participatiesamenleving”.

Het woord gonsde daarna rond op twitter en politieke zwaargewichten als Femke Halsema en Wouter Bos namen meteen afstand van de term, die ze ook al van Balkenende kenden. Maar is dat zo terecht?

Met de term “participatiesamenleving” verwijst Rutte naar het beeld van een samenleving van leuke blije burgers die hun schouders eronder zetten en opkomen voor elkaar, en als het kan te trots zijn om afhankelijk te zijn van collectieve voorzieningen.

Op zich is dat een prachtig ideaal, waar ook ondergetekende in gelooft. Maar laten we met dit prachtige idealisme wel realistisch blijven. Mensen zijn gelijkwaardig, maar niet gelijk. Er is in het leven een fundamentele ongelijkheid.

Lichamelijk ongemak, daar heeft niemand om gevraagd. Ook het hebben van een geestelijke beperking is niet iets waar mensen zelf voor kiezen. Noch kiezen ze voor het hebben van buren of familieleden met beperkingen. Toch zetten al deze zaken mensen op achterstand ten opzichte van hen die hier niet mee te maken hebben. En meestal buiten hun eigen schuld.

Om dit wat te compenseren zijn er collectieve voorzieningen. Zij ontlasten de mensen die tegenslagen hebben, en creëren zo meer gelijke kansen voor mensen om hun talenten te ontplooien. Daarom zijn ze hard nodig voor het constitueren van het liberale ideaal, waarin het beste beloond wordt en het slechtste afgestraft.

Volgens de troonrede is een participatiesamenleving een samenleving die past bij mondige burgers. Daarbij zou ik dan denken aan een samenleving met veel inspraak en vrijheid in de manier waarop die collectieve zaken worden vormgegeven en ingezet.

Dat is iets heel anders dan een samenleving waarin mensen door de overheid in de steek gelaten worden.

De troonrede spreekt bovendien van de participatiesamenleving als samenleving van zelfstandige burgers. Daarvoor lijkt het mij een vereiste dat mensen die voor anderen zorgen daar ook eerlijk voor worden beloond.

Dat is iets heel anders dan dat ze gezien worden als bezuinigingspost en als stank voor dank nog meer shit op hun nek geschoven krijgen.

Het liberalisme is waardevol, maar kent een aantal schadelijke dogma’s. Eén ervan is het idee dat de verzorgingsstaat mensen lui zou maken en particulier initiatief wegdrukt. Deze aanname wordt door geen enkel onderzoek ondersteund. Het geloof dat mensen vanzelf wel in het gat zullen springen dat een overheid creëert is een gevaarlijke illusie.

En waar dat wel zo is, worden juist deze waardevolle mensen onterecht op achterstand gezet. Zo werkt de vrije markt.

Een participatiesamenleving kan niet zonder een goede verzorgingsstaat. Door het dogmatische idealisme van Rutte komt de participatiesamenleving eerder verder weg te liggen dan dat deze dichterbij komt.

Het vervelende hiervan is dat Rutte dat zelf niet lijkt te beseffen. Ook dat is blind idealisme. Rutte ziet zijn eigen roze olifant niet, omdat hij er bovenop zit. En in 2014 gaat hij er weer vrolijk mee door de porseleinkast. Dat u het even weet.

Politiek Kwartier – Het basisinkomen als basis voor discussie

COLUMN – Na de aftrap in deze column liep de afgelopen weken op Sargasso een serie over het basisinkomen. Een korte terugblik.

Dat het idee van een basisinkomen veel reacties oproept, hebben we de afgelopen maand hier op Sargasso wel gemerkt. In de discussies werd ook goed duidelijk dat een basisinkomen onnoemelijk veel economische en sociale effecten zou hebben.

Waar tegenstanders uiteraard graag de negatieve effecten benadrukten, legden voorstanders graag de nadruk op de positieve effecten. De waarheid is echter dat niemand bij benadering kan voorspellen hoe groot die effecten zullen zijn.

Daarbij zullen deze sterk afhangen van de hoogte van het basisinkomen, de eventuele voorwaarden eraan, en de zaken waar het basisinkomen vervangend voor moet zijn.

Daar bleek onder de voorstanders echter absoluut geen overeenstemming over. Nog verder verdeeld waren zij over het opbrengen van de kosten. Ja, het basisinkomen hoort voor burgers een kosten-neutrale ingreep te zijn, maar hoe het uitgedeelde geld weer moet worden teruggehaald? Via de loonbelasting, via de BTW, via accijnzen of via bezuinigingen op bestaande regelingen? Of een combinatie van al deze zaken? Zoveel mensen, zoveel meningen.

Er is kortom niet één basisinkomen-model. Er zijn er vele. In feite becommentarieerde ieder stuk, zelfs iedere reactie, een ander sociaal stelsel. Maar een paar algemene conclusies kunnen we uit deze serie wel trekken.

Ten eerste dat ‘onvoorwaardelijk’ een relatief begrip is. Men ontkomt er niet aan om voorwaarden te stellen aan een basisinkomen. In ieder geval is het burgerschap een voorwaarde, maar voorstanders pleitten soms ook voor afhankelijkheden als leeftijdsgrenzen of de woonsituatie.

Ten tweede dat een basisinkomen nooit vervangend kan zijn voor alle uitkeringen. Met name loondoorbetaling en ziektekosten zijn schadeposten die daarvoor simpelweg te variabel zijn.

Ten derde dat het in één keer invoeren van een basisinkomen veel te risicovol zou zijn, omdat niemand ook maar een idee heeft van de daadwerkelijke effecten.

Geen sluitende theorie, en niet probleemloos dus. Maar dat betekent niet dat het alternatief beter is. In tegenstelling tot wat Michel suggereert, is ook het model van de verzorgingsstaat niet zonder fundamentele problemen.

De behoefte om voor iedereen een passende regeling te vinden resulteert in rechtsongelijkheid en een woud van regels, waarin men zonder jurist vaak zijn recht niet kan vinden. De sollicitatieplicht levert daarbij noodzakelijkerwijs een bureaucratische controle- en stimuleringsfabriek op. Deze lost de hoge fraudegevoeligheid niet fundamenteel op, maar maakt de sociale zekerheid wel minder toegankelijk. En andersom wordt toetreden tot de arbeidsmarkt weer tegengewerkt door de armoedeval.

Niet voor niets staat onze verzorgingsstaat al jaren op een helling en wordt ze met kaasschaaf en drilboor langzaamaan afgebroken en uitgehold. De wens terug te keren naar het oude stelsel is een ontkenning van de inherente problemen die het systeem kwetsbaar maken. Daarom is het belangrijk fundamentele discussies te voeren over sociale zekerheid, om het te verbeteren en zo te behouden.

Basisinkomen of verzorgingsstaat, het is niet het één of het ander. Er zijn ook mengvormen mogelijk. Het idee om het sociale stelsel sterk te versimpelen, niet alleen om fraudemogelijkheden te beperken en bureaucratie te verminderen, maar ook om gelijkheid en flexibiliteit te bevorderen, blijft daarbij een ijzersterk uitgangspunt, dat in ons huidige stelsel helaas volledig op de achtergrond is geraakt.

Fundamentele discussies als deze worden in de dagelijkse politiek echter nauwelijks gevoerd. Maar daarvoor zijn er dan ook plekken als Sargasso.