Laten we niet vergeten te benoemen waar we voor gevochten hebben

De jaarlijkse 4 en 5 meidiscussie was heftig dit jaar, en één citaat hierin viel mij in het bijzonder op: “We herdenken de gevallen van alle naties die gevochten hebben voor de vrijheid waar ook ter wereld. Er is geen andere invulling nodig.”

Dit is een standpunt dat volgens mij door de meeste mensen wel gedeeld wordt, en in een oppervlakkige lezing sloot ik mij daar ook bij aan. Maar in tweede instantie niet. Want: gevochten voor onze vrijheid? Vrijheid van wat? Laten we vooral niet vergeten dat te benoemen.

Rechten van de mens
Naar aanleiding van de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog werden de algemene rechten van de mens geschreven, en in 1948 officieel vastgesteld. Deze rechten komen neer op het recht van lichamelijke integriteit, vrijheid van meningsuiting en levensovertuiging, gelijke rechten ongeacht afkomst, geslacht, geaardheid en geloof, het recht te leven in een rechtsstaat, en last but not least: bescherming van vluchtelingen voor regimes die deze rechten niet respecteren.

Dat is een prachtige agenda waar ik voor de volle 100% achter sta. Ruim 70 jaar later zijn deze rechten nog steeds niet in de hele wereld vanzelfsprekend. Soms zou je zelfs bijna denken dat het niet de goede kant op gaat. Ook in ons land worden deze rechten immers regelmatig afgekalfd of pootje gelicht. Daarbij zien we in toenemende mate weer neonazi’s door de straten marcheren, steeds meer mensen geven aan te stemmen op een partij met een ‘sterke leider’ die een lastercampagne voert tegen een bevolkingsgroep en oproept tot stelselmatige discriminatie, terwijl politici van andere partijen durven voor te stellen de vluchtelingenverdragen maar af te schaffen en de EU al wetgeving aanneemt die daar strijdig mee is.

Zorgwekkend is dat zeker. Maar dit zijn naar mijn hoop en overtuiging kleine erupties die ingaan tegen de algehele tendens in de wereld. Het is niet moeilijk in te zien dat over de grote lijn wereldwijd de mensenrechten meer en meer worden nageleefd. In 1948 waren Spanje, Portugal en Griekenland nog lang geen staten waar de mensenrechten enige rol speelden. Ook in Oost Europa bleken de communistische regimes die ontstonden hier geen enkel respect voor te hebben.

Het is nu in al die landen allemaal nog niet perfect, maar toch al veel beter geworden. Ook in Zuid Afrika en veel Zuid-Amerikaanse landen is op die gebieden veel vooruitgang geboekt. Zelfs in China en Rusland, waar de mensenrechten maar zeer selectief worden toegepast, is het nu beter dan vijftig jaar terug. Ondertussen werden in de westerse wereld de gelijke rechten van bijvoorbeeld vrouwen en homoseksuelen de afgelopen decennia steeds meer manifest.

Een fundamentele breuk in de geschiedenis
Dit is vooral opvallend als je je bedenkt dat in 1948 feitelijk een fundamentele breuk in de menselijke geschiedenis heeft plaatsgevonden. Het is namelijk een historische misser de nazi-ideologie als een rare uitbijter van het menselijk denken te beschouwen. Ik heb ooit de beruchte Posen-speech van Himmler bestudeerd. Wat mij vooral opviel, was hoe Himmler in deze toespraak zijn politiek legitimeerde, en vergeleek met de politiek van andere rijken, met name het Engelse koloniale rijk.

Hij stelt in deze toespraak de Engelse koloniale politiek expliciet als voorbeeld voor het Duitse nazisme. Het is belangrijk te beseffen dat de nazi’s hun eigen politiek zagen als een logisch gevolg van het menselijk denken tot dan toe. Want feitelijk hadden ze daarin geen ongelijk. Groepen mensen die elkaar veroordelen op basis van afkomst, geslacht, geaardheid of overtuiging, en die elkaar de vrijheid ontnemen, onderdrukken of zelfs vermoorden, het is het leidmotief in onze menselijke geschiedenis. Gelijke rechten voor iedereen was nooit een breed gedeeld ideaal.

De strijd tegen het oude gedachtegoed
Onze nationale dodenherdenking is nu volgens de officiële lezing een herdenking van alle gevallenen in oorlogen waar Nederland ooit in betrokken was. Maar dat is niet altijd zo geweest. Oorspronkelijk was onze herdenking een parade waarin de gevallenen in het verzet tegen het nationaal-socialisme werden herdacht. De mensen die de wapens opnamen tegen onderdrukking van henzelf, en vooral van anderen.

Een parade waarbij vlaggen en militaire onderscheidingen overigens juist geweerd werden. Al gauw werd toegevoegd dat niet alleen verzetsmensen, maar ook de soldaten die vielen in de strijd tegen dit regime en gedachtegoed zouden worden herdacht. Maar nog steeds bleef vertoon van nationalistische symbolen en standenverschillen bij de herdenking taboe.

En zo had het moeten blijven. Op 4 en 5 mei vieren we wat mij betreft het verzet van onze beschaving tegen het fascistische gedachtegoed: de gedachte dat een staat het recht heeft mensen omwille van hun achtergrond of idealen te discrimineren, te vervolgen, zelfs te vermoorden. Op vier mei herdenken we alle gevallenen die voor ons streden tegen deze gedachte, op vijf mei vieren we onze nieuwe beschaving, van vrijheid, gelijke rechten, en dat we leven in een rechtsstaat.

Een staat die bovendien beschermend optreedt tegen slachtoffers van regimes die tegen deze gedachte ingaan. Zo prenten we ons op deze dagen onze nieuwe waarden weer goed in, terwijl we hopelijk beseffen dat zij niet vanzelfsprekend zijn. Opdat we daar alle andere dagen van het jaar, bij iedere politieke handeling, bewust voor blijven kiezen.

Dit stuk verscheen op 5 mei 2016 op Joop.nl

Politiek Kwartier | Anti-Rusland propaganda

COLUMN – De kritiek van sommige linkse activisten op de houding van het westen ten opzichte van Rusland streeft zijn doel totaal voorbij.

De rechtse Trojka van EC, ECB en IMF breidt haar macht uit, doordat zij landen door middel van leningen en het opleggen van bezuinigingen steeds dieper in de schulden dwingt.

Door de uitbreiding van de EU met de voormalige Oost-Europese staten en het steunen van de recente revolutie in Oekraïne heeft het Westen echter Rusland uitgelokt. Het is volkomen logisch dat Poetin terugslaat. De westerse media worden ondertussen beheerst door een anti-Russische lobby.

Kent u die lezing? Dit is wat ik de laatste maanden regelmatig heb gelezen van zogenaamde linkse kritische geesten op internet.

En ik vraag me af of die mensen wel goed bij hun hoofd zijn. Lees verder Politiek Kwartier | Anti-Rusland propaganda

Moraal zonder religie VI – Moraal uit relativisme

In deze zevendelige serie probeert Klokwerk er vrij filosoferend achter te komen of er iets mogelijk is als een moraal zonder religie. In de vorige delen zagen we hoe de moderne westerse filosofie gehakt heeft gemaakt van het idee van een absolute waarheid, en vervolgens een individuele waarheid. Leuk, maar wat kunnen we nu nog met die postmoderne inzichten?

Even samenvatten. In de vorige stukken zagen we met Nietzsche dat “de waarheid” geen absoluut en vaststaand iets kan zijn. Iedereen heeft immers zijn eigen werkelijkheid en die is gekleurd door zijn ervaring. Het is simpelweg niet te bewijzen of er ook een werkelijkheid is buiten de ervaring, en als deze er zou zijn, dan konden we hem toch niet kennen.

Maar ook kan de waarheid kan niet in de handen van één iemand zijn. Een ervaring is nog geen waarheid. Iemand kan pas aanspraak op de waarheid maken als hij anderen daarvan kan overtuigen. Als hem dit niet lukt kan hij nog steeds overtuigd zijn van zijn eigen gelijk, maar de anderen noemen hem dan gek. We zeggen dan: hij leeft in een andere werkelijkheid, en wijzen naar ons voorhoofd.

Dat die gek over een eeuw als genie mag worden gezien doet niets af aan dit principe. Want hij wordt slechts een genie doordat hij er ten lange leste kennelijk in slaagt anderen te overtuigen.

Wat waar is, is kortom het product van overeenstemming tussen mensen. Vanaf daar is de stap naar moraalfilosofie snel gemaakt.

Relativisme en moralisme door de eeuwen heen

Dat zien we ook als we kijken naar relativisme door alle culturen en tijden heen. Wie namelijk dacht dat het relativisme allemaal maar nieuw en westers en modern is vergist zich. Relativisme zien we in de filosofie in verschillende tijden en bij verschillende volken terugkomen. Zo waren de Romeinen bijvoorbeeld waren zeer relativistisch van denken, zich beroepend op Epicurus en de Stoïcijnen. Ook de sofisten in het Athene van Plato waren relativisten. Verder komt het relativisme in de Indische en Chinese filosofie in verschillende vormen voor.

En juist deze filosofen waren veelal moraalfilosofen bij uitstek.

Epicurus bijvoorbeeld geloofde in niets, maar kwam erop uit dat wil een mens werkelijk gelukkig zijn, hij maar het beste conflicten en onmatigheid kan vermijden, en leidde zelf een leven als van een monnik.

Dan de sofisten. Zij zijn door Plato en zijn volgelingen millennia lang weggezet als volkomen immorele figuren. Ten onrechte. Zij hadden wel degelijk een mening over wat juist is en onjuist. “De mens is de maat van alle dingen” schreef Protagoras, en dat was niet alleen bedoeld als middelvinger naar alles wat naar godheden en hogere filosofie ruikt; het is ook een zeer vroege uiting van humanisme. Ondertussen zien we dat Gorgias het relativisme gebruikt als een rechtvaardiging voor democratie. Immers, als niemand gelijk heeft, dan kunnen we er maar beter samen uitkomen.

Bij de sofisten leren we dat het relativisme juist een fundament kan vormen voor moderne maatschappelijke verworvenheden als democratie, vrijheid en recht op onderwijs. We kunnen dat rijtje aanvullen met zaken als een onafhankelijke rechterlijke macht, gelijke kansen en plichten, onafhankelijke informatievoorziening en het recht om zelf te beslissen over het eigen lichaam.

Moraal en religie

De uitspraak dat zonder God geen moraal mogelijk zou kunnen zijn is één van de meest beledigende die gelovigen kunnen doen. Ze zeggen daarmee eigenlijk dat alle atheïsten fundamenteel immoreel zijn. Deze uitspraak, die af en toe met name in gelovige kringen rond-echoot, was aanleiding voor deze serie.

Want natuurlijk is dat mogelijk.

Ten eerste is er ons instinct waarmee wij een zekere moraliteit overerven. Dit was in reacties op eerdere delen in deze serie natuurlijk al genoemd, en inderdaad: naast al die kwalijke eigenschappen die we met ons meedragen hebben we als mens ook de overgeërfde behoefte om te zorgen. Cynici die dit altruïstische element uit de mens weg willen redeneren door het te herleiden tot egoïstische motieven hebben het daarmee nog nooit van de aarde kunnen verwijderen: het is er.

Ten tweede heb ik hier door middel van deze kleine reis door de westerse filosofie hopelijk kunnen demonstreren dat het wel degelijk mogelijk is om zonder de kunstgreep van een Opperwezen een moraal te funderen.

En een moraal die gefundeerd is op een zeker relativisme is naar mijn mening juist oprechter en krachtiger dan een moraal die afhankelijk is van de grillen van een Opperwezen. Een relativistische moraal wordt immers niet ingegeven uit angst voor straf, het is geen star stelsel van geboden waar de mens maar blind aan moet gehoorzamen en zich wellicht zelfs dient te offeren, en zij is niet ondergeschikt aan de willekeur van een macht die bepaalt wat een kracht van boven ons voorschrijft. Het is bovendien geen dicterende, maar een zoekende moraal.

Onze tijd

Ondertussen leven wij in een tijd waarin de moraal voor westerlingen niet meer beheerst wordt door een kerk. Natuurlijk spelen allerlei kerken en politieke stromingen een rol in het moreel debat, maar er is niet één duidelijke stroming die de hoofdmoot bepaalt, en in onze samenleving hebben kerken ondanks discussies over de zondagssluiting en de weigerambtenaar duidelijk een stapje terug gedaan.

Sommige kerken menen daarom dat we in een immoreel tijdperk leven. Maar dat is grote onzin. We leven juist in een bloeiperiode van de moraal. Sinds een slordige halve eeuw kennen we immers iets totaal nieuws in de geschiedenis van de mensheid: de universele rechten van de mens. Een uniek project.

Critici zullen hier meteen tegenin brengen dat deze rechten niet universeel maar vooral westers zouden zijn, en dat niemand zich er in praktijk aan houdt (inclusief onze politiek als het op bijvoorbeeld asielzoekers aankomt). Dat alles mag dan waar zijn, het neemt nog niet weg dat het een standaard is die breed – en breder dan alleen in het westen – erkend wordt. De mensenrechten mogen dan niet absoluut en perfect zijn, en niet overal worden geaccepteerd laat staan nageleefd, zij zijn een stap op weg naar een gedeelde moraal zoals de mensheid die eerder nog niet heeft kunnen zetten.

En niet voor niets ontstonden deze rechten in een tijdperk van globalisering, in een tijd dat de Godsdienst bij de dominante volken een stapje terug deed.

God voor ongelovigen

De verhouding tussen waarheid en moraal is voor een relativist anders dan voor een absolutist. Voor een relativistisch mens is de moraal geen afgeleide van een abstracte hogere waarheid, maar er juist een voorwaarde voor. Hoe beter wij gaan communiceren, hoe dichter wij komen tot een algemene waarheid, één werkelijkheid, één visie.

Dit bereiken zullen wij nooit. Niet alleen zijn we daarvoor te dom, te kortzichtig en te slecht gedisciplineerd, we verschillen ook van elkaar, en daarom zullen onze gedachten niet letterlijk één kunnen worden. Maar dat neemt niet weg dat de gedeelde waarheid een doel blijft om naar te streven; hoe dichterbij hoe beter.

En misschien is dat wel dat abstracte beeld van de waarheid waar mensen altijd van droomden, de liefde die ze bezongen, de hogere macht waar ze naar reik­ten – kortom, die abstracte absolute waarheid die in vroeger tijden werd bezongen als God.

De volgende week betoogt Klokwerk dat joden, christenen en moslims hun eigen heilige boeken niet begrijpen en sluit hij af met een betoogje over onsterfelijkheid.

Politiek Kwartier – Het misplaatste activisme van Ploumen

COLUMN – Minister Ploumen maakte deze week mooie sier door politiek incorrecte bedrijfsvoering aan de schandpaal te nagelen. Maar het zou mooier zijn als de politiek hier zelf een keer zijn verantwoordelijkheid zou nemen.

Kledingbedrijven die weigeren een contract te tekenen voor brandveiligheid in de productieplaatsen waar hun producten vandaan komen nagelt Lilianne Ploumen met liefde aan de publieke schandpaal. Wie niet horen wil moet maar voelen. Ploumen’s actie werd met blije rondedansjes ontvangen door ‘links Nederland.’

Bij de genoemde bedrijven leverde dit natuurlijk nogal wat gepruttel op. Zij brengen ter verdediging in dat ze niet genoeg tijd zouden hebben gehad om het contract te bestuderen, dat het contract zelf wellicht ook niet zou bijdragen aan de veiligheid, dat zij zelf als kleine spelers geen zicht zouden hebben op die productieplaatsen, en dat het juist aan wetgeving ligt dat onveilig geproduceerde kleding zo goedkoop is. De minister stelt zich volgens hen eerder als actievoerder op dan als bewindspersoon.

Ergens kan ik in die kritiek tot op zekere hoogte wel meegaan.

Ploumen meent dat ze door naming en shaming bedrijven kan dwingen om politiek correct te gaan handelen, omdat anders politiek correcte consumenten niet meer bij die winkels gaan kopen.

Inderdaad zijn er steeds meer mensen die genoeg geld hebben en ervoor over hebben om hun verantwoordelijkheid te nemen voor mensenrechten en het milieu. Biologische en fair trade-producten zijn enorm in opkomst. Helemaal prima.

Maar dat deze mensen daarmee veel duurder uit zijn is en blijft fundamenteel oneerlijk.

En het is ook mooi dat er steeds meer bedrijven zijn die hun verantwoordelijkheid nemen, onder publieke druk of uit eigen overtuiging.

Maar dat zij daarmee gedwongen zijn hun producten duurder op de markt te zetten is markttechnisch gezien puur onwenselijk.

Nog steeds vraagt de grote massa consumenten zich tijdens het winkelen niet af hoe de spullen die ze kopen eigenlijk geproduceerd zijn. En ergens logisch, want als die vraag al gesteld wordt, ligt het antwoord ook meestal niet zo voorhanden.

Ondertussen levert de productie ten koste van mens en milieu grote schade op, die wordt afgewenteld op anderen. Op de slachtoffers van uitbuiting, op de belastingbetaler en op de volgende generaties. Daarnaast betalen landen waarin de productie wél onderworpen is aan strenge regelgeving de prijs met werkgelegenheid. Nederland heeft haar dominante rol in de textielindustrie niet voor niets al lang geleden moeten opgeven.

Met andere woorden: er wordt voor al die goedkope producten fors gedokt, maar niet door de mensen die ervan profiteren. Ruim je eigen rotzooi op: een heel normaal uitgangspunt. Alleen niet in de internationale handel. En hierdoor worden juist de partijen die hun verantwoordelijkheid nemen op achterstand gezet.

Als Ploumen werkelijk ballen had ging ze aan de slag met betere regelgeving, en maakte ze zich sterk voor een zware mensenrechten- en milieutaks op geïmporteerde goederen, waar bedrijven alleen nog onderuit kunnen komen door te bewijzen dat ze wel politiek correct produceren. Deze slimme taksen zouden in plaats moeten komen van de huidige tariefmuren, die geen morele rechtvaardiging kennen en meer kwaad dan goed doen.

Mensen die kiezen voor politiek correcte handel doen dat ondanks de onrechtvaardige regelgeving. Daarom krijgt Ploumen van mij pas applaus als ze in plaats van zich achter activisten te verschuilen haar verantwoordelijkheid als politica eens neemt.

Eurokritisch of Euro-apathisch?

Wat wil de SP nu eigenlijk veranderen aan Europa? Uiteindelijk helaas maar heel weinig.

De SP heeft haar mond vol over dit neoliberale en ondemocratische Europa, en eist “een ander Europa “. Maar veel alternatieven biedt zij niet.

Economie

Stop het neoliberale Europa, zegt de SP: we willen een sociaal Europa! En dat klinkt goed. Het huidige Europa bestaat uit landen die elkaar zure leningen toeschuiven met het vriendelijke doch dringende verzoek “de economie kapot te bezuinigen “. Een mentaliteit die de financiële markten de stuipen op het lijf jaagt overigens.

Als er één partij is die recht van spreken heeft hierin dan is dat de SP, nietwaar? De partij waarschuwde immers in de jaren 90 al tegen een al te vrije markt. De partij pleit in haar verkiezingsprogramma dan ook voor een plan waarbij Noord-Europa de economie gaat stimuleren en de werkloosheid aan gaat pakken. Mooi gezegd, maar het rijmt niet met de veel krachtiger geuite wens voor minder afdrachten naar Brussel. En toen er daadwerkelijk een noodfonds werd voorgesteld stemde de SP dan ook tegen. Tot zover de solidariteit en het maken van een vuist tegen de macht van financiële markten. Want een noodfonds heet tegenwoordig aantasting van onze “soevereiniteit “.

Democratie

Soevereiniteit. Plotseling blijkt zo een onmogelijk woord dan populair te worden. De EU: alles prima, maar kom niet aan onze soevereiniteit! Ook de SP vindt dat.

Maar helaas, dat behoud van soevereiniteit betekent in praktijk één ding: namelijk dat de regeringsleiders het in de EU voor het zeggen blijven hebben. En dat betekent een zwak Europa, dat vanuit de achterkamertjes geregeerd wordt door een stroperig circus waarin Duitsland en Frankrijk in praktijk uiteindelijk de dienst uit blijven maken.

Goed, de SP stelt voor dat die regeringsleiders gecontroleerd gaan worden door de nationale parlementen. Maar dat is nu juist in iedere lidstaat al lang het geval. Waar het mis gaat, is dat de nationale parlementen wel invloed hebben op de inzet tijdens onderhandelingen, maar niet op het resultaat. Dan kan je er wel een nationaal referendum tegenaan gooien zoals de SP wil, meer zeggenschap over de koers van Europa gaat dat de Nederlandse burger echt niet geven.

Daarnaast wil de SP “de lobbyisten naar huis sturen “. Hoe dan? Door het ze lief te vragen zeker? De democratiseringsvoorstellen van de SP klinken kortom stoer, maar als het puntje bij paaltje komt wil de partij aan de zeggenschapsstructuur van de EU uiteindelijk niets veranderen.

Een sociaal Europa

Verder wil de SP een sociaal Europa. Maar hoe ziet dat er dan uit? Door de invoering van een Europees minimumloon, en de bepaling dat lokale CAO’s leidend behoren te zijn. OK. Maar hoe rijmt dat zich dan weer met de eis van minder bemoeienis uit Brussel? De EU mag zich van de SP toch helemaal niet bemoeien met sociale zekerheid?

En ook niet met onderwijs, gezondheidszorg, volkshuisvesting, en openbaar vervoer. Alsof de lokale overheden het op die gebieden altijd zo goed doen! Juist op die terreinen zou Europa toch een stuk socialer mogen, toch? Je zou zeggen dat een socialer Europa een Europa mag zijn dat op zijn minst van zijn lidstaten een normaal sociaal vangnet eist.

De grote veranderingen die de SP voorstelt inzake de EU bestaan echter met name uit het verlagen van de afdracht aan de Europese Unie en daarmee het beperken van Europese subsidies. Kortom, de SP wil helemaal geen sociaal Europa. De SP wil alleen maar minder Europa.

Is dat erg? Ja. Want wat we collectief vergeten lijken te zijn, is dat Europa een paar decennia geleden nog bestond uit communistische dictaturen in het oosten en fascistische dictaturen in het zuiden. We zijn vergeten dat de eisen die de EU stelt aan mensenrechten, aan democratie en aan de rechtsstaat essentieel zijn geweest voor het verspreiden van die waarden op ons continent, en dat nog steeds zijn.

Europa wordt verkocht als “een garantie tegen oorlog “. Maar de EU gaat gelukkig wel een paar stappen verder dan alleen maar het garanderen van de vrede. Of je nu homo bent in Litouwen, Roma in Frankrijk, of asielzoeker in Nederland: je hoop op gelijke behandeling en gerechtigheid ligt in Brussel. Zo een SP-er die in eigen land met een demonstratiebordje voor zijn kop staat is lief, maar daar heb je in praktijk toch niet veel aan.

Het is daarom zo ergerlijk dat een partij die zich socialistisch noemt bij de standpunten op haar site vergeet om ook maar iets te zeggen over de EU en sociale rechten. Alsof het ze niets kan schelen. Zeker, in het concept-verkiezingsprogramma wordt wel braaf in één punt gerefereerd naar de mensenrechten, maar dit punt steekt in het geheel akelig schraal af tegen het krachtige pleidooi voor minder bemoeienis van Brussel.

De SP vergeet dat sociale rechten niet vanzelf lokaal zijn ontstaan, maar vanuit parlementen afgedwongen zijn door socialistische, sociaal democratische en sociaal liberale partijen. Ze begrijpt niet dat een werkelijk sociaal en evenwichtig Europa alleen maar kan ontstaan door gelijkheid in sociale wetgeving, en niet ontstaat door mensen te verbieden over de grens te komen werken.

Euro-apathisch

Het nieuwe partijkantoor van de SP heeft de naam “de moed ” gekregen. Moed is echter iets anders dan het nabouwen van het publiek in zijn euro-scepticisme. Het zou een socialistische of sociale partij als de SP passen de moed te hebben om te pleiten voor een écht sociaal Europa. Te pleiten voor een Europa dat zijn handen ineen slaat. Een democratisch Europa dat zich juist wel bemoeit met onderwijs, gezondheidszorg, volkshuisvesting, sociale zekerheid en openbaar vervoer. Maar dan op een sociale manier. Een Europa dat een goede basis voor de sociale zekerheid legt en daarmee stabiliteit brengt en de financiële markten in hun hok duwt.

Helaas, eurokritisch blijkt in de praktijk nogal euro-apathisch te zijn. De EU blijft ook als het aan de SP ligt rustig op dezelfde voet doormodderen in zijn eigen (on)democratische en economische crisis. Terwijl Brussel verder gaat in zijn achterkamertjes onder leiding van Duitsland en Frankrijk gaat de geldkraan dicht, en gaat ieder land verder met zijn eigen versie van de afbraak van de sociale zekerheid, voor zover die al bestond.

En dat terwijl we land voor land door de financiële markten tegen elkaar kapot gespeculeerd worden. Machteloos, omdat de socialisten zijn vergeten wat de macht van solidariteit is.