Epicurus’ Brief over het Geluk

Epicurus staat bekend als de hedonist die stelde dat het doel van de mens was zijn eigen genot te volgen. Hij werd als goeroe aanbeden en filosofeerde met zijn vrienden in zijn beroemde achtertuin, waar ook vrouwen en slaven welkom waren, en dat spreekt in het licht van een genotsfilosofie natuurlijk tot de verbeelding.

Toch pleitte hij voor een uiterst gematigd leven. Immers, overdaad schaadt, onverzadigbaar verlangen heeft niets met geluk van doen, en soms moeten we minder leuke dingen doen om leuke dingen te bereiken. Geluk was voor hem uiteindelijk het zich vrijwaren van angst en pijn en daarvoor is evenwichtig en deugdzaam leven nu eenmaal noodzakelijk.

De filosofie van Epicurus is daarom naar mijn idee voor onze tijd aantrekkelijk. Genot is volgens hem uiteindelijk de enige natuurlijke maatstaf die we hebben. De goden voor zover ze al bestaan bemoeien zich niet met ons en alles is gewoon strikt toevallig, maar bang voor het lot hoeven we niet te zijn door de eigen evenwichtigheid die Epicurus ons leert. Angst voor de dood is volgens hem onzinnig, want die kunnen we zelf toch niet ervaren, en prettig leven is uiteindelijk oneindig veel belangrijker dan lang leven.

De veelgehoorde kritiek dat Epicurus’ filosofie immoreel zou zijn, is onterecht. Sterker nog, waar Plato zijn moraal baseert op een hogere waarheid, Aristoteles op een bestemming van de mens, en de stoĆÆaut;cijnen op de logos/natuur, is de moraal van Epicurus uiteindelijk naar mijn mening veel steviger, want immers gebaseerd op genot, en daardoor veel minder kwetsbaar voor de verleidingen daarvan, en dus voor hypocrisie. Bovendien zijn concepten als een hogere waarheid, een menselijke bestemming of een logos naar mijn idee hoogst betwijfelbaar, en daarbij (of daardoor) meestal ronduit vaag en geven ze aanleiding tot oneindig veel meningsverschil en misverstand. Filosofie is natuurlijk al vaag genoeg, en dit soort gezwam over “de natuur” geeft ook in de Stoa (de filosofie van de stoĆÆaut;cijnen) naar mijn idee al genoeg aanleiding tot dwalingen, en onderdrukking van genot, en dus van zichzelf en anderen, om over de filosofie van Plato maar te zwijgen. Niet toevallig worden de Stoa en het Platonisme gezien als de morele voorlopers van het christendom – en hypocrieter en mensonderdrukkender is volgens mij de moraal zelden geweest als in de monotheĆÆaut;stische godsdiensten.

Epicurus pleit niet alleen voor matigheid, maar komt ook met een omschrijving van rechtvaardigheid die vooral begrijpelijk en praktisch is: “Natuurlijk recht is een afspraak die gericht is op nut, en die als oogmerk heeft dat men elkaar niet benadeelt en niet door elkaar benadeeld wordt.” Kijk, daar kan ik wat mee.

Toch zitten er grenzen aan deze utilistische moraal. Zo vindt Epicurus dat er met betrekking tot al die levende wezens “die niet bereid of in staat zijn geweest verdragen te sluiten” geen recht of onrecht is. Bij Epicurus blijft de mens redelijk alleen, en hij raadt dan ook aan een teruggetrokken en onmaatschappelijk leven te leiden.

Kom ik op een kritiek van Cicero die mijns inziens wel weer terecht is. Hij merkt op dat hij voor Epicurus’ volgelingen maar hoopt dat ze niet teveel mensen ervan overtuigen om zich terug te trekken, want als er niet meer aan politiek gedaan wordt en iedereen zich alleen maar om zijn vrienden bekommert, zal het met de voorspoed en vooral de vrede in “hun tuintjes” snel gedaan zal zijn.

En daar wil ik aan toevoegen dat als Epicurus in onze tijd zou kunnen kijken, hij wellicht zou moeten toegeven dat wie aan de natuur geen recht toekent uiteindelijk zal moeten concluderen dat er naar verloop van tijd nog maar verdomd weinig in zijn tuintje wil groeien.

Wat dat betreft is de verdediging van Epicurus voor de vriendschap, die hij heel hoog had zitten, dan wel hoopgevend. Waar hij toe moet geven dat vrienden lang niet altijd meer genot leveren dan pijn, omdat ze je niet alleen kunnen verraden, maar je ook de pijn en het ongeluk van je vrienden hebt te verdragen, beseft hij ook weer dat zonder vertrouwen en een onvoorwaardelijkheid echte vriendschap niet mogelijk is. Deze contradictie laat zich slecht rijmen met zijn filosofie van nut en genot. En dus komt hij met een kunstgreep die eigenlijk niet in zijn filosofie van persoonlijk genot past. Hij zegt dat de persoon als het ware in zijn vriend een alter ego ziet en zodoende de lust een gezamenlijke lust is.

Hoe dan ook beperkt dit buiten-zichzelf-treden zich bij Epicurus tot een kleine kring vrienden. Als je die kring wilt oprekken, wat ik zou willen doen, kom je via Epicurus als vanzelf weer dichter bij de Stoa terecht, die van het leven in harmonie met de natuur hun hoogste credo hadden gemaakt.

Nu, tussen deze twee filosofische polen heeft het gros van de romeinse filosofie zich dan ook afgespeeld. Vandaar ook die kritieken natuurlijk van Cicero en Seneca, die niet alleen filosofen waren, maar misschien zelfs in eerste instantie vooral staatsmensen.

De waarheid ligt natuurlijk weer ergens in het midden.

Hoe dan ook, het boekje blijft een aanrader.

 

Het boekje “Brief over het geluk”, van Epicurus bevat een heldere inleiding van 50 pagina’s. Daarna een brief van tien pagina’s, en verder nog in 2x 10 pagina’s het totaal van de leerstellingen die van Epicurus bewaard zijn gebleven (mooie uitspraken die iedere scheurkalender zouden sieren). Epicurus compleet Ć©n in notendop.