Politiek Kwartier | Snijden in zorgreclame

COLUMN – Er is een veel simpelere, snellere en veiligere manier om te bezuinigen op de zorg dan met het afschaffen van de vrije artsenkeuze: verbied zorgverzekeraars reclame te maken.

Er is de afgelopen week weer veel te doen geweest over de vrije artsenkeuze. Bijna heel Nederland is tegen, maar Edith Schippers ligt nog steeds op ramkoers. Guusje Ter Horst, één van haar belangrijkste tegenstanders, wil andere manieren zoeken om de beoogde bezuiniging te realiseren. Ik heb wel een ideetje.

Per jaar geven de zorgverzekeraars meer dan dertig euro per verzekerde uit aan acquisitiekosten. Een noodzakelijke kostenpost? Voor zover het om reclame gaat in ieder geval niet. De reclame helpt de consumenten niet bij het kiezen tussen de ingewikkelde pakketten die de zorgverzekeraars aanbieden. Vergelijkingssites zoals Independer.nl zijn – hoewel niet volledig afhankelijk en objectief – daarbij al veel verdienstelijker. Dit is dus eigenlijk gewoon weggegooid geld.

De SP wil deze bezuiniging inboeken via het collectiviseren van de zorgverzekering. Maar los van dat daarvoor ieder politiek draagvlak ontbreekt, zijn aan dit voorstel zoals ik een paar weken geleden betoogde nogal wat kosten en risico’s verbonden:

Het oprichten van een overheidskantoor dat de zorg regelt is een bijzonder ingrijpend en kostbaar project. Het UWV en de belastingdienst bewijzen daarbij dat wanneer de overheid zo een organisatie leidt, het zeker niet altijd even klantvriendelijk wordt. De SP pleit bovendien voor regionale zorgkantoren, die onder de gemeenten vallen. Gezien de grote moeite die de gemeenten nu al hebben met de decentralisatie van de AWBZ en de WMO houd ik mijn hart vast.

Gelukkig kan op een deel van deze winst op een veel simpelere manier geboekt worden.  Lees verder Politiek Kwartier | Snijden in zorgreclame

Politiek Kwartier – Snijden in de staats-TV

COLUMN – Waarin Klokwerk stelt dat bezuinigen op de publieke omroep wellicht simpeler is dan vermoed.

Honderd miljoen extra bezuinigen op de publieke omroep, hoe pak je dat aan?

Martijn van Dam komt met een oud PvdA-plan. Hij is erachter gekomen dat kabelaars 70% winstmarge maken op onze internetabonnementen. Een typisch stukje marktfalen natuurlijk. Maar aangezien deze aanbieders winst maken met zogenaamde ‘gratis’ content, mogen ze van Van Dam ook meebetalen voor die content. En dus meebetalen aan de publieke omroep.

Prima, maar helaas is er geen enkele garantie dat de kabelaars de extra kosten niet doodleuk gaan doorberekenen aan de consument in plaats van vrijwillig af te zien van een deel van de winst. Bovendien, helemaal eerlijk is het niet. Publieke omroepen zijn immers niet de enigen die gratis content bieden.

De VVD op haar beurt vindt daarom dat de bezuinigingen maar met meer reclame moeten worden gefinancierd. We mixen die reclames voortaan lekker door de programma’s heen, en we hebben ‘gratis’ TV. Nu ja, niet echt gratis natuurlijk: u betaalt in dit scenario domweg voor de publieke omroep via de zak chips op uw schoot. Maar dat is tenminste niet via de belastingen of via uw internetabonnement, ziet u. En dus noemt de VVD het gratis.

Maar de reclame-inkomsten – die ongeveer een kwart van het totale budget voor de omroepen opbrengen – vormen deze bezuinigingsronde eerder een extra probleem dan een oplossing. Als er minder geld aan programma’s wordt uitgegeven, kijken er minder mensen. En als er minder mensen kijken, komen er minder reclame-inkomsten binnen.

Om die teruggang te dekken had staatssecretaris Sander Dekker sowieso al bedacht dat de publieke zenders extra reclame moeten gaan uitzenden.

In dit scenario gaat de publieke omroep kortom steeds meer draaien om kijkcijfers en reclame-inkomsten. En dat terwijl er over de kwaliteit van de publieke omroep toch al viel te klagen.

Waarom hebben we eigenlijk een publieke omroep? Om te waarborgen dat programma’s met een lage kijkdichtheid maar een hoge waardering uitgezonden kunnen blijven worden, toch? Om het in socialistentermen uit te drukken: voor verheffing van het volk, opdat niet alleen het grootkapitaal bepaalt wat wij te zien krijgen. Of modern gesteld: om niet geregeerd te worden via de onderbuik.

Hoe je het ook wil zien, als de publieke omroep volledig afhankelijk wordt van de kijkcijfers en marktpartijen, is er geen enkel verschil meer tussen publiek en commercieel. Dit mag misschien de verborgen agenda zijn van de VVD, mij lijkt het beter de reclame-inkomsten te laten dalen naar nul. Als de reclame verdwijnt, verdwijnt ook de perverse prikkel zich te richten op kwantiteit, waar de kwaliteit onder te lijden heeft.

En dan wordt bezuinigingen plotseling vrij gemakkelijk. Alle programma’s met hoge kijkcijfers kunnen zonder probleem als format verkocht worden aan de commerciëlen. Net als alle presentatoren en bestuurders die meer verdienen dan de Balkenendenorm. Plus dure sportwedstrijden hoeven niet meer uit de staatsruif te worden gefinancierd.

Zonder al die reclame en programma’s die helemaal geen subsidie nodig hebben blijft er dan op twee netten veel meer tijd over voor kunst, cultuur en verdieping dan op de huidige drie netten bij elkaar. In de nachtelijke uren zien we dan op de publieke TV in plaats van een giebelende Giel een lekker saaie geschiedenisdocumentaire. Een hele verbetering.

De Kleine Supermarkt

Er was eens een kleine supermarkt, in een middelgrote West-Europese stad. Op een avond vroeg de eigenaar van die kleine supermarkt zich iets af. Hij vroeg zich af waarom het eigenlijk in zijn branche gewoonte was om slechts de meisjes achter de kassa van een naambordje te voorzien, en niet ook de klanten. En zo kwam de eigenaar op het idee om ook de klanten bij binnentreden zo een zelfde naambordje te geven.

Het werd een doorslaand succes. De meisjes achter de kassa, om te beginnen, ze vonden het hilarisch: de klanten kregen met hun naam meteen een gezicht. En ook bij die plotseling van een gezicht voorziene klanten, althans de meesten van hen, viel dit experiment wonderbaarlijk goed. Enkelen vertrokken weliswaar naar aanleiding van de vriendelijke doch dwingende manier waarop de eigenaar de bordjes aanprees, anderen kwamen juist vaker en vaker bij deze gezellige Buurtsupermarkt, waar iedereen elkaar vanaf dat moment kende.

Er ontstond al snel een gezellige gemeente. De eigenaar werd vriendelijk gegroet sinds hij Hans heette, en tussen de schappen winkelden tegenwoordig geen meneren en mevrouwen meer, maar Jeroen, Mehmed en Joke. De meisjes groetten de klanten voortaan bij naam, en maakten veel vaker een praatje, en de zwerver Erwin verkocht beduidend meer zwerverskranten, sinds hij Erwin heette.

So far so good, zult u zeggen. Maar denkt u ook eens aan de concurrent aan de overkant van de straat: een filiaalhouder van een veel Grotere Supermarktketen, die zich tot zover altijd liet voorstaan op Service en Comfort, zogezegd de supermarkt voor de wat hippere of rijkere mensen; dat imago had de Grotere Keten!

Die Grote Keten had dan ook inmiddels altijd een hip biologisch merk, naast de bekendste luxe merken. Die laatste werden wel voor een iets hogere prijs verkocht dan elders, maar goed, om dat te verzachten was dan ook een goedkoop doch sterk eigen merk, dat meestal een gelijke of maar iets hogere prijs had dan bij de concurrent. En daarnaast was er altijd nog dat uitzonderlijk goedkope merk in de schappen, waarvoor men dan wel heel goed moest zoeken om het te ontdekken, maar wat wel de moeite waard was; want de Grote Supermarktketen stond voor

COMFORT

en vooral

SERVICE

– een consumentgericht totaalproduct –

Deze concurrent nu, althans die filiaalhouder van het desbetreffende filiaal van die concurrent, dus, moest verdomd constateren dat zijn publiek zich als een stel randdebielen met naambordjes in de plaatselijke buurtsuper stortte!

Dat, nee, dat kan natuurlijk niet!
Het valt de filiaalhouder (Wim) dan ook zwaar. Hij beseft dat hij zal moeten concurreren. Concurreren met de kennis en de slimheid van de eigenaar van de Kleine Supermarkt… plus de kennis en de slimheid van de consument nietwaar, want die had zijn keuze voorlopig gemaakt!

Die avond brandt het licht in het comptoirtje van de filiaalhouder dan ook nog laat. Het is duidelijk, dat hier staande overuren worden gemaakt.

En de volgende dag klinkt de muziek uit de speakers van het filiaal van de Grotere Supermarktketen zoals dat in een Grote Supermarkt mag klinken… harder, natuurlijk niet irritant… maar… desondanks is het feest! Slim heeft de filiaalhouder gezorgd voor hele leuke plastick kleefgezichtjes in plaats van naambordjes, en de bezoeker krijgt heel af en toe een goedkoop en smaakloos drankje aangereikt, in een plastick bekertje. Dit heeft succes.

So far so good, zult u zeggen. Maar u begrijpt, dit kan de eigenaar van de Kleine Supermarkt niet over zijn kant laten gaan.

De dag daarop staan er op de openbare weg dan ook overal Prettige Reclameborden, die meer opvallen dan de Nuttige Verkeersbewegwijzeringen, zodat u de neiging heeft er vanaf dat moment ook vanzelf achteraan te lopen, al vindt u ze eigenlijk niet zozeer Prettig, maar gewoon Irritant. Deze Prettige Reclameborden zijn er uiteraard om, u raadt het al, het winkelende publiek de Kleine Supermarkt in te leiden, en dit lukt dan ook.

En de dag daarop belt de filiaalhouder van het filiaal van de Grote Supermarkt weer Het Hoofdkantoor van de Grote Supermarktketen, zodat nog diezelfde avond de mensen als ze hun radio aanzetten op de lokale zender plotseling de naam van de Grote Supermarktketen ontelbare keren tussen de oh zo informatieve nieuwsblokken door gescandeerd horen. En we weten inmiddels uit ervaring: ook dit heeft effect. Hoe irritant u het ontelbare keren horen van die naam ook mag horen, sterker nog, hoe irritanter u het vindt, hoe meer effect, naar het schijnt.

Wat u nu had kunnen verwachten is een nogal rechttoe rechtaan en voorspelbaar en dus saai relaas, een relaas van een supermarkteigenaar van een Kleine Supermarkt, die De Strijd aangaat, en dus Nog Grotere en Opvallendere Borden gaat plaatsen, waarop de eigenaar van het filiaal van de Grote Supermarkt zich dan weer verliest in aanverwante zaken als dat hij voor veel geld nevenproducten gaat inkopen om de klant te lijmen, denkt u aan kraskaarten en spaaracties en kleine cadeautjes, waarop die filiaalhouder van de Kleine Supermarkt weer besluit tot het inhuren van een heus fanfareorkest naast de deuropening om de Klant te trekken, ja, waarop de Grote Supermarktfiliaalhouder op zijn beurt dan natuurlijk besluit een heus Circus in te huren, compleet met een Clown en een Grootmoefti en een Grote Sjampetter en een Kleine Sjampetter en trompetgeschetter, en natuurlijk een Grote Olifant, die in een Grote Optocht de Klanten meenemen, om dan natuurlijk op een slinks ogenblik de klantenmenigte, die als gehypnotiseerd achter al dat geschetter aanloopt, af te laten slaan, regelrecht het filiaal van de Grote Supermarktketen in, terwijl door al dat getetter de prijzen van al de producten in zowel die Kleine Supermarkt als de prijzen van al de producten in de Grote Supermarkt, zowel die van de dure merken als die van de eigen merken als die van de moeilijk te vinden doch spotgoedkope merken, en zelfs die van het biologische merk, weliswaar wat stijgen, maar waar de klanten, omdat ze nu eenmaal naar het achterwerk van de Olifant staan te staren het zicht op verloren hebben. Waarna we het grote grijze dier dan vervolgens kunnen gebruiken om het verhaaltje uit te blazen.

Een voorspelbaar en dus saai relaas dus, ware het niet dat de Gemeente, die eeuwige Gemeente, besluit in te grijpen, en wel met behulp van de algemeen plaatselijke verordening, en andere beleidskundige instrumenten, ondersteund door het voltallige politieapparaat, waardoor de leninistisch-marxistische partij nota bene haar kans schoon ziet om in de gemeenteraad succesvol te pleiten voor een Algemeen Verbod Op Alle Reclame-Uitingen, waaronder ook: circusoptochten, reclameborden, kraskaarten, loterijen, fanfareorkesten en naambordjes, hetgeen weliswaar een flinke streep door de werkgelegenheid van makers van reclameborden, naambordjes, clowns, de grote sjampetter en de kleine sjampetter, de grootmoefti en de trompetschetteraars, en al die andere cirusartiesten van het circus zal betekenen, maar wat de producten in de schappen van de kleine supermarkt en die van het filiaal van de grotere supermarktketen, welke namen we vanaf nu maar met Kleine Letters zullen schrijven, nogal in prijs zal doen dalen, en daar valt ook wel wat voor te zeggen nietwaar?

Hoewel aan de andere kant de kleine supermarkt dan wel weer een verdomd saaie plaats is geworden. En het filiaal van de grote supermarktketen evenzeer. En u zult zien dat de belastingen op de producten die verkocht worden, de dure merken, de eigen merken en de moeilijk te vinden doch spotgoedkope merken, navenant omhoog gaan om bijvoorbeeld het maken van de oh zo informatieve nieuwsblokken nog te kunnen betalen. En de uitkeringen voor al die clowns en circusartiesten, plus het voedsel voor die olifant, natuurlijk.

U zult misschien zeggen:

Maar waar blijft in dit amusante planeconomieverhaal toch de Consument? De Consument die is toch ook niet achterlijk? Die vraagt zich af: wat moeten wij doen, met naambordjes, reclameborden, een fanfareorkest, kraskaarten en een Circusoptocht? Donder toch op met je Circusoptocht man! Ik wil gewoon een fatsoenlijke prijs betalen voor mijn appels en mijn peren en mijn vanillevla, en mijn onsje rosbief! Ik zit helemaal niet te wachten op een hoempapamuziekje en een Olifant

Maar daar kunnen we dan weer op antwoorden:

Nee, laat staan dat de Consument, als hij in de supermarkt staat – de grote of de kleine, dat maakt niet uit – en de prijzen vergelijkt, rekening staat te houden met een goed salaris en leuke kerstcadeautjes voor dat leuke meisje achter de kassa, laat staan dat hij, nu we toch bezig zijn, een grondige analyse zou maken van de gevolgen van de logistieke inrichting van De Gehele Productieketen voor Lucht, Aarde, Water, om maar helemaal niet te spreken van de levenskansen van randproducten zoals daar zijn de Koalabeer, Orang Oetan, Gnoe en Eland… en Olifant, die hem weliswaar aan het hart liggen, Koalabeer, Orang Oetan, Gnoe, Eland en Olifant dus, maar toch niet als hij boodschappen doet?

En bovendien heeft u helemaal geen gelijk! U betaalt in het dagelijkse leven al twintig procent van uw boodschappengeld aan Regelrechte Onzin, vlaggetjes en wimpeltjes, die, u als u er bij stil staat, even vaak plezieren als dat u zich eraan ergert… en hoe dan ook snel eindigen in de prullenbak.

Vandaar dat u dus ter compensatie maar al te graag stemt op politici die u verzekeren dat lucht, aarde, water en de levenskansen van Koalabeer, Orang Oetan enzovoort, tenminste bij hen in goede handen is.

En zo is marktwerking eigenlijk niet meer dan een lege term om het hele circus van supermarkten, inclusief de invloed van de overheid daarop, te omschrijven. Want uiteindelijk, beste lezer, is hoe u voor de producten betaalt die u tot u neemt, lood om aan uw bruinomrande reet roestend oud ijzer. U krijgt zowel zin als onzin, en betalen doet u toch.

Zo, kom maar op met die Olifant!