De Staat Deel 1, H8: Pechtos II

Toen ik dit laatste gesprek gevoerd had dacht ik dat het onderwerp afgehandeld was, maar daarin had ik mij vergist. Het hele vorige gesprek was kennelijk nog maar een inleiding geweest. Want Pechtos, altijd op zijn qui vive, nam geen genoegen met het opgeven van Wiegos en vroeg mij:

“Wat wilt u nu eigenlijk bereiken, beste Klokrates? Wilt u nu werkelijk dat wij ervan overtuigd zijn dat eerlijk zijn altijd beter is, of bent u al tevreden als het alleen maar lijkt alsof?”

“Natuurlijk zou ik liever hebben dat jullie er werkelijk van overtuigd waren dat eerlijk altijd beter is, als het aan mij lag.”

“Nu, in dat geval bent u er in dit gesprek met Wiegos nog niet echt veel mee opgeschoten,” zei hij, “want ik ben nog niet overtuigd. Kijk, ik zou u graag iets voorleggen. Bent u het met mij eens dat er verschillende redenen zijn waarom iets waardevol kan zijn?”

“Hoe bedoelt u dat?”

“Nou, soms is iets dacht ik waardevol omdat het voor ons waarde op zich heeft. Denk dan bijvoorbeeld aan blijdschap of genot.

En soms is iets waardevol omdat het fijne consequenties heeft, zoals bijvoorbeeld talentvol zijn.

En soms is iets waardevol omdat het op zich niet prettig is, maar wel prettige consequenties heeft. Denk maar aan bijvoorbeeld het verrichten van zwaar werk dat zoals we plachten te zeggen nu eenmaal `moet gebeuren’, werk dat ons uiteindelijk veel leuke dingen oplevert. Dat zijn toch drie redenen waarom iets waardevol kan zijn?”

“Ja, dat ben ik met u eens, maar waar wilt u eigenlijk heen?”

“Ik zou graag willen weten tot welke categorie u eerlijkheid rekent.”

“Ongetwijfeld tot alle drie de categorieën”, antwoordde ik.

“Nou, over het algemeen denkt men daar toch anders over. Over het algemeen wordt het hooguit beschouwd als iets van de laatste categorie. Iets dat een soort verplichting is, met op zich gunstige consequenties, maar in praktijk niet voor iedereen aantrekkelijk om zich er altijd aan te houden, en maar lastig om uit te voeren bovendien.”

“Ja, dat weet ik dat men daar zo over denkt. Dat is natuurlijk ook de opvatting waar onze Wiegos vanuit gaat, die hem ertoe brengt zo consequent de eerlijkheid aan te vallen en in plaats daarvan een oneerlijke samenleving aan te bevelen.”

“Nu, luistert u dan maar eens naar mij.” zei hij. “Ik heb eigenlijk de indruk dat Wiegos zich iets sneller dan nodig door u heeft laten klem zetten. In mijn ogen is namelijk nog niet afdoende bewezen dat eerlijkheid zou moeten behoren tot de deugden, al is het in ook maar één van die drie categorieën die ik zojuist noem. En ik zou graag van u willen horen waarom wij eerlijk moeten zijn, om alle drie de zojuist genoemde redenen. Dus waarom het prettig is om eerlijk te zijn, waarom eerlijk zijn een prettige samenleving oplevert, en waarom de samenleving met eerlijkheid als uitgangspunt ook het best zou functioneren.

Om u daarin te prikkelen zal ik het volgende doen als u dat goed vindt. Ik zal de theorie van Wiegos opnieuw formuleren, maar dan scherper.

Daarbij zal ik eerst betogen dat het onprettig is om eerlijk gedrag te vertonen, om daarna te onderbouwen waarom eerlijkheid ook geen goede consequenties heeft voor degene die eerlijk is. En vervolgens zal ik stellen dat de maatschappij als geheel ook alleen maar last heeft van het uitgangspunt van eerlijkheid.

Dat allemaal natuurlijk volgens die theorie, want zelf ben ik er wel van overtuigd dat eerlijkheid in alle drie de opzichten goed is. Maar ik ben ook mijn zekerheid kwijtgeraakt, zo sterk als die theorie van Wiegos is en ook klinkt in de verschillende geledingen van de maatschappij, van de kleine klagende man in de kroeg die gnuift bij iedere geslaagde oplichterij, via de even gehaaide als gewetenloze zakenmensen aan de top van het bedrijfsleven, tot aan politici en filosofen met hun sombere filosofie die welke zij ‘realistisch’ plachten te noemen, en die helemaal in de lijn ligt van wat Wiegos stelt. Ik wil die theorie daarom zo uitwerken, opdat u begrijpt wat ik van u wil horen om mij tevreden te stellen. Gaat u daarmee akkoord?”

“Natuurlijk ga ik daarmee akkoord!” zei ik. “Eens in de twee en een half duizend jaar op zijn minst moet toch iemand zo een uitdaging aannemen?”

“Goed. Dan beginnen we met wat volgens die theorie de oorsprong is van eerlijk gedrag.” ging Pechtos. “Volgens die gedachtegang is het in feite zo, dat het altijd voordelig is zich oneerlijk te gedragen. Iedereen weet dat als iemand zich oneerlijk gedraagt, hij zich winst weet toe te eigenen zonder dat hij daarvoor al te hard hoeft te werken. En doordat hij zijn eigenlijke gezicht niet laat zien, blijft hij veilig voor de aanvallen van anderen. Dit is de meest natuurlijke staat van zijn, omdat iedereen streeft naar het meeste profijt voor zichzelf. De mens en alle wezens worden dus van nature oneerlijk geboren, en zodoende kost het dus moeite om eerlijk te zijn en is het geen prettige houding om na te leven. Heb ik dat correct?”

“Dat lijkt mij een juiste weergave van die theorie.” Zei ik. Ook Wiegos en de anderen knikten.

“Goed. Maar omdat de voordelen van dat oneerlijke gedrag natuurlijk niet opwegen tegen de nadelen als men hier telkens het slachtoffer van is, komen de zwakkeren daartegen in opstand. Deze opstand zal echter mislukken, omdat ook de zwakkeren wanneer zij de kans krijgen elkaar zullen verraden.

Maar heel soms in de geschiedenis komt het voor dat een leider zo charismatisch is dat hij erin slaagt de zwakkeren langer te bedriegen en te misbruiken voor zijn eigen doelen. Zo een leperd zal erin slagen om de zwakkeren te verenigen, en wanneer zij zich verenigen zullen zij ook de strijd winnen, omdat zij nu eenmaal in de meerderheid zijn.

Met de meerderheid die zij mee kunnen brengen, grijpen zij op dat moment dat de elite een beetje verzwakt is dus met veel geluk en toeval de macht. Dan nog is de kans groot dat die mensen die het nauwst bij het grijpen van de macht betrokken zijn zelf de nieuwe elite gaan vormen en hun achterban zo snel mogelijk verraden, maar soms lukt dit niet goed en in dat machtsvacuüm zien we dan het volgende gebeuren.

Omdat al die mensen niet tot een verdeling van macht en rijkdom kunnen komen waar iedereen zich in kan vinden, en niemand sterk genoeg is om de rest te verslaan, verzinnen ze dat ze de onderlinge strijdbijl zullen begraven in de ruil voor een gelijk recht van iedereen op een deel van die macht en rijkdom.

Natuurlijk kan dat alleen maar goed gaan als iedereen alles van elkaar weet, en er geen dingen achter de hand gehouden worden. Dat zijn dan ook gelijk de twee belangrijkste ingrediënten van wat wij eerlijkheid noemen: openheid en alles delen.

Let wel: logisch gezien is de eigen eerlijkheid hierbij iets waar mensen het minst van alles op zitten te wachten, omdat ze daar zelf ook helemaal geen profijt van hebben. Het is nu juist de eerlijkheid van anderen waar men naar verlangt. De mensen verwachten vooral van de overheid en van elkaar dat ze zich eerlijk gedragen. Hun eigen eerlijkheid is dus alleen maar een soort ruilmiddel om die eerlijkheid van anderen te kopen.

De eerlijkheid is op zich dan ook niet iets wat vanzelf goede dingen voor de mensen die eerlijk zijn teweeg brengt. Het is niet vergelijkbaar met een goede eigenschap waarvan mensen zelf veel profijt hebben. Want die veiligheid die het oplevert komt niet door de eigen eerlijkheid, maar door de eerlijkheid van anderen.

Goed. Om die eerlijkheid af te dwingen schrijven de mensen normen voor, en verheffen ze het zich houden aan die normen vervolgens tot hoogste deugd. Zo ontstaat dus een moraal. Verder stellen die mensen dan wetten op om de hardleerse types nog eens goed te kunnen onderdrukken. Die wetten zijn dan natuurlijk in de lijn van die moraal.

Die eerlijkheid, Klokrates, is zoals we hebben gezien dus niets anders dan een wederzijdse concessie, die geworteld is in angst, en wordt opgelegd door middel van ongeschreven en geschreven wetten.

Iemand die werkelijk sterker is dan anderen zou het natuurlijk uit zichzelf nooit in zijn hoofd halen om zo een afspraak om eerlijk te zijn te maken. En als hij die al die maakt, uit puur eigenbelang, dan zal hij zich er als hij even de kans krijgt niet aan houden. Hij zou wel gek zijn als hij dat deed! Maar ook de sterke en slimme figuur wordt door de massa tot slachtoffer gemaakt, en merendeels tot eerlijk gedrag gedwongen. Dat, en alleen dat, is de oorsprong van eerlijk gedrag.

Dit alles is dus volgens die theorie de oorsprong van goed en kwaad, en dus de moraal die wij kennen, welke wij maar het beste de slavenmoraal kunnen noemen, Klokrates, omdat zij gebaseerd is op de kracht van zwakke mensen, die in een oneerlijke samenleving zonder twijfel veroordeeld zouden zijn geweest tot het bestaan als slaaf. Natuurlijk zul je altijd zien dat de mensen aan de top die deze eerlijkheid met de mond zo fanatiek belijden, in het geniep er toch telkens een loopje mee nemen. En iedereen weet, dat aan de top nog het meest ongestraft de oneerlijkheid zegeviert, omdat aan de top nu juist die wetten worden gemaakt, Klokrates. Maar goed, het uitgangspunt van eerlijkheid is zo ontstaan.”

Men knikte Pechtos bewonderend toe, en ook ik kon een goedkeurend knikje voor zo een doortrapte theorie niet onderdrukken.

“In praktijk zien we hoe wankel die eerlijkheid is,” ging hij verder, “als we ons een modern dictator als Mugabos voor de geest halen. Deze leider is aan de macht gekomen omdat men het niet eerlijk vond dat alle blanke mensen in zijn land de macht hadden, en toen hij aan de macht kwam werd hij daarom door de hele wereld bejubeld als de rechtschapen man die de kansen in zijn land eerlijk zou verdelen.

Nu echter, tientallen jaren later, is hij een gevreesde dictator die met harde hand de oude elite heeft vervangen door een nieuwe elite, die weliswaar donker gekleurd is, net als de rest van het overgrote deel van de bevolking, maar die voor de oude elite bepaald niet onderdoet als het gaat om uitbuiting en terreur, en tot overmaat van ramp een slechter economisch inzicht blijkt te hebben bovendien.

En zo ging het ook met idealisten als Lenos, Maos en Pollos Pottos. Het lijkt een natuurwet dat de idealisten eenmaal aan de absolute top al snel uitgroeien tot dictator. Maar dat is dan ook volkomen logisch. Stel dat een eerlijk mens in de positie van de absolute macht terecht zal komen. Zo iemand zal altijd, ook al is hij rechtschapen, eerst zijn eigen zaken behartigen. Zo nee, dan delft hij gelijk het onderspit. Wellicht zal hij aan het begin nog het idee in zijn hoofd hebben dat als hij zijn eigen belangen eenmaal veilig heeft gesteld hij met verdubbelde kracht de oneerlijkheid zal kunnen bestrijden. Maar hij ziet ook in, dat hij om zijn positie veilig te stellen, niet anders kan dan zijn vrienden bevoordelen en zijn vijanden benadelen. Het eerlijk maken van de maatschappij, zo hij dat ooit van plan was, zal hij daarom al snel laten voor wat het is.

Zeker, als iemand met macht nu door een of andere lijpe ziekte toch eerlijk blijft, zal men dat natuurlijk alleen maar toejuichen. Maar dat is enkel en alleen omdat er bij hem juist wat te halen valt. Zijn vrienden echter zullen zich natuurlijk zo snel mogelijk van hem afmaken en iemand naar voren schuiven als leider die met wat meer verstand de macht vasthoudt.

Nu, daarin hebben we toch een overtuigend bewijs, zal de aanhanger van onze theorie beweren, dat uiteindelijk niemand uit vrije verkiezing eerlijk is! Een individu heeft helemaal niets aan zijn eigen eerlijkheid, Klokrates! En zo zien we ook; overal waar men de kans schoon ziet, zal men trachten desnoods op oneerlijke wijze zijn voordeel te halen. Iedereen denkt nu eenmaal altijd nog dat hij daarbij veel meer gebaat is. En terecht.”

Hij pauzeerde even om te kijken of iedereen hem nog kon volgen.

“Dat eerlijk gedrag op zich niet alleen onnatuurlijk is, maar daarbij ook nog leidt tot een minderwaardige maatschappij,” ging hij toen verder, “kunnen we misschien nog het beste bewijzen door ons twee samenlevingen voor te stellen: een volmaakt eerlijke en een volmaakt oneerlijke maatschappij.

In de zogenaamd eerlijke samenleving zal iedereen zijn hebben en houden moeten geven aan het collectief, en krijgt daarvoor datgene terug dat correspondeert met zijn behoeften enerzijds en zijn inzet voor de maatschappij anderzijds. De mensen hebben geen recht op iets als privacy, en privébezit is als het al bestaat iets wat volledig gecontroleerd wordt door de staat.

Om ons beeld helder te krijgen moeten we er maar even vanuit gaan dat dit allemaal lukt en dat iedereen die zondigt tegen de regels van deze maatschappij met honderd procent zekerheid daarvoor wordt gepakt en zijn verdiende loon ontvangt, in de vorm van een straf die volkomen in proportie is met de misdaad.

In praktijk zullen we zien dat zowel een eerlijk als een oneerlijk mens zich overeenkomstig gaat gedragen in deze eerlijke maatschappij. Het eerlijke type is natuurlijk volkomen op zijn plaats en zal zich uitleven in het lijden van een veilig en eerlijk burgermansbestaan. Ondertussen zal het oneerlijke type natuurlijk wel gek zijn als hij zich oneerlijk gedraagt, omdat hij daar continu straf voor krijgt. Dat neemt echter niet weg dat hij zal huichelen zodra hij dat kan. Hij zal dus niet eerlijk worden – hij was immers een oneerlijk persoon – maar wel voorzichtig. En omdat onze maatschappij volledig eerlijk is gaan we ervan uit dat wanneer deze figuur een misstap begaat hij onmiddellijk in zijn kraag gevat wordt, en hij zich dus wel twee keer bedenkt alvorens een misstap te begaan.

Onze twee mensen gedragen zich dus gelijk. Maar als we nu aan die bewoners van deze maatschappij vroegen of de samenleving waarin zij leven eerlijk is dan zien we het volgende effect.

Een volkomen eerlijk mens zal zeker zeggen dat hij in een eerlijke en gelukkige samenleving leeft. Maar de oneerlijke mens zal niet tevreden zijn en antwoorden dat dit maar slecht wordt bereikt. Hij voelt zich continu gecontroleerd en beknot in zijn mogelijkheden.

Maar we hadden net vastgesteld dat alle mensen van nature oneerlijk zijn, en dus zullen de meeste mensen allemaal in min of meerdere mate ongelukkig zijn, zoals onze oneerlijke persoon. Want ieder gezond levend mens zal zich nooit neerleggen bij het onteigenen van zijn bezit, en de maatstaven die gehanteerd worden om vervolgens zijn prestaties en inzet te meten, en de resultaten daarvan onmiddellijk ter discussie stellen.

Natuurlijk, zwakke mensen zouden een soort dankbaarheid moeten hebben voor de bescherming die ze genieten, maar naarmate de eerlijkheid normaler wordt zullen ook zij niet meer tevreden zijn en dromen van meer dan hen toekomt. De menselijke begeerte is immers onbegrensd.

Hoe meer mensen onder standaardregels vallen in zo een maatschappij, hoe meer ze zich miskend voelen in hun individuele kracht, maar hoe meer er getracht zal worden door middel van uitzonderingen en nieuwe regels maatwerk te leveren. Daardoor echter zullen steeds meer mensen het idee hebben dat de beslissing dat zij al dan niet onder een regel vallen puur willekeur is; vooral als de maatschappij omwille van de eerlijkheid allerlei beroepsmogelijkheden instelt die een gerechtelijk circus opleveren die door gewone simpele burgers zal worden ervaren als een onbegrijpelijke en bureaucratische tombola, en die doortrapte mensen zullen ervaren als een beknelling van de eigen mogelijkheden.

Goed. En nu dan de oneerlijke samenleving. In de oneerlijke samenleving zijn de regels zo, dat niemand rekening houdt met de hoeveelheid moeite die iemand doet, en al helemaal niet met zijn of haar eventuele tekortkomingen.

Mensen hoeven zich in deze maatschappij niet bloot te geven, sterker nog, dat wordt als buitengewoon naïef beschouwd, en iedere inmenging van de staat in het privéleven wordt beschouwd als een inbreuk op de privacy.

Daartegen staat in zo een maatschappij dat de mentaliteit zich te laten gelden hoogtij viert. Overgeleverd aan enkel zichzelf zal iedereen ook zichzelf moeten proberen te redden, goedschiks of kwaadschiks. Doordat het woord eerlijkheid niet bestaat zal iedereen het als volkomen rechtvaardig beschouwen als mensen het slachtoffer worden van iets dat wij nu als een lage streek zouden beschouwen. Ieder ongeluk dat mensen overkomt, zal worden beschouwd als iets dat ze overkomt door hun eigen schuld. Het blijkt namelijk dat hij te zwak, of naïef was om zijn ongeluk af te weren. En iedereen die plannen smeedt die hem verder brengen wordt hiervoor beloond naarmate door hard werken en slimmigheden zijn plannen beter uitkomen. Doordat men continu waakzaam is, is iedereen in deze voortreffelijke samenleving op zijn qui vive.

Nu gaan we weer kijken hoe het de oneerlijke en de eerlijke mens in zo een maatschappij vergaat.

Het oneerlijke type zal zich daar natuurlijk oneerlijk gaan gedragen, dat spreekt voor zich. Hij past dan ook perfect in die samenleving, en zal zich daar prima op zijn plaats voelen. Als hij het onderspit delft, zal hij dat wijten aan zichzelf, en zichzelf vervloeken omdat zijn slimheid het niet redt tegenover de slimheid van anderen. Wanneer hij wint, dan vindt hij dat volkomen rechtvaardig, en prijst hij zijn eigen kundigheid.

Maar ook het eerlijke type zal niet lang eerlijk zal blijven in een oneerlijke maatschappij. Want in die samenleving kan hij nog zo oprecht en open eerlijk alles delen, omdat iedereen daar dan gelijk misbruik van maakt wordt eerlijkheid toch niet bereikt. Integendeel. Niet alleen komt er omdat er continu misbruik wordt gemaakt van zijn eerlijke bedoelingen naar anderen toe niets terecht, daar komt nog bij dat deze eerlijke vent ook zelf telkens het slachtoffer is van zijn eigen eerlijke gedrag. Hij zal overkomen op zijn medemensen als een hopeloos naïeve zot, waarvan men gemakkelijk misbruik kan maken, en al snel zal hij ook zelf tot de conclusie komen dat het niet eerlijk kan zijn dat hijzelf telkens het slachtoffer wordt van zijn neiging om alles altijd maar te willen te delen en altijd maar de waarheid te spreken. Die vent zal kortom spoedig tot de conclusie komen dat hij het dichtst bij eerlijkheid komt als hij de eerlijkheid zelf maar laat voor wat het is.

Wat wij dus zien is het volgende opmerkelijke effect: als wij nu eens aan een willekeurige bewoner van deze samenleving gingen uitleggen wat volgens ons eerlijkheid is, en dan vroegen of hij vond dat de samenleving waarin hij woont eerlijk is… dan zal hij ongetwijfeld bevestigend antwoorden.

Zo zien we dat de maatschappij die als uitgangspunt eerlijkheid heeft altijd als oneerlijk ervaren wordt, en dat de maatschappij waarin men zich van iets als eerlijkheid niets aantrekt, de mensen juist het idee hebben dat er hoe dan ook recht wordt gedaan.”

“Tsjonge, Pechtos.” zei ik. “Enorm, dat beeld van die twee samenlevingen dat je daar geeft.”

“Ik doe mijn best.” Zei hij. “Als ik hier wat cru klink, Klokrates, moet u zich maar bedenken dat het niet mijn opvatting is die ik hier naar voren breng, maar de theorie van de mensen die de voordelen van eerlijkheid als uitgangspunt aanvallen.

Volgens die theorie moet de conclusie zoals we zien dus zijn dat eerlijk gedrag niet iets is dat prettig is van zichzelf. Ook is het geen eigenschap die voor de personen die eerlijk zijn goede dingen met zich meebrengt. Daarbij brengt eerlijk gedrag ook geen betere maatschappij met zich mee, maar een maatschappij waarin mensen zich miskend voelen, of dat nu terecht is of niet.”

De Staat Deel 1, H9: Halsemes II

Ik was van plan in te gaan op Pechtos’ opmerkingen maar Halsemes was me voor. “U denkt toch niet dat daarmee alles gezegd is, Klokrates?” zei zij.

“Wat dan nog niet?C vroeg ik.

“Juist het allerbelangrijkste.” zei zij.

“Nou, als Pechtos dan toch in gebreke blijft zal jij hem te hulp moeten komen. Overigens is wat hij gezegd heeft al genoeg om mij buiten gevecht te stellen en mij de verdediging van de eerlijkheid onmogelijk te maken.” Zei ik hierop.

“Onzin.” Lachte zij. “Luister nou maar liever naar wat ik er nog aan toe wilde voegen. Om duidelijker te maken welk probleem Pechtos hier aandraagt moeten we ook nog gaan bekijken met welke argumenten die moraal waar hij het over heeft nu eigenlijk normaliter verdedigd wordt.

Kijk. Om te beginnen proberen de mensen die nieuwe moraal van hen nog rationeel te verdedigen. In de naïeve veronderstelling dat wie eerlijk is als beloning ook van zijn medemensen vanzelf eerlijkheid terug zal krijgen, leren ze hun kinderen om zich zo te gedragen dat ze anderen ontzien, dat ze zo open mogelijk zijn, en zo eerlijk mogelijk alles delen. Ze gaan ervan uit dat als de mensen dit van die kinderen zien, zij hen als beloning dan dezelfde behandeling terug zullen geven.

Maar natuurlijk nodigt een dergelijke rechtvaardiging van eerlijk gedrag uit tot heimelijke oneerlijkheid. Want dat eerlijke gedrag van die mensen levert hen niets direct op, en voor de beloning hoeven ze alleen maar te doen alsof. Als iemand dus op een slimme manier oneerlijk is, namelijk door zich eerlijk voor te doen maar het niet te zijn, wint hij daar dus veel meer mee dan met daadwerkelijk eerlijk gedrag.

Omdat zo met deze reden dus nooit een eerlijke maatschappij bereikt wordt, maar hooguit het tegendeel daarvan, een maatschappij vol huichelaars en oplichters, verzinnen die moraalridders vervolgens iets anders; zij gaan elkaar wijs proberen te maken dat om een gelukkig mens te zijn, men zich maar het beste aan die eerlijke normen van ze kan houden.

Om dit te bewijzen zijn er natuurlijk argumenten nodig, en omdat die er niet zijn zullen die argumenten moeten worden verzonnen. En daar hebben we dan gelijk de basis van het christendom gevonden, Klokrates. In iedere cultuur hebben mensen natuurlijk hun eigen religieuze verhalen, maar in onze cultuur verzonnen de mensen om die eerlijkheid te verdedigen wel een heel fantastische fabel; een verhaal over een schertsfiguur dat zich aan het kruis laat nagelen, en zo op die manier de wereld redt! Deze man heeft zoals gezegd wordt zijn hele leven door Israel gezworven om de mensen onwijze dingen wijs te maken, zoals het idiote advies om je vijand als hij je heeft geslagen de andere wang toe te keren, zodat hij er nogmaals op los kan slaan. Omdat dit soort dingen natuurlijk volkomen van de pot gerukt zijn, en iedereen ook wel ziet dat nog steeds de oneerlijke mensen de halve wereld voor zich alleen hebben, verzinnen de mensen bij dit heilige gedoe nog een extra fabeltje, en dat is dat fabeltje waarin gesteld wordt dat mensen na hun dood beloond worden en of zullen moeten boeten voor hun daden.

Nu goed. Omdat dit natuurlijk alleen maar werkt bij de domme en angstige mensen worden er daarnaast nog die wetten en regelingen afgekondigd, waarmee de sterkeren en de slimmeren onder het volk vervolgens in bedwang gehouden kunnen worden. Behalve natuurlijk degenen die zo slim zijn dat ze met hun oneerlijkheid altijd weg kunnen komen. En die mensen die verkeren natuurlijk uiteindelijk in de hoogste rangen die er in de maatschappij bestaan, of slijten met hun winst hun leven in Luilekkerland. Natuurlijk blijven zij zich eerlijk voordoen, dat is immers de norm, maar hun eerlijkheid is natuurlijk de grootste huichelarij denkbaar.

Dat dan over de rechtvaardiging van de moraal, Klokrates. Maar daarnaast bestaat er nog een andere kijk op de zaak, die we ook zeker moeten bekijken. Het gaat namelijk nog verder, de domheid zich eerlijk te gedragen. Want, zouden mensen die onze theorie verkondigen zeggen, eerlijkheid levert collectief gezien weliswaar een zekere veiligheid op, maar die veiligheid is juist ook wat mensen klein houdt. Eerlijkheid is een product van lafheid, en helaas levert een eerlijke samenleving daarmee ook een zwakke samenleving op. Uit angst om slachtoffer te worden houdt men elkaar in wezen maar klein. Het sterke en sluwe worden afgeremd, en het zwakke en het onnozele worden niet afgestraft maar juist gekoesterd. Deze mentaliteit om eerlijk te willen zijn is het dus die de grote krachten van onze maatschappij kleineert, en de zwaktes in onze samenleving kweekt en in leven houdt.

En zo een eerlijke maatschappij is zowel zwak naar binnen toe als naar buiten. Een samenleving die als uitgangspunt eerlijkheid heeft, Klokrates, maakt zich kwetsbaar voor allerlei oneerlijke individuen, die liever thuis zitten en hun handje ophouden dan voor hun brood te werken. Zij zullen zich nog liever zielig doen als beroep aanmeten dan enige economisch interessante activiteit ontwikkelen. Wanneer men ze dwingt te solliciteren schrijven ze een brief vol taalfouten en verprutsen ze hun gesprek met hun lamlendige houding. Allemaal maar om in die heerlijke uitkeringssituatie te blijven, waarin gratis geld op ze wacht. Dit allemaal naast die sterkere oneerlijke types die zoals we al zagen de macht vasthouden en vakantie vieren, waar Pechtos het zojuist al over had. En dit is die fundamentele oneerlijkheid die het gevolg is van de poging om een maatschappij eerlijk in te richten, die we de interne zwakheid van de zogenaamd eerlijke samenleving zullen noemen.

Daar komt nog bij, dat deze maatschappij ook naar buiten toe uitermate verweekt is. Zo een maatschappij, waarin natuurlijk allemaal voorrechten voor zwakke types moeten worden bekostigd uit de gemeenschappelijke pot, is natuurlijk ontzettend duur, en zal het nooit weten te redden tegenover andere economische systemen die niet zo moeilijk doen met zaken als mensenrechten, werknemersrechten, belasting en milieu. Tegenover deze andere economieën heeft onze naïeve eerlijke maatschappij natuurlijk een groot concurrentienadeel, want de kosten van die eerlijkheid moeten ergens belegd worden en maken die eerlijke producten van ons alleen maar ontzettend duur.

En zo zien we dan ook gebeuren dat een zogenaamd eerlijke samenleving, zoals de onze, die natuurlijk door niets anders dan door oneerlijk verkregen winsten uit het verleden is opgebouwd, verpapt raakt, en gedwongen is zijn eigen markt door middel van oneerlijke zaken als invoerheffingen en interne subsidies te beschermen ten opzichte van de buitenwereld, wat natuurlijk volkomen hypocriet is, maar wel volkomen logisch, want we als eerlijk zouden zijn naar buiten en die invoerheffingen af zouden schaffen, dan zouden we ook eerlijk moeten zijn naar onszelf en als een haas een stapje terug moeten doen in onze betutteling van de zwakke en waardeloze krachten, omdat we anders namelijk domweg weggeconcurreerd worden door andere opkomende economische systemen, waar ze nu eenmaal niet zo weekhartig zijn dat ze datgene wat weerloos en dus waardeloos is koste wat het kost in leven willen houden.

Ja, eerlijkheid is in die zin feitelijk alleen maar nadelig, Klokrates. Een bedrijf dat graag eerlijk wil delen en zijn personeel een hogere prijs wil betalen, of extra veel personeel in dienst wil houden, dat bedrijf krijgt onherroepelijk een concurrentienadeel, en zal uiteindelijk vanzelf verdwijnen. En een bedrijf dat verdwijnt, Klokrates, daar heeft niemand iets aan.

En zo is het precies met ons sociaal stelsel, dat blok aan ons been. Dat hebben we alleen maar een tijd lang drijvende weten te houden op kosten van de rijken, en alleen maar omdat in de ontwikkelingslanden nog niet genoeg kennis en kapitaal was om succesvol met ons te kunnen concurreren. Maar de wereld globaliseert, de grenzen vervagen, en wij, wij zullen keihard dat asociale sociale stelsel van ons af moeten breken om überhaupt nog te kunnen overleven.

Dat zijn dus de argumenten waarmee mensen als Wiegos het uitgangspunt van eerlijkheid in de samenleving zullen aanvallen. Er zullen er nog wel meer zijn, maar in wezen komt het volgens mij neer op datgene wat we hier gesteld hebben.

Let wel, naar mijn idee is het een onjuiste voorspiegeling van zaken en ik heb deze theorie dan ook alleen zo scherp geformuleerd om hem door u volledig weerlegd te zien. Wij verwachten daarom meer van u dan alleen maar een oppervlakkige overwinning. Legt u maar eens uit waarom eerlijkheid goed is voor zowel de mensen als voor de samenleving. En daarbij doet u er verstandig aan tegemoet te komen aan Pechtos’ suggestie en te benoemen waarom die eerlijkheid volgens u op zich iets goeds is, zowel als een deugd, en nog een goede strategie voor de samenleving bovendien. Want als u alleen dat laatste kunt aantonen zullen we toch maar weer moeten stellen dat het allemaal leuk bedacht is, maar in praktijk niet haalbaar, omdat iedereen zich als het even kan tegen de eerlijkheid zal verzetten uit eigenbelang. En als u alleen het eerste aan kunt tonen dan zal onze conclusie nog harder moeten zijn. Dan zullen we moeten concluderen dat eerlijk gedrag weliswaar prettig is als omgangsvorm, maar voor onze maatschappijinrichting volkomen onbruikbaar. En kom al helemaal niet aan met zoiets slaps als een hiernamaals, of een absolute goddelijke goedheid, noch met een of ander vaststaand absoluut goed en kwaad. Want van een ander zou ik het misschien voor de goede vrede wel accepteren als hij zijn mooie gedrag zo zou rechtvaardigen, van u beslist niet. U mag dus niet volstaan met oppervlakkige bewijsvoering maar ons grondig aantonen waarom eerlijkheid in alle opzichten het meest voordelig is in onze samenleving.”

De Staat Deel 1, H10: Staat

Ik had Pechtos en Halsemes altijd al om hun aanleg bewonderd, maar hun reactie bij deze gelegenheid deed me wel bijzonder veel plezier.

“Je moet wel een uitzonderlijk karakter hebben,” zei ik, “als je op zo een manier kan pleiten voor het totaal in de steek laten van de eerlijkheid en desondanks blijft geloven in de waarde ervan voor onze staat. Want voor mij laat het geen twijfel dat jullie daar daadwerkelijk van overtuigd zijn. Dat zie je wel aan jullie manier van doen in het politieke debat. Afgaand op wat jullie hier nu samen neergezet hebben, zou je dat beslist niet denken.

Overigens maakt dat mijn positie alleen maar lastiger. Ik twijfel werkelijk even wat ik moet doen. Aan de ene kant zie ik niet in hoe ik de eerlijkheid nu nog zou moeten verdedigen. Het is een teken aan de wand dat jullie mijn stelling tegenover Wiegos en de argumenten die ik daarbij aanbracht niet accepteren en als onvoldoende betitelen. Maar aan de andere kant kan ik het er nu natuurlijk ook niet bij laten zitten. Ik ben van mening dat het volkomen verkeerd is om het uitgangspunt van eerlijkheid zomaar in de steek te laten, en het te laten gebeuren dat mensen zich er zo laatdunkend over uitlaten, zonder daartegen in het geweer te komen. Het is dus maar het beste als ik de eerlijkheid zo goed als ik kan te hulp kom.”

Pechtos, Halsemes en de anderen drongen erop aan dat ik alles zou doen om de eerlijkheid te verdedigen. Ik mocht volgens hen de discussie absoluut niet afbreken, maar het onderzoek naar de feitelijke maatstaven voor een eerlijke samenleving voortzetten en nagaan in hoeverre het voordelig is om deze maatstaven te blijven hanteren.

Ik zei toen precies wat ik dacht: “Ons probleem nu is niet eenvoudig. Het vereist naar mijn idee een bijzonder scherpe blik. En omdat we nu eenmaal niet zo verschrikkelijk intelligent zijn, denk ik dat het het beste is om dit op een speciale manier aan te pakken. Het is eenzelfde soort geval als wanneer mensen die niet zulke goede ogen hebben midden in een bos worden gezet en gevraagd worden een grondige analyse te geven van hoeveel bomen er zich in dat bos bevinden, compleet met de statistieken van alle overige flora en fauna. Als een van hen zich nu realiseerde dat dit bos zich ook ergens anders bevond, maar dan op schaal, dan zouden ze dat natuurlijk als een uitkomst beschouwen en eerst dat schaalmodel gaan bestuderen alvorens te kijken naar dat grote bos, om te kijken in hoeverre dat daadwerkelijk hetzelfde is.”

“Natuurlijk,” zei Wiegos, “maar wat heeft dit nu in jodesnaam te maken met deze discussie?”

“Dat zal ik je zeggen. Niet alleen op maatschappelijke schaal, maar ook voor individuele mensen en in hun individuele levens spreken we van dingen als eerlijkheid. Nu zou het wel eens makkelijker zijn op te sporen wat nu eerlijk is voor een individu dan voor een hele staat, om zodoende de wetten en regels die daarvoor gelden te achterhalen. Als jullie het goed vinden zal ik dus eerst achterhalen wat het begrip eerlijkheid op individueel niveau inhoudt en welke maatstaven in dat geval gelden, en daarna willen kijken of we onze conclusies kunnen toepassen op de hele maatschappij.”

“Dat lijkt me een voortreffelijk idee.” Lachte hij.

“Weten we zeker dat we hier wel aan willen beginnen?” vroeg ik nu de anderen. “Het is echt geen kleinigheid! Denk er eens goed over na.”

“Dat is al gebeurd.” Zei Bossos. “Laten we maar meteen beginnen.”

“Goed.”

De Staat Deel 1, H6: Wiegos I

Wat vooraf ging:

De held Klokrates is naar dance valley geweest en wil juist naar huis gaan, als hij wordt overgehaald door zijn vriend Bossos om mee te gaan naar het huis van zijn vader Dreesos. In het huis van Dreesos bevinden zich meer mensen, onder wie Halsemes, Pechtos en Wiegos.

In het gesprek dat volgt stelt vader Dreesos het AOW probleem aan de kaak en werpt zo de vraag op of eerlijkheid nog wel te handhaven is. Daarna verlaat hij het gesprek. Bossos probeert daarop een nieuwe definitie van eerlijkheid te vinden, maar Klokrates wijst hem erop dat zijn uitgangspunt niet klopt. Vervolgens doet Halsemes een poging met een meer uitgewerkte theorie voor eerlijkheid, maar ook die blijkt problematisch te zijn. De definitie van Pechtos in het volgende hoofdstuk evenzeer. Klokrates uit vervolgens de woorden:

“We weten kortom nog steeds niet wat eerlijkheid nu eigenlijk is, en wat we moeten doen om een eerlijke samenleving te krijgen.”

 

Wiegos (I)

Tijdens ons gesprek had Wiegos al meer dan eens geprobeerd aan het woord te komen, maar tot dusver hadden de anderen hem steeds tegengehouden omdat ze onze redeneringen tot het eind toe wilden horen. Nu was er echter even een onderbreking en ik had die laatste opmerking dan ook nog niet gemaakt of hij kon zich niet langer inhouden. Hij dook ineen voor de sprong, en als een reljongere stortte hij zich op ons alsof hij ons wilde verscheuren. Bossos, Halsemes, Pechtos en ik stoven dan ook van schrik uit elkaar.

“Wat is dat toch voor een gezwets de hele tijd, Klokrates!”, schreeuwde hij. “Onvoorstelbaar wat een naïeve vertoning zoals jullie elkaar daar de hele tijd naar de mond staan te praten! Als u werkelijk wilt weten wat eerlijkheid is, houd dan eens op met dat kleinzielige weerleggen van wat de ander zegt. Zelfs de oude Grieken wisten al dat het makkelijker is een theorie aan te vallen dan te verdedigen. Geeft u liever zelf eindelijk eens een definitie van wat volgens u eerlijk is. En kom dan niet aan met uitspraken als: eerlijkheid is alles delen. Nee, als u iets zegt, zeg dat dan alsjeblieft een keer duidelijk. Want ik accepteer het niet meer dat u met zulke onzin komt.”

Ik wist niet hoe ik het had toen ik dat hoorde en wanneer ik hem aankeek werd ik bang. Hij was in alle staten! Als ik hem niet van tevoren had zien aankomen had ik geloof ik geen woord meer kunnen uitbrengen. Nu had ik gelukkig vanaf het moment dat het gesprek hem was gaan irriteren op hem gelet en ik kon hem dus van repliek dienen. Ik zei, nog een beetje onzeker van de schrik:

“Windt u zich alstublieft niet zo op, Wiegos. Als we fouten maken in onze redenering gebeurt dat echt niet met opzet. Het is eerder zo dat het ons aan capaciteiten ontbreekt, en daarom mogen wij van een groot man als u toch eerder medelijden verwachten dan woede?”

Wiegos barstte uit in een satanisch gelach en zei: “Kijk, kijk, daar hebben we die beroemde ironie van Klokrates weer hoor. Ik wist het wel en heb het de anderen eigenlijk nog voorspeld ook; u zou zich weer van de domme houden en alles liever doen dan een normaal antwoord geven op een normale vraag.”

“Ja, u bent ook handig, Wiegos. U wist maar al te goed dat wanneer je iemand vraagt: wat is twee, en daaraan toevoegt: en kom bij mij niet aan met een antwoord als één plus één, want naar zulke nonsens weiger ik te luisteren, het voor uw tegenstander onmogelijk is om nog een antwoord te geven. Als ik het goed begrijp moet ik u dus een antwoord geven dat volgens mijzelf niet het juiste is?”

“Wilde u dat dan doen, weer zo een vaag en onjuist antwoord geven?”

“Het zou me niets verbazen, mijn beste Wiegos, als u die conclusie zou trekken.”

“En als ik u zelf nu eens wijs op het juiste antwoord?”

“Nou, dat zou mij eerlijk waar heel wat waard zijn.”

“Jajaja! En dan kunt u weer uw makkelijke spelletjes spelen zeker; nooit iets constructiefs zeggen en alleen de theorieën van anderen bekritiseren en weerleggen.”

“Ja, maar wat dacht u dan eigenlijk?” deed ik. “Hoe kan ik nu iets constructiefs zeggen als ik in de eerste plaats geen kennis heb, en dat ook niet pretendeer te hebben, en me tegelijkertijd door een autoriteit als u de mond gesnoerd wordt als ik de mening die ik er eventueel op na houd naar voren wil brengen? Nee, het lijkt me logisch dat als u het antwoord heeft, u het ons dan ook geeft. Toe, doet u ons dat plezier.”

Toen ik dat zei, drongen ook Halsemes en de anderen aan op Wiegos om het antwoord te geven. En het was Wiegos wel aan te zien dat hij stond te popelen zijn definitie te laten horen en er succes mee te oogsten, overtuigd als hij was van zijn gelijk en de bestendigheid van zijn theorie tegen kritiek. Toch deed hij het voorkomen alsof hij erop stond dat ik mijn mening zou geven. Maar ten slotte gaf hij toch toe.

“En dat is dan alles wat u kunt!” smaalde hij. “Zelf voor de domme spelen maar bij iedereen aankomen om iets te leren, en daar dan nog niet eens dankbaar voor zijn ook!”

“Dat ik altijd van anderen probeer te leren, daarin heeft u gelijk, Wiegos. Maar als u zegt dat ik daarvoor niet dankbaar zou zijn dan vergist u zich. Daar kunt u zich snel van overtuigen, want ik ben ervan overtuigd dat uw definitie voortreffelijk is.”

“Luister dan maar eens.” zei hij. “Volgens mij wordt iets eerlijk genoemd wanneer het in het belang is van de sterkste!

… En? Waar blijft nu die waardering van u? Ach, die hoef ik van iemand als u ook niet te verwachten!”

“Ja” zei ik, “Maar dan moet ik natuurlijk wel eerst begrijpen wat u precies bedoelt. De sterkste zegt u? U bedoelt toch zeker niet dat als het in het belang is van een Schwarzenegger-type om zich iedere dag vol te stoppen met krachtvoer, het dus ook belangrijk is dat iedereen zijn voorbeeld volgt?”

“Ha haha hahah! Wat een misselijke redeneertrant houdt u er weer op na, Klokrates… U probeert mijn woorden weer zo te verdraaien dat ze belachelijk worden.”

“Nou, dat was echt niet mijn bedoeling. Ik wil alleen maar zeggen dat u misschien iets duidelijker zou kunnen zijn.”

“Nu, weet u dan niet dat een land en een economie altijd afhankelijk zijn van de sterkste burgers? En dan bedoel ik natuurlijk niet alleen fysiek sterke burgers, maar ook en vooral de economisch sterkeren?”

Dat gaf ik hem toe.

“Juist. Is het dan niet zo, Klokrates, dat de economie er dus het meest van profiteert als de sterkere krachten zo min mogelijk in de weg wordt gelegd?”

Ik liet hem dat punt, benieuwd naar de rest van zijn theorie.

“Kijk,” ging hij verder, “En daarom is het zo, Klokrates, dat in een moderne samenleving uiteindelijk dat waar het geld vandaan komt aan het langste eind moet trekken. En waar dat niet het geval is, daar blaast het systeem zichzelf binnen de kortste keren op. Het is socialistisch droomgoed te denken dat eerlijkheid iets als eerlijk delen of zelfs maar belonen voor de goede inzet zou zijn. Eerlijkheid wordt gemeten naar kracht. Eerlijk is het daarom als de sterke krachten niets in de weg wordt gelegd, in die zin dat iedereen volkomen vrij gelaten wordt, zonder enige sanctie van overheidswege of andere jaloerse organen op zijn of haar gedrag.”

“OK. Dank. Nu begrijp ik wat u bedoelt.” zei ik. “Dan is nu de vraag: heeft u gelijk? U zegt dus dat het in het belang is van de maatschappij als de sterkeren niets maar dan ook niets in de weg wordt gelegd. Dat is voor mij nog de vraag en daarom doen we er goed aan daar dieper op in te gaan.”

“Nou, schiet op dan.”

“Rustig, rustig, ik begin al. Zegt u eens: het is volgens u eerlijk als de sterkste persoon alles krijgt?”

“Ja.”

“En die sterkere figuur, is die onfeilbaar, of maakt hij wel eens vergissingen?”

“Ieder mens maakt vergissingen, Klokrates.”

“Dus… hij doet ook wel eens iets dat niet in zijn eigen belang is?”

“Ja.”

“Nou, dan is het in dat geval toch al niet eerlijk geweest om deze man te blijven belonen nietwaar?”

“Wat maakt u daar nu van?”

“Nou, precies wat u zegt,” stelde ik: “als de sterkere zichzelf in de weg zit, dan is dat niet eerlijk, want het sterke wordt iets in de weg gelegd. Maar aan de andere kant is het ook niet mogelijk de sterke te verhinderen zichzelf in de weg te zitten, want ook dan wordt hij verhinderd iets te doen en dus in de weg gezeten nietwaar?”

“Ja, hoor eens, Klokrates,” zei Wiegos nu geïrriteerd, “we gaan hier toch niet expres de ezel zitten spelen hè? U denkt toch zeker niet dat ik iemand sterk noem op het moment dat hij een foutje maakt?”

“Dat dacht ik ja. U zegt net toch zelf dat een sterk persoon ook wel eens een foutje maakt?”

“Dacht u nu werkelijk dat ik mensen die fouten maken nog sterk noem?”

“Ik dacht dat net toch echt van u te horen.”

“Ach, met u valt toch op zo een manier niet fatsoenlijk te discussiëren, Klokrates! U blijft er maar omheen draaien! Ja, natuurlijk worden er in de realiteit ook aan de top grote fouten gemaakt. En zolang iemand aan de top blijft, noemen we hem in het dagelijks leven sterk. Het gaat mij er echter om dat uiteindelijk de sterke daden beloond worden, en het zwakke wordt afgestraft. En dat kan alleen als die sterke daden niets in de weg wordt gelegd.

Als een sterke man of vrouw of beweging of organisatie aan de top een fout maakt, dan is dat een teken van zwakte en dat moet dan uiteraard bestraft worden, maar dat zal ook bestraft worden, als niemand dit proces van natuurlijke selectie maar in de weg zit. Als we dus exact willen zijn – u doet tenslotte ook zo precies – moeten we zeggen dat de sterke persoon zich nooit vergist. Ik bedoel met het woord sterk namelijk sterk in de meest pure zin van het woord. En ondanks uw onzinnige en lachwekkende poging mijn stelling onderuit te halen blijf ik dus bij mijn eerste stelling: eerlijk is wat in het belang is van de sterkste.”

“Zo, Wiegos” ging ik, “dus u dacht dat er met mij niet fatsoenlijk te discussiëren valt.”

“Inderdaad.”

“Dus u denkt dat ik er alleen maar op uit was om u een hak te zetten?”

“Dat weet ik wel zeker, maar dat zal u niet lukken. Ik heb die achterbakse trucjes van u namelijk al lang door voordat u ze zelf heeft kunnen verzinnen. In een eerlijk debat krijgt u geen kans me klem te zetten.”

“Maar ik zou het niet durven proberen zelfs! De grote Wiegos een hak zetten… het is nog makkelijker om Bin Lados te vangen als u het mij vraagt!”

“Toch heeft u zojuist een poging gedaan, en die leek nergens naar.”

“Genoeg hiervan.” deed ik, “Ik heb inmiddels van u begrepen dat het u niet gaat om de krachten die bij de top behoren, en die zich dus in het dagelijks leven als sterk voordoen, maar om de individuele daden die men aanmerkt als sterk en niet sterk.”

“U bent langzaam van begrip maar we komen er wel.”

“U zegt dus eigenlijk dat we pas een eerlijke samenleving hebben als krachtige daden niets in de weg wordt gelegd.”

“Exact, dat is wat ik zeg.”

“Goed. Dan is dat tenminste duidelijk. Maar dan heb ik nog een vraag. U zult toch toe moeten geven dat er aan de top grote fouten gemaakt worden, en wel door mensen die elkaar en zichzelf zo de hand boven het hoofd houden, zodat ze na gemaakte fouten niet zelden onbeschadigd kunnen blijven zitten. Dat is wellicht voor die mensen aan de top erg gunstig allemaal, maar zou u dat eerlijk noemen?”

“Ja, dat is eerlijk, voor zover ze ermee weg komen. Wanneer echter een sterkere kracht ze daarop weet te pakken, dan zijn zij niet meer de sterkste, en zullen zij daarvoor gestraft worden. Dat lijkt mij logisch.”

“OK. Goed. En als iemand iets doet wat voor hem zelf gunstig is en voor de maatschappij ongunstig, bijvoorbeeld omdat hij zich weet te verrijken ten koste van anderen, spreekt u dan over een zwakke of over een sterke daad?”

“Dan noem ik dat natuurlijk een sterke daad.”

“Dan zult u toch moeten toegeven dat dit in tegenspraak is met wat u eerder zei.”

“Wat nu weer?”

“Maar mijn beste Wiegos, u zei toch zelf tegen mij, toen u begon met uw theorie, dat het eerlijk is de sterke daden te belonen?”

“Dat is correct, dat is wat ik zei ja.”

“En zei u niet dat dit volgens u was omdat een land en een economie nu eenmaal afhankelijk zijn van zijn sterkste burgers?”

Dat moest hij toegeven.

“Juist. Is het dan niet zo, Wiegos, dat u de kracht, uitgaande van die uitspraak, dus kennelijk af meet aan het goede dat zijn daden voor de economie meebrengen?”

Wiegos gaf dit met nogal veel tegenzin toe.

“Zult u dan niet moeten toegeven, mijn beste Wiegos, dat dit in tegenspraak is met de definitie van kracht die u zojuist gaf van een sterke daad, namelijk dat een daad ook sterk is indien de dader daarmee de maatschappij schade aandoet en zichzelf verrijkt? Is het niet eerder zo dat u eigenlijk had moeten zeggen dat u een daad pas echt sterk vond als deze gunstig is voor de maatschappij en het collectief, en niet zozeer gunstig voor de dader?”

Op dit punt van het gesprek, toen iedereen in zag dat deze conclusie in totale tegenspraak was met zijn eerdere gedachtegang, zei Wiegos in plaats van mijn vraag te beantwoorden: “Zeg Klokrates, staat u soms onder medisch toezicht?”

“Wat is dat nu voor een rare vraag, Wiegos?” zei ik. “Zou u niet liever mijn vraag beantwoorden in plaats van zulke vragen te stellen?”

“Ik stel die vraag alleen maar omdat ze kennelijk vergeten zijn uw snotneus af te vegen voordat ze u lieten buitenspelen, Klokrates.” ging Wiegos. “Ze hebben u nooit verteld hoe de grote mensenwereld er in het echt uit ziet. U schijnt nog steeds te denken dat wanneer iemand presteert, hij dat doet om zijn werk goed te doen, zoals in een sprookjesbos, in plaats van dat hij alles wat hij doet, doet om er zelf op vooruit te gaan. U begrijpt niet dat alle mensen zich met maar één ding bezig houden, namelijk hoe zij het best zichzelf kunnen verrijken! En met al uw fraaie inzichten over de menselijke geest heeft u niet eens door dat uw zogenaamd eerlijke gedrag niets meer is dan een gehoorzaamheid aan de wraakoefening van de mensen die zwak en waardeloos zijn. Ja, met wetten en belastingen hebben zij de mensen die sterk zijn op hun knieën gedwongen, maar daarmee hebben zij een maatschappij gecreëerd die net zo zwak is als zijzelf.

Nee, val me niet in de rede! Onze welvaart, Klokrates, is er alleen maar ondanks het zogenaamde sociale stelsel, met zijn vangnet en armenzorg die ons systeem alleen maar uithollen en verzwakken. Dat sociale stelsel is er alleen maar bij gratie van de sterken, omdat ze er goddank nog steeds kunnen zijn, omdat de wraak van de zwakkeren niet volkomen is, zoals in een communistisch systeem, waarin de klok zoals we nu al een paar keer in de geschiedenis gezien hebben onherroepelijk stil blijft staan en de mensen collectief vervallen in armoede.

Ja gelukkig maar, Klokrates, zijn er in ieder systeem, en zeker in dat van ons, nog genoeg vitale krachten die weerstand bieden tegen deze dictatuur van de grijze massa en zich hieraan ontworstelen, door puur en alleen maar voor zichzelf te presteren. Zij werken voor hun eigen genot, en maken van hun leven één groot feest, van het formaat waarvan de anderen, die zwakker zijn dan zij, alleen maar durven dromen. En het zijn de kruimels die van die feestdis afvallen waaraan de anderen nog hun bestaansrecht ontlenen, Klokrates, omdat er altijd mensen zijn die krachtig genoeg zijn om te profiteren van de mensen die krachtig zijn.

In de praktijk gaat het dan ook precies zo: Een rijk iemand bestelt nu eenmaal veel luxegoederen, waar anderen weer aan kunnen verdienen… zoals ook een groot bedrijf werknemers kent, en toeleveringsbedrijven, die profiteren van het succes van dit grote bedrijf. En dat zijn de processen waarop onze maatschappij draaiende blijft, Klokrates. Het eigenlijke belang waar dit alles op drijft is altijd die drang om zelf rijk te worden, de drang om zelf gelukkig te worden – en dan desnoods ten koste van anderen.

Het mooie van mijn theorie is dat door deze mensen niets anders in de weg te leggen dan de slimmere daden van andere krachtige mensen, in een vrije concurrentiestrijd, uiteindelijk het sterkste altijd boven komt te liggen, en zodoende het systeem en de mensen daarin uiteindelijk het meest welvarend zullen zijn. En als je van een afstandje kijkt, Klokrates, dan zie je dat dit de centrale wet is die door de hele geschiedenis loopt. Het sterke blijft staan en het zwakke verdwijnt.

Het is daarom niet alleen in het belang van iedereen individueel, maar ook in het belang van de totale samenleving dat iedereen zich vooral maar niet bekommert om eerlijkheid. Integendeel. Het is in ieders belang dat iedereen zo snel mogelijk probeert om er zelf bovenop te komen en rijk te worden, desnoods ten koste van anderen. Ja, als iemand echt het algemeen belang wil dienen, dan moet hij zich van iets als eerlijkheid niets maar dan ook niets aantrekken.”

De Staat Deel 1, H7: Wiegos II

Nadat hij deze woorden als een koude douche over ons had uitgestort maakte Wiegos aanstalten om te vertrekken. Maar daar wilden de anderen niets van horen. Ze stonden erop dat hij bleef om zijn beweringen te staven. Ik drong daar natuurlijk ook op aan.

Ik zei: “Dat snap ik nu werkelijk niet, mijn beste Wiegos. Hoe kunt u nu weg willen gaan nadat u ons met zó een schitterende theorie hebt opgescheept, zonder onze kritiek af te wachten om te zien of het waar is wat u zegt! Vindt u het soms een onbelangrijke zaak wat u hier probeert: een definitie te geven van de staat die wij moeten inrichten om een zo goed mogelijke samenleving te krijgen?”

“Dat heb ik toch niet gezegd?” riep hij.

“Nee, maar het heeft er veel van weg.” zei ik. “Of betekent dit dat u niets om ons onderwerp geeft, en het u dus volkomen onverschillig laat in wat voor maatschappij we leven? Kom, wees toch zo goed om ons uw theorie toe te lichten! Dat zal toch zeker geen verkeerde investering zijn? Want ik kan u nu al zeggen: ik ben nog niet overtuigd! Naar mijn idee zal oneerlijk gedrag uiteindelijk nooit voordelig zijn voor de maatschappij. En dat zou ik graag willen toelichten. Want naar mijn overtuiging is het zo, dat eerlijkheid uiteindelijk voor iedereen het meeste loont. Laat de mensen maar oneerlijk zijn, laat ze zich maar uitleven, in het geheim of met geweld, ik ben er niet van overtuigd dat dit uiteindelijk de maatschappij meer goed zou opleveren dan kwaad. En het zou kunnen zijn dat niet alleen ik, maar ook andere mensen daar nog van overtuigd zijn. Kom, waarom doet u niet meer uw best om die mensen van uw gelijk te overtuigen?”

“Ja, wat is dat nou voor een laffe truc, Klokrates? Dat kan iedereen wel, zeggen dat ze het sowieso niet met de ander eens zijn, en maar vragen met nog meer te komen! Ik heb toch al mijn argumenten al gegeven? U heeft ze toch gehoord? Moet ik ze u dan nog met de paplepel ingieten ook?”

“Ja, waarom ook niet? Maar laten we dan wel eerlijk blijven. In ieder geval in deze discussie. Zolang eerlijkheid nog een rol speelt, en dat speelt het voor mij, heb ik niets aan een discussie waarin het sterke dat we proberen te omschrijven telkens verandert. Eerst zegt u me dat de sterke kracht een sterk persoon is, en dat het belangrijk is om sterke personen niets in de weg te leggen omdat zij de maatschappij het beste dienen. Daarna dat het niet om de persoon gaat, maar om de daden. En daarna zegt u dat de sterke kracht eigenlijk datgene is wat zichzelf het beste dient. Nu vooruit, laten we maar van het laatste uit gaan. Zegt u mij eens, dacht u nu werkelijk dat iemand die een bedrijf bestuurt, dat voor zijn plezier doet?”

“Of ik dat dacht? Welnee. Daar ben ik volkomen zeker van.”

“Nou, dat vind ik maar een vreemde gedachte. Want als dat immers het geval was, dan zou het toch verdomd gemakkelijk zijn om mensen te vinden die helemaal niets met dat leiding geven hoefden te verdienen? De eigenlijke kunde van een ondernemer, waardoor hij dus ondernemer is, is toch het draaiende houden en zelfs laten uitgroeien van zijn toko, en niet het genieten van al het geld dat hij ermee verdient, toch? En antwoord nu alstublieft niet tegen uw overtuiging in, want dan komen we nooit verder.”

“OK, het lijkt inderdaad duidelijk dat de belangrijkste kunde van een bestuurder het besturen van het bedrijf is.” Moest hij toegeven.

“Goed” ging ik verder “En als nou het net zo leuk was leiding te geven, als het is om geld uit te geven, dan zou het verdienen van geld in hogere functies toch geen rol hoeven spelen, nietwaar?”

“Waarom niet?”

“Nou, omdat volgens mij de mensen dan elkaar stonden te verdringen dit gratis te doen, inclusief de beste mensen onder hen.”

“Eh ja, dat is een beetje een absurde gedachte, maar het klopt wel.”

“Nu OK, maar dan bent u het dus met mij eens als ik daaruit concludeer dat we het verdienen van geld en het besturen twee verschillende dingen zijn?”

“Ja, dat zijn inderdaad twee verschillende dingen, ja. Maar waar wilt u nu eigenlijk heen?”

“Nu, het volgende. We kunnen dus het vak van leiding geven, of regeren, of zelfs het vak van geld verdienen, los beschouwen van de opbrengst voor de persoon die het uitvoert. En toch is het zo dat juist mensen die aan de top staan hoge salarissen eisen, en die ook krijgen toegediend. En men zegt wel dat als die hogere salarissen niet worden gegeven er ook geen goede bestuurders zouden zijn. Kennelijk is de enige reden dus dat mensen zich verlagen tot iets als leiding geven dat er een beloning tegenover staat. Zo nee, dan zou die beloning helemaal niet nodig zijn. Die vergoeding is er dus juist omdat het leiding geven op zich geen persoonlijk voordeel oplevert.”

“Hoe bedoelt u dat, Klokrates?” zei Pechtos, “Dat van die beloning kan ik volgen, maar waarom vindt u dat iemand zich verlaagt als hij leiding geeft?”

“Ik bedoel dat in een maatschappij waarin beloning geen rol speelt de mensen eerder geneigd zouden zijn te vechten voor de vrijstelling van taken dan het uitvoeren daarvan.” antwoordde ik hem. “Maar laten we ons niet weerhouden van waar het Wiegos eigenlijk om ging. Namelijk de vraag of het voor de maatschappij maar het beste is als hij oneerlijk is, zodat de sterkste machten uiteindelijk zullen zegevieren. Geloof jij dat de maatschappij het beste af is als hij oneerlijk is?”

“Nee.” zei hij. “Volgens mij is iedereen gebaat bij een eerlijke samenleving.”

“Maar je hebt toch wel de voordelen gehoord die Wiegos beschreef?” vroeg ik door.

“Ja. Maar ik geloof niet dat hij gelijk heeft.”

“Goed. Ik ook niet. Maar we kunnen hier tegenover wel een eigen pleidooi afsteken, en een tirade houden over wat voor voordelen eerlijkheid wel niet heeft tegenover oneerlijkheid, dan komt Wiegos natuurlijk weer met een tirade terug; en zo zullen we het nog wel even over en weer volhouden tot de drank en de slaap wellicht de overhand krijgen. En als iemand zich dan morgen nog een beetje herinnert wat wij hier vanavond gezegd hebben zal hij wellicht de plussen en de minnen proberen te wegen en ze bij elkaar op zal proberen te tellen, zal hij er niet veel wijs uit kunnen worden. Hij zal zijn schouders ophalen voor het richtingloze geouwehoer wat we hier zoals op vele feestjes hebben laten horen.

Wat als we nu de schaarse tijd die ons nog rest – en de muziek in de tuin klinkt al harder – eens besteedden aan een kritisch onderzoek van wat wij net hebben gezegd, als rechter en advocaat tegelijk?”

Wiegos merkte daarop op dat dit wellicht zinniger was, maar minder amusant. Anderen vielen hem bij. Pechtos sloeg ondertussen een dubbele whisky achterover en Bossos aaide de hond Marokkanos. Maar ik slaagde erin het gezelschap, inclusief Wiegos, ervan te overtuigen dat het toch boeiender was erachter te komen of het nu werkelijk nuttiger is om eerlijk te zijn of juist niet, dan domweg slechts een amusante avond te hebben. Dit was nog een hele onderneming, want DJ Salsa stond te draaien.

“Wel, Wiegos” ging ik snel verder, “Oneerlijk gedrag – laten we maar weer bij het begin beginnen – dat is dus volgens u uiteindelijk voor iedereen voordeliger dan eerlijk gedrag.”

“Dat beweer ik inderdaad, en ik heb u mijn argumenten gegeven.”

“En eerlijk gedrag is volgens u iets negatiefs?”

“Nee,” zei Wiegos, “eerder is het een teken van een heel mooie maar naïeve goedaardigheid.”

“Goedaardigheid? Dan is oneerlijk gedrag dus toch iets kwaadaardigs?”

“Nee, eerder is dat, indien men daar natuurlijk mee weg komt, een teken van kracht en intelligentie.”

“Dus u beschouwt dat als een positieve eigenschap?”

“Ja.” zei hij. “En dan bedoel ik natuurlijk niet de gewone kleine criminaliteit. Natuurlijk heeft dat ook zijn functie; het maakt de mensen waakzaam. Maar waar het mij om te doen is, is het soort oneerlijkheid dat mensen boven anderen uit doet stijgen, waar men zich meester maakt van de situatie.”

“Dat begrijp ik wel,” zei ik, “maar toch verbaast het mij dat u oneerlijkheid nu als iets positiefs ziet.”

“Toch doe ik dat beslist.”

“Dat is dan een harde uitspraak die er niet om liegt, en het is niet makkelijk iets daarop te zeggen.” ging ik. “Maar nu moet u mij eens het volgende vertellen. Denkt u dat eerlijke mensen er meer recht op menen te hebben te bepalen wat er gebeurt dan andere eerlijke mensen?”

“Nee, daar zijn ze veel te beschaafd voor.”

“OK, een volgende vraag: denkt u dat eerlijke mensen menen er meer recht te hebben te bepalen wat er gebeurt dan mensen die anders zijn dan zij, namelijk oneerlijk?”

“Natuurlijk menen zij dat, maar zij krijgen de kans niet.”

“Dat is niet wat ik vroeg.” zei ik. “Ik vroeg of zij menen dat eerlijke mensen zoals zij meer recht hebben te bepalen wat er gebeurt dan oneerlijke mensen.”

“Ja, dat menen zij zeker, dat zei ik.” antwoordde Wiegos geïrriteerd.

“Goed. En denkt u dat oneerlijke mensen menen meer recht te hebben te bepalen wat er gebeurt dan andere eerlijke of oneerlijke mensen?”

“Natuurlijk menen zij dat! Zij leggen zichzelf geen beperkingen op.”

“Dus hen maakt het niet uit of iemand eerlijk of oneerlijk is?”

“Nee. Zij trekken zich van dat hele concept eerlijkheid van u niets maar dan ook helemaal niets aan Klokrates.” ging hij.

“Dus als ik het goed begrijp vinden mensen die eerlijk zijn dat mensen die eerlijk en oprecht zijn het meest te bepalen zouden moeten hebben, terwijl oneerlijke mensen vinden dat degene die het sterkst is, eerlijk of oneerlijk, het meest recht heeft te bepalen wat er gebeurt?”

“Dat heeft u toch mooi samengevat, Klokrates, dat is inderdaad de kern van mijn theorie.”

“Dat is nu bijzonder, Wiegos.” zei ik. “Stel nu dat iemand een idee heeft dat een bepaald probleem heel goed oplost. Bent u het dan met me eens dat een eerlijk iemand vindt dat dit idee uitgevoerd moet worden, en dat een oneerlijk iemand zal vinden dat dit helemaal niet ter zake doet, zeker niet als die figuur met dat goede idee een zeer zwakke partij is?”

“Vermoedelijk wel ja.”

“Dus samengevat zal een oneerlijk mens een idee dat niet van hem is geen ruimte gunnen als hij de mogelijkheid heeft dat voor zijn eigen belang te dwarsbomen?”

“Het is zo, ja.”

“Maar hoe kan oneerlijkheid in zo een geval dan iets positiefs voor de samenleving zijn?”

Wiegos had dit allemaal wel toegegeven, maar het was niet zo makkelijk gegaan als ik het nu vertel. Ik had de antwoorden echt uit hem moeten trekken en hij transpireerde er vreselijk bij. “Luister Klokrates,” zei hij, “Wat u hier allemaal staat te beweren staat mij beslist niet aan en ik heb daar heel wat op te zeggen. Maar als ik dat zou doen zult u dat allemaal wel weer vage retoriek noemen. Als u dus liever verder gaat met die vraag en antwoordmethode van u, dan gaat u uw gang maar, dan zal ik wel beleefd naar u luisteren en op zijn tijd ja of nee zeggen zoals je dat doet met een of andere randdebiel wanneer die met zijn verhalen aankomt.”

“Zolang u mij maar zegt wat u denkt.”

“Om u een plezier te doen; ja. Nu u mij toch geen pleidooi tegen dat gewauwel van u laat houden…”

“Goed, dat zal ik u nog wat van mijn vragen voorleggen.”

“Vooruit dan.”

“OK. Laten we dan verder gaan waar we gebleven waren. We hebben net vastgesteld dat een oneerlijk persoon niet kijkt naar welke oplossingen algemene problemen beter oplossen, maar naar of hem dat voordeel oplevert. Als hij aan de top is zal hij dus niet schromen om zijn bevoorrechte positie te gebruiken om kleinere initiatieven te smoren. Daarmee heb ik dacht ik wel aangetoond dat oneerlijk gedrag heel gemakkelijk iets negatiefs tot gevolg kan hebben.

Vanuit daar zal het niet moeilijk zijn te beweren dat eerlijk gedrag over het algemeen wel positieve gevolgen heeft. Maar ik voel er niet zoveel voor om me er zo gemakkelijk vanaf te maken. Ik zou het liever op de volgende manier willen nagaan. Zeg eens, Wiegos, een persoon, kan die ook eerlijk en oneerlijk naar zichzelf zijn, in die zin dat hij zijn slechte eigenschappen en zwakheden kan ontkennen, terwijl hij zich werpt op zijn sterke eigenschappen?”

“Maar natuurlijk.” zei hij. “De ideale persoon zal dat ook juist doen, zijn goede eigenschappen laten zegevieren over zijn zwakke.”

“Maar stel nu dat een persoon aan de ene kant een heel sterke kant heeft, bijvoorbeeld een bloeiende carrière, en aan de andere kant een zwakke gezondheid, of psychische problemen, die te maken hebben met bijvoorbeeld een slecht huwelijk. Is het dan niet zo dat zo iemand er verstandiger aan doet zich te richten op het beter maken van wat nog niet zo goed gaat?”

“Ja, dat lijkt me verstandiger.”

“Is het kortom maar beter eerlijk te zijn naar zichzelf en zich te richten op zijn zwakheden, namelijk zijn gezondheid of zijn huwelijk, in plaats van zich te richten op zijn carrière, of vice versa indien toepasselijk?”

“Als u dat zo zegt…”

“Ik trek alleen maar mijn conclusies uit uw eigen antwoorden mijn beste Wiegos. Ik kan niet anders dan concluderen dat om een volkomen evenwichtig persoon te zijn iemand dus altijd eerlijk moeten zijn naar zichzelf en zijn eigen zwakheden moet onderkennen en proberen aan te pakken.”

“Best. Ik wil geen ruzie met u krijgen.”

“Dat is werkelijk sympathiek van u. Maar nu de volgende vraag: waarom zou dat nu niet gelden wanneer het niet een persoon maar een organisatie of een samenleving betreft? Denkt u niet dat dit net zo geldt voor een groter verband als voor een persoon?”

“Hoe bedoelt u?”

“Nu, laten we nu eens als voorbeeld voor die samenleving het traditionele en tegenwoordig wat ouderwetse gezin nemen. Welk gezin heeft denkt u het meest succes; een gezin waarin de vrouw en man goed voor de kinderen zorgen en de kinderen genoeg te eten krijgen plus de mogelijkheid zich te ontwikkelen, of het gezin met een huistiran aan het hoofd, die zijn vrouw en kinderen slaat als hij er zin in heeft en hen schandelijk verwaarloost ten guste van zijn eigen pleziertjes in de kroeg en de maatschappij waarin hij deel neemt? Is niet dat eerste gezin veel beter af?”

“Dat zal wel zo zijn ja.”

“Maar dan is dat toch ook precies hetzelfde met een organisatie? Stel nu eens dat een volkomen oneerlijk mens, dat eigenlijk alleen uit is op eigenbelang, nu eens leidinggevende is over een grote tent… zou hij dan, omdat hij nu eenmaal oneerlijk is, niet onmiddellijk of on the long run proberen die tent te belazeren?”

“Als het werkelijk zo een sluw en geslepen puur oneerlijk mens is, dan zal hij dat altijd proberen.” beaamde Wiegos. “En daar zijn er veel van.” voegde hij er wel aan toe.

“Maar, dan is hij toch per definitie een slecht bestuurder?” ging ik. “De best lopende organisatie is toch de organisatie waarin iedereen zijn eigen functie het best kan uitvoeren? Waarin het lagere personeel goed is uitgerust en met veel plezier zijn taak uitvoert en zich uitleeft in waar het goed in is, terwijl het management weer doet waar zij goed in is, namelijk het faciliteren van dat personeel om het beste uit zichzelf te halen, en de directeur leiding geeft om het management te ondersteunen de targets te halen, juist ongeacht zijn eigenbelang?”

“Dat zouden we kunnen zeggen ja.”

“En is het in een maatschappij niet net zo? Dat een maatschappij het meest welvarend is als iedereen zijn eigen functie vindt en zijn eigen krachten kan ontwikkelen zonder gedwarsboomd te worden door de sterkere krachten maar daar juist door geholpen wordt het beste uit zichzelf te halen? En een maatschappij daarentegen het minst welvarend is als iedereen probeert de ander onderuit te halen, omdat in zo een maatschappij niemand in staat is nog iets voor de samenleving te betekenen omdat bij alles wat hij doet hij geconfronteerd wordt met conflicterende krachten die hem tegenwerken?”

“Dat klinkt logisch, volgens uw redenering.” gaf Wiegos toe.

“Moet de conclusie dan niet juist zijn dat eerlijkheid een eerste vereiste is voor een welvarende samenleving, mijn beste Wiegos?”

“Nou, trekt u maar uw eigen conclusies.” Zei hij. “Ik zal me er niet meer tegen verzetten. Geniet u er maar fijn van.”

“Dat heb ik dan aan u te danken, mijn beste Wiegos.” zei ik. “Want u bent bijzonder vriendelijk voor mij geweest en u hebt uw aanvankelijke ergernis van u af kunnen zetten. Toch ben ik helaas in deze discussie niet veel opgeschoten. Dat deze maaltijd me niet goed bekomen is, is echter mijn eigen schuld; elk nieuw gerecht dat werd opgediend heb ik naar me toe gegrist terwijl ik nog niet eens goed van het vorige had geproefd. Voor we een antwoord hadden gevonden op de vraag waarmee we begonnen, namelijk wat eerlijkheid nu eigenlijk is, heb ik dat onderwerp laten varen om me te storten op de vraag of het verstandig is een eerlijke maatschappij in te richten, en toen ik daarna geconfronteerd werd met de stelling dat oneerlijk gedrag voordelig is heb ik me weer niet kunnen beheersen en heb ik voor dat nieuwe onderwerp ook het tweede probleem in de steek gelaten. Het resultaat is dat ik nu niet veel heb geleerd. Want als ik niet eens weet wat eerlijkheid nu eigenlijk is, kan ik natuurlijk moeilijk uitmaken of het verstandig is een eerlijke samenleving in te richten, en of deze maatschappij welvarender is en prettiger om in te leven of niet.”