Samenvatting van de filosofie van het Hellenisme

In deze serie hebben we de belangrijkste typisch Hellenistische filosofische scholen behandeld: de Cynici, het radicaal Hedonisme, het meer gematigde Epicurisme, de vroege Stoa en de Sceptici. Om het af te sluiten hierbij een samenvatting, waarmee we de hele filosofische discussie van het vroeg-Helleense tijdperk kunnen overzien. Daarbij zullen we ook de filosofieën van Plato en Aristoteles in het overzicht meenemen, want de door hen gestichte scholen zijn ook in de Hellenistische tijd van groot belang. Maar eerst wat meer over de Helleense beschaving.

De Helleense samenleving

In de periode voor het Hellenisme was de Griekse polis een belangrijke entiteit waaraan de Grieken hun identiteit ontleenden. De filosofieën van filosofen uit die tijd, zoals als Plato en Aristoteles, spiegelen zich aan deze polis: de stadstaat en zijn politiek staat in de filosofie centraal. In de Hellenistisch tijd werd de stadstaat echter overvleugeld door de nieuwe Hellenistische rijken, die weliswaar geregeerd werden door Griekse elites, maar veel grootschaliger waren. Daarbij verloren de stadstaten waar ooit de directe democratie gevestigd was ook deze eigen politieke vorm. De hoofdsteden van de Hellenistische rijken groeiden daarbij tot veel groter dan de Polis ooit geweest was, en daardoor vormden zij geen eenheden meer waar mensen hun identiteit aan ontleenden.

Met het wegvallen van de kleine gemeenschap als culturele kern werden de mensen meer naar binnen en naar zichzelf gekeerd. De cultuur ten tijde van de stadstaten werd in die tijd met een opvallende nostalgie verheerlijkt, maar ondertussen was er wel een nieuwe culturele bloei. In de kunst verschoof het accent van de mythologie naar de mensen, wat in de literatuur leidde tot de uitvinding van avonturenroman en de eerste kunstuitingen waarin de echte romantische liefde tussen man en vrouw bezongen wordt. Het gezin werd een belangrijker element in het maatschappelijk leven dan deze ooit geweest was. De beeldhouwkunst van de Helleense tijd kenmerkt zich door een grote liefde voor realisme en detail, en ook de architectuur nam een nog hogere vlucht dan deze in de Atheense tijd al had genomen. Tenslotte ontwikkelden in de Helleense periode wetenschappen als wiskunde, astronomie, natuurwetenschappen, geologie en geneeskunde zich sterk, en boekte de technologie een grote vooruitgang.

Dit was de wereld waarin de filosofen rondliepen die we tot nu toe bekeken hebben, en het is dan ook vooral een teken des tijds dat zij meer dan hun voorgangers bezig waren met de zoektocht naar het persoonlijk geluk, en zich minder bezig hielden met politiek en metafysica.

Verschillende vormen van geluk

EpicurusIn de tijd van het Hellenisme liepen er zoals we zagen veel filosofen rond die Cynici genoemd werden. Dit waren rondtrekkende filosofische kluizenaars die vooral provoceerden, met als doel de maatschappij en beschaving ter discussie te stellen, die volgens hen de mens afleidden van zijn natuurlijke staat van zijn. Zij lieten zich losjes inspireren door filosofische rebellen uit het verleden: zoals Heraclitus, die het leven als kluizenaar en ‘volgens de natuur’ promootte, Socrates, de eeuwige criticaster, en de Cynische filosofen Diogenes, de kruikbewoner, en Crates, de linzeneter. Het geluk ligt volgens de Cynici in het terugkeren naar het simpele animale bestaan.

De hedonistische filosofen komen zoals we zagen grofweg in twee soorten. De Cyreense school van Aristippos was de meest radicale hedonistische school. Voor de Cyreense school staat ‘plezier’ hoger dan ‘geluk’: het laatste is slechts een afgeleide van het eerste. Aristippos rechtvaardigde dit idee met een zeer sceptische houding tegenover kennis. Hij vertrouwt liever op het gevoel.

Een meer gematigd hedonist was Epicurus. De wereld is volgens hem een product van toevallige botsingen van atomen, en dat is volgens de Epicuristen een goede reden om niet verder te zoeken naar een zin van het leven. Ook Epicuristen vertrouwen op het gevoel. De rede leert ons echter gevoelens tegen elkaar af te wegen en berekenend op te treden. Om gelukkig te zijn is het volgens hen maar beter als we niet teveel ambities koesteren, en een gematigd en teruggetrokken bestaan leiden.

En dan de Stoïcijnen. Zij verschillen fundamenteel met Epicurus in hun overtuiging dat er juist géén toeval bestaat. Alles wat gebeurt, gebeurt volgens hen uit noodzaak. Alles hangt samen met alles. Zij stellen dat de natuurwetten redelijk zijn, en daarmee fundamenteel begrijpelijk. Volgens de vroege Stoïcijnen is de zoektocht naar kennis de weg naar het geluk. Zij trekken zich niet terug zoals Epicurus: zij willen de hele wereld begrijpen en haar zo leren te accepteren zoals zij is. Om de wereld te kennen zoeken zij hun heil bij de logica en de wetenschap.

De Sceptici tenslotte stellen dat ieder oordeel tot teleurstelling leidt, en dat oordelen afleidt van de werkelijke zoektocht naar het geluk.

De Helleense stromingen die we zojuist bespraken lieten zich inspireren door andere voorgangers dan Plato en Aristoteles, die zich vooral lieten inspireren door filosofen als Parmenides en Pythagoras, filosofen die zochten naar een onveranderlijke waarheid achter de verschijnselen. De Cynici, de Hedonisten, de Stoïcijnen en de Sceptici zijn filosofen die uitgaan van een veranderlijke wereld. In deze filosofieën wordt met name Heraclites veel aangehaald. Socrates wordt vaak als voorbeeld gezien, maar voor de Helleense filosofen vervult Socrates vooral zijn functie als grote twijfelaar. Zij zien hem niet in de rol van moralist die op zoek is naar Het Goede, de rol die hij in de filosofie van Plato speelt. Ondertussen bleven in de Hellenistische tijd ook de Platoonse Academie en het Lyceum van Aristoteles zeer invloedrijk.

Maar ook al gingen de filosofen van die scholen uit van het geloof in een achterliggende hogere vaste waarheid, het waren zelf geen statische
bewegingen.

De Platoonse Academie

Plato-1Vooral de Platoonse school heeft zeer sterke ontwikkelingen doorgemaakt. Plato stelde dat een mens het geluk kon bereiken door zich te wenden tot de wereld van de abstracte vormen, met behulp van rationele kennis. Wat alle Platonisten bindt is dat ze geloven in het absolute goede, dat door de ratio te kennen, of in ieder geval te benaderen valt. Wie de kennis van het goede heeft, is gelukkig.

Maar de Platoonse school bewoog zich in de tijd van het Hellenisme meer en meer in de richting van het scepticisme. We hadden al een voorbeeld van gezien met Carneades, in de vorige aflevering, die de geschriften van Plato opvatte als een oefening in dialectiek en pragmatische kennisverwerving.

In de tijd van de Romeinse keizers, vijfhonderd jaar later, ging het Platonisme weer de compleet tegenovergestelde richting op, en verwerd het tot een aparte filosofie: het Neoplatonisme. Hierin werd Plato zijn filosofie gemixt met inzichten uit de Stoa en de leer van Aristoteles, maar ook met invloeden uit mystieke stromingen, waaronder maar zeker niet alleen christelijke mystieke stromingen. Kennis van het hogere wordt in het Neoplatonisme verkregen door de religieuze ervaring, die volgt op een combinatie van rationele studie en meditatie. Overigens meenden de Neoplatonisten dat zij de juiste interpretatie van de filosofie van Plato gevonden hadden en noemden zij zich gewoon Platonisten.

In de Hellenistische tijd echter nam het Platonisme meer en meer een kritische rol in: zij bekritiseerden de Stoïcijnen met hun stelling dat de mens niet zou kunnen dwalen, en ontwikkelde zich zo richting scepticisme.

De peripatetische school

Aristoteles-1Ook de Aristoteliaanse school, ook wel de Peripatetische school genoemd, naar de Peripatos, de overdekte wandelgalerij waarin Aristoteles gewoon was wandelend les te geven, kende een ontwikkeling.

Aristoteles zelf stelde dat het geluk uiteindelijk lag in zelfverwerkelijking. Het doel van de mens was te groeien in de hogere mens-vorm. Volgens Aristoteles is iedere verschijning een streven naar een bepaald doel. Aristoteles’ leerling Theophrastus stelde echter vragen bij de neiging van Aristoteles om alles te beschouwen als doelgericht. De hele teleologische visie van het denken van Aristoteles, zoals het denken in dat alles naar een einddoel streeft genoemd wordt, raakt in zijn school naar verloop van tijd achterop.

De volgelingen van Aristoteles vonden in de leer van hun leermeester echter ook een duidelijk meer pragmatisch beeld van hoe een mens gelukkig dient te worden: in het zoeken naar het juiste evenwicht tussen tegengestelde emoties dat Aristoteles bepleitte. Zo zoekt de Peripatetische school in de Helleense tijd naar het wijze midden tussen bijvoorbeeld overmoed en lafheid, tussen dolheid en zwartgalligheid. Extreme emoties zijn verkeerd, in het midden ligt de wijsheid.

Naast dat de Aristotelische school zich in de Hellenistsiche tijd meer richtte op de deugdenleer dan op het concept van zelfverwerkelijking, hield zij zich vooral bezig met het beoefenen van de logica en de beschrijvende wetenschap.

Het Helleense filosofische debat

Zeno-1De Helleense filosofie is te begrijpen als een continu debat tussen al de genoemde stromingen. De meeste filosofen verklaarden zich tot volgeling van één stroming, en stelden zich behoorlijk onverzoenlijk tegenover andere stromingen op. Door de vertegenwoordigers van de verschillende scholen werden vervolgens heftige polemieken en debatten gevoerd. Deze debatten dienden om de theoretische verschillen tussen de scholen uit te diepen. Absurde stellingen als “kan een mens gelukkig zijn op de pijnbank” werden daarbij serieus behandeld. De Stoïcijnen en de Platonisten vonden van wel, de Epicuristen waren tegen, terwijl de Sceptici alle beweringen van al die anderen belachelijk maakten. Ondertussen hadden de volgelingen van Aristoteles en de Stoïcijnen vette meningsverschillen over wat logica was.

Je zal misschien vinden dat al deze stromingen toch ook veel overeenkomsten hebben. Maat houden, soberheid, evenwicht zoeken: dit zijn zaken die bij de meeste van deze filosofen sterk terugkomen. Op zich niet zo gek, want dit zijn waarden die in de Griekse cultuur sowieso als deugd beschouwd werden. En daarbij is het opvallend dat ook de zoektocht naar het geluk voor al deze filosofen de centrale vraag is. Ze mogen in hun meningen over hoe dat geluk te bereiken valt vaak sterk verschillen, hun onderwerp blijft hetzelfde. Ondanks de felle debatten zit er in de filosofie van het Hellenisme dan ook een sterke gemeenschappelijke lijn.

Het mag mensen daarom verwonderen dat die filosofische scholen zo onverzoenlijk tegenover elkaar stonden, en niet eerder zochten naar de grootste gemene deler en elkaar opvatten als aanvullingen. Voor wie zich daar zelfs aan ergert, is er goed nieuws. Terwijl de Epicursten met hun vrienden zaten te filosoferen in hun tuinen, de Stoïcijnen en de Sceptici erop los debatteerden met de volgelingen van Plato en Aristoteles, en hier en daar nog een irritante Cynicus opdook om iedereen belachelijk te maken, werden de Helleense rijken in toenemende mate bedreigd door een opkomende macht in het westen: die van de Romeinen. De Romeinen hadden een meer praktische benadering van de filosofie dan de Grieken. Zij zagen minder nut in theoretische debat dan in praktische toepassing van filosofie. Zij hadden dan ook minder moeite met het combineren van de inzichten van de verschillende scholen. Daaruit kwamen dan weer de latere filosofische scholen voort, zoals het Platonisch Scepticisme dat we de vorige aflevering al zagen, de Midden-Stoa die we de aflevering daarvoor al aangestipt hadden, de nog niet genoemde Eclectici, later de late Stoïcijnen, en tenslotte, nog veel later, het Neoplatonisme. Deze stromingen zijn alle te begrijpen als mengvormen van eerdere Helleense scholen. Het enige echt nieuwe element in deze filosofieën is een stukje mystiek, dat mettertijd over kwam waaien met verschillende religieuze stromingen uit het Oosten, wat pas naar voren komt in de late Stoa, en tot wasdom komt in het Neoplatonisme.

We kunnen dus rustig stellen dat in de Hellenistische tijd de grond werd gevormd voor de latere filosofie. Daarom is deze filosofie ook zo een belangrijk voor de filosofische geschiedenis, en daarom is het jammer dat in veel overzichten van de filosofie de cynici, de hedonisten, de stoïcijnen en vooral de sceptici meestal maar als voetnoot behandeld worden. Zeker omdat deze filosofen, die vaak een fundamentele scepsis combineerden met een mechanische vorm van denken die ook in onze tijd in zwang zijn, ook interessant zijn voor onze tijd. De vroeg-Hellenistische filosofie vormt een filosofische cultuur waarin fundamentele inzichten over de mens, maatschappij en de natuur tegenover elkaar worden geplaatst, en direct gerelateerd worden aan de vraag wat het best is voor ons welzijn. Daarom zijn deze filosofen de moeite van het bestuderen waard.

Gematigd Hedonisme

Een serie over de belangrijkste filosofische stromingen van het vroege Hellenisme – de tijd na Alexander de Grote en voor de opkomst van de Romeinen – waarin verschillende rijken bestuurd door Griekse elites het hele Midden-Oosten, Griekenland en Zuid-Italië beheersden. We bekijken daarbij hoe de filosofen zich tot elkaar verhielden. In deze aflevering: de Epicuristen.

Epicurus’ tuin van het genot

Epicurus heeft in zijn leven flink wat gereisd. Waarschijnlijk werd hij geboren op Samos, in die tijd een Atheense nederzetting. Zijn diensttijd bracht hij in Athene door en daarna was hij een tijdlang op Lesbos te vinden, alwaar hij zijn Hedonistische leer begon te prediken. Een eeuw nadat Aristippos het filosofisch hedonisme had uitgevonden, omstreeks 305 voor onze jaartelling, kocht hij vervolgens een huis met een grote ommuurde achtertuin in Athene. In die beroemde tuin, de tuin van Epicurus, onderwees hij zijn versie van het Hedonisme.

Epicurus’ tuin stond voor al zijn vrienden open en ook slaven en vrouwen waren welkom. Dat was in die tijd nog een heel schandaal. Maar wie hoopt dat in die tuin woeste hedonistische orgieën plaatsvonden wordt teleurgesteld. Het naar de denker vernoemde Epicurisme is namelijk een zeer ingetogen vorm van hedonisme. Een hedonisme dat om te beginnen gepaard gaat met een heleboel waarschuwingen. Zoeken naar genot op korte termijn, dat leidt volgens Epicurus niet tot bevrediging. Integendeel. Wie teveel eet, wordt ongezond. Te veel drinken leidt tot een kater. Seks leidt tot ziekte en nieuw leven, en dat laatste maakt het ons er ook niet altijd veel gemakkelijker op, en als activiteit is seks op termijn onbevredigend. Kortzichtig genotzucht leidt maar tot verslaving. En daarbij moeten we soms nu eenmaal minder leuke dingen doen om leuke dingen te bereiken.

Net als andere hedonisten stelt Epicurus weliswaar het genot centraal, maar hij loopt er niet als een kip zonder kop achteraan en denkt ook aan de toekomst. Epicurus weegt kortom het genot op kortere en langere termijn tegen elkaar af. Dit noemde hij de hedonistische calculus. En al rekenend komt hij tot de conclusie dat het ware genot een gematigd genot moet zijn. Echt genot is volgens hem tevredenheid, en dat valt het makkelijkst te bereiken door niet veel te willen, en zich te vrijwaren van angst en pijn. Luxe is daarbij onnodig, sterker nog, dat is ons alleen maar tot last. Het streven naar luxe en het vervolgens willen behouden daarvan kan alleen maar leiden tot ongeluk en angst.

Epicurist streeft als genotzoekend mens uiteindelijk naar gemoedsrust, of Ataraxia zoals de Grieken dat noemden, omdat hij vindt dat hem dat het meeste en de meest duurzame vorm van plezier schenkt. Hij pleitte voor een uiterst gematigd leven. Wie genoeg te eten heeft, die moet zijn psychische evenwicht kunnen bewaren. Als een waar voorbeeld van zijn leer leefde hij voornamelijk op water en brood. Een stuk kaas was voor hem al een feestmaal. Genieten van de kleine dingen, dat is waar het de Epicurist om gaat. Daar ligt volgens hem het ware geluk.

Angsten zijn onnodig

Epicurus

Zoals we de vorige aflevering zagen kwam het radicale Hedonisme van Aristippos voort uit een extreem relativisme. Aristippos wantrouwde alles, behalve zijn directe emoties. Ook Epicurus gaat in zijn filosofie het liefst uit van wat volgens de hedonisten een direct gegeven is: genot en pijn. Hij wantrouwt andere uitgangspunten. Voor Aristippos is het daar klaar, maar Epicurus denkt verder. Hij vertrouwt meer dan Aristippos en zijn volgelingen op zijn waarneming en verstand, en meent dat hij door logica en fysica bepaalde zekerheden kan krijgen. Zekerheden die niet onverdienstelijk zijn, omdat ze ons kunnen helpen een aantal fundamentele angsten weg te nemen.
Epicurus adopteert het atoommodel van Democritus, een presocratische natuurfilosoof, die dit idee van zijn leraar Leucippus erfde. Volgens Democritus’ visie is alles in de wereld fysisch. Dus niet alleen lichamen, ook de ziel bestaat uit atomen, die doelloos door de ruimte vliegen en toevallig op elkaar botsen, en af en toe tijdelijk samenklonteren. Zo ontstaat volgens hem de wereld.

En dit was het volgens Epicurus dan ook. Er zijn in dit wereldbeeld geen abstracte blauwdrukken zoals bij Plato, er is geen hoger doel zoals bij Aristoteles, en er is ook geen onveranderlijk ‘zijn’, waar Parmenides in geloofde. Zelfs zijn er geen hogere natuurwetten waar alles naar luistert, zoals Heraclitus aannam. Het leven is volgens Epicurus puur fysisch en doelloos. En deze doelloosheid en betekenisloosheid ziet hij als een bevrijding.

Angst voor de goden is volgens Epicurus zinloos. Als er al goden bestaan bemoeien ze zich toch niet met ons, want goden zijn volmaakt, en iets dat volmaakt is gaat zich uiteraard niet met onvolmaakte zaken bemoeien. Ook hoeven we niet bang te zijn voor de dood. Er is namelijk geen leven na de dood, en de dood kunnen we zelf dan ook niet ervaren. Een prettig leven is daarom ook veel belangrijker dan een lang leven. En bang voor het lot hoeven we ook al niet te zijn. Niets is immers voorbeschikt. Wie zich zorgen maakt, moet zich verheugen over mooie vooruitzichten, wie pijn heeft moet zich laven aan mooie herinneringen. Het schijnt dat Epicurus met deze wijsheden zelf op zijn oude dag een langdurige en zeer pijnlijke ziekte – hij leed aan nierstenen – zonder al teveel moeite wist te verdragen.

Apolitiek

Voor Epicurus was ieder mens in potentie aan iedereen gelijk. Maar hij was alles behalve een politiek activist. Hij raadde mensen aan een teruggetrokken en onmaatschappelijk leven te leiden, en zich vooral niet teveel te bemoeien met de maatschappij, want wie ongelukkig wil zijn moet vooral een carrière nastreven: het leidt uiteindelijk alleen maar tot botsingen en complicaties. Nooit leidt het tot verzadiging.

Toch ging het lot van de mensen Epicurus kennelijk wel aan het hart, want hij heeft erg veel over zijn filosofie geschreven. Helaas zijn er slechts enkele brieven en fragmenten van hem overgebleven, maar genoeg om een goed beeld van hem te hebben. Hij schreef in heldere en simpele taal. Van poëzie moest Epicurus namelijk niet teveel hebben. Alleen maar moeilijkdoenerij. Als je iets te melden hebt, dan doe je dat maar beter zo exact mogelijk.

Het meest maatschappelijke waar Epicurus mee kwam was wellicht zijn omschrijving van wat volgens hem recht is. Natuurlijk recht, dat is volgens hem een afspraak die gericht is op wederkerig nut. De kern van die afspraak is dat men elkaar niet benadeelt. Dit recht is beperkt tot rationele en redelijke wezens. Voor levende wezens die niet bereid of in staat zijn verdragen te sluiten bestaat er volgens Epicurus geen recht. Misdaad is volgens Epicurus voor iemand die rationeel denkt nooit een aantrekkelijke optie. Wie leeft van de misdaad moet constant op zijn hoede zijn, en dat is allemaal maar ongemakkelijk.

De teruggetrokken vriend

Met zijn pleidooi voor een teruggetrokken leven zouden we kunnen denken dat Epicurus een soort kluizenaar was. Maar Epicurus pleit niet voor een leven in eenzaamheid. Hij noemt vriendschap één van de belangrijkste dingen in het leven. En hij bezingt daarbij de onvoorwaardelijke vriendschap. Maar… hoe is onvoorwaardelijke vriendschap consistent met zijn hedonistische calculus? Vrienden leveren toch lang niet altijd meer genot dan pijn? Om te beginnen kunnen vrienden je verraden, maar ook kan je vrienden een ongeluk overkomen, en dan heb je hun pijn er maar bij te verdragen.

Vriendschap alleen bij voorspoed dus? Epicurus ziet ook wel in dat dit geen echte vriendschap is. Om de vriendschap te redden tegen deze kritiek komt hij met een kunstgreep. Epicurus zegt dat mensen geen geïsoleerde individuen zijn, maar verbonden met elkaar. Wie een vriend heeft, ziet in zijn vriend zijn alter ego, en zodoende is de lust een gezamenlijke lust, en pijn een gezamenlijke pijn. De kern blijft nog steeds het zoeken van lust en vermijden van pijn. Alleen doe je dit met vrienden samen. Zo stijgt Epicurus’ hedonisme boven het ego uit.

De Hedonistische nalatenschap

Alle hedonisten in de oudheid combineerden een sensitieve filosofie met een zekere mate van relativisme. Maar tussen de vormen van hedonisme die we nu behandeld hebben bestaan grote verschillen. Epicurus’ Hedonisme met zijn hedonistische calculus staat in veel aspecten haaks op dat van de Cyreense school van de familie Aristippos, die met haar fundamentele wantrouwen naar alles dat niet onmiddellijk ervaren wordt al dat gereken van Epicurus maar belachelijk vond. Lange termijnplanning lijkt slim, maar er zijn een hoop aannames voor nodig, die allemaal fout kunnen zijn. Logica en fysica zijn daarom volgens de erven Aristippos volkomen onbetrouwbaar en die atoomtheorie is voor een rechtgeaarde relativist natuurlijk gewoon luchtfietserij. Ze meenden bovendien schamper dat Epicurus’ uitgesmeerde versie van genot gelijk stond aan het genot van een lijk.

De Cyreense school wekte met haar radicale leer echter vooral tegenargumenten op. Aristippos en zijn erven mochten dan wel claimen onafhankelijk te zijn van sociale conventies en van de genotsmiddelen zelf, ze waren volgens de kritiek nog altijd slaven van hun eigen bevliegingen. De Griekse cultuur zelf kende traditioneel gezien een grote waardering voor ingetogenheid. ‘Alles met mate’ was toen al een vaak aangehaalde spreuk van de wijze Solon, die drie eeuwen voor Epicurus leefde. Vandaar dat de radicale filosofie van Aristippos, waarin uitspattingen volledig gelegitimeerd zijn, niet altijd even goed geadopteerd werd. Hoezeer Grieken in praktijk af en toe overeenkomstig zijn leer mochten handelden, theoretisch hielden ze zich in ieder geval liever een stuk braver.

Epicurus’ filosofie sloot beter op de Griekse mentaliteit aan. Epicurus werd tijdens zijn leven al als een goeroe gezien, en veel van zijn volgelingen vereerden hem zelfs als een God. Na deze tuingod zijn er dan ook geen latere filosofen die zich volgelingen van Aristippos noemden, maar het Epicurisme zou nog veel volgelingen kennen. Zijn filosofie speelt tot ver in de Romeinse tijd een belangrijke rol in het filosofische debat, met name door de Romeinse dichter Lucretius, die in de eerste eeuw voor onze jaartelling over Epicurus schreef en daarmee razend populair werd.

Ook dat is verklaarbaar. Epicurus’ filosofie is simpel, nuchter en praktisch, en dat paste goed bij de Romeinse volksaard. Aan de andere kant waren de Romeinen niet vies van een uitspatting zo nu en dan, en sommige van die Romeinse Epicuristen vatten Epicurus’ filosofie misschien iets te ruim op, en stonden in praktijk misschien wel dichter bij de opvattingen van de familie Aristippos.

Een moreel gat?

Hedonisten wordt vaak verweten dat er in hun filosofie een moreel gat zit. De hedononistische filosofie heeft dan ook zeker iets egocentrisch. Wie zich richt op genot zou misbruik van mensen en zijn omgeving kunnen verdedigen, met het eigen genot als doel. Maar daarmee doen we de hedonistische denkers toch zwaar tekort. Aristippos bijvoorbeeld kende met zijn pleidooi voor meegaandheid en zijn immuniteit voor vernederingen wel degelijk een moraal. Daarbij doet hij kwaadheid en wraakzucht af als nutteloze emoties. En Epicurus komt zoals wij zagen met hele rationele argumenten tegen de misdaad, en een rationeel fundament voor recht. De hedonisten vonden in hun filosofie dus wel een moraal. We kunnen het een dunne moraal vinden, maar ze heeft wel een stevige rationele basis, en daarbij heeft een hedonistische moraal het voordeel dat zij niet fundamenteel botst met onze primitievere gevoelens.

We zagen ook de kunstgreep die Epicurus maakte om de vriendschap te verdedigen. Ik noemde dat een kunstgreep, omdat hij een zekere verbondenheid van mens tot mens aannam, die vanuit de atomistische kern van zijn leer niet helemaal te verklaren is. Misschien voelde Epicurus zelf ook wel aan dat deze gedachtegang niet helemaal zuiver is, want hij reserveert hem slechts voor bekenden. Het alter-ego dat mensen in vrienden zien, bestaat voor Epicurus niet tussen mensen die vreemd voor elkaar zijn. Zover gaat zijn inlevingsvermogen niet. Ook accepteert Epicurus de vriendschap tussen mens en dier niet. De verbondenheid van mensen beperkte zich voor Epicurus tot een kleine kring, en slechts tot wezens die tot rede in staat zijn.

We zullen in de volgende aflevering zien hoe de Stoïcijnen het begrip van verbondenheid veel breder opvatten, en daarvan de kern van hun leer maakten.

Dit artikel verscheen eerder op Historiek.nl en Sargasso.nl.

Radicaal Hedonisme

In deze serie passeren de belangrijkste filosofische stromingen van het vroege Hellenisme de
revue. In deze aflevering: de radicale Hedonisten van de Cyreense school.

Aristippos’ genotzucht

blogmedia-aristippus-1-jpg.jpgVoor het ontstaan van het Hedonisme moeten we net als de vorige keer weer een stap terug doen in de tijd, van de tijd van het Hellenisme naar de generatie van Plato, rond vierhonderd jaar voor onze jaartelling. Daar komen we een zeer eigenzinnige leerling van Socrates tegen: Aristippos.

Voor de interpretatie van wat Socrates nu eigenlijk voor boodschap had sluit Aristippos zich aan bij Antystenes, de stamvader van de cynici, die we de vorige aflevering zagen. Antystenes meende in tegenstelling tot Plato dat de ware les van Socrates is dat we uiteindelijk niets kunnen weten.

Maar blijft er dan iets over waar we zeker van kunnen zijn?

Volgens Antystenes niet, maar volgens Aristippos is dat er zeker wel: de onmiddellijke ervaring. En de onmiddellijke ervaring bestaat uit de gevoelens van pijn en genot. Deze gevoelens kennen we als kind al. Alle andere zaken zijn er allemaal maar later bij verzonnen. Genot en pijn, zijn volgens Aristippos de primaire gegevens. Andere gevoelens, beelden, gedachten, dat kunnen maar dwalingen zijn.Het is daarom onzinnig om hogere doelen of zaken op lange termijn na te streven, of om je te schamen voor je verleden. Het is onzinnig om je over te geven aan zaken als hoop, en spijt. Dat zijn alleen maar aangeleerde dwalingen, die ons wegleiden van ons instinctieve talent om het juiste voor onszelf te verlangen.

Het genot van het “nu” is volgens Aristippos het enige ware, en de enige maatstaf voor wijsheid en geluk. Dit hedonistische genot van het “nu” moeten we niet verwarren met het “leven in het nu”, zoals we dat kennen van het boeddhisme en in mindfulness-trainingen: het leven in het nu van Aristippos is puur het zich richten op de fysieke tijdelijke behoefte. Het is de glasharde en heldere wereld van het willende ego.

Aristippos wijst zinnelijk genot niet af, zoals Socrates deed. Integendeel, Aristippos kiest radicaal voor het onmiddellijke zinnelijke genot. Zinnelijk genot is volgens Aristippos het meest waardevolle, want het is de meest directe vorm van genot. Al het andere vormt eigenlijk alleen maar ballast.

Sociale wetten staan alleen maar in de weg

“Wie niet hecht aan eerzucht, is niet bang voor vernedering.”

Na zijn onderricht bij Socrates verbleef Aristippos lange tijd aan het hof van Dionysios van Syracuse. Dyonysios omringde zich graag met filosofen. Zo had hij ook Plato lang aan zijn hof, welke meende dat hij de dictator kon bekeren tot zijn filosofie, wat overigens flink mislukte: hij bracht het er uiteindelijk ternauwernood levend vanaf. Dyonisius stond er ook om bekend dat hij zijn gasten graag zo nu en dan vernederde, om ze zijn macht te laten proeven. Anders dan Plato liet Aristippos het treitergedrag van de dictator echter rustig over zich heen komen. Hij schaamde zich er niet voor aan het hof op bevel rare dansjes uit te voeren, en toen hij de minste zetel aan tafel kreeg, antwoordde hij lachend dat hij de zetel in waarde zou doen toenemen. Wie niet hecht aan eerzucht, is niet bang voor vernedering.

Aristippos werd door de meesten die hem kenden gezien als een charismatisch persoon. Hij werd geroemd om zijn vermogen zijn innerlijke kalmte te bewaren, en om zijn continue uitstraling van waardigheid. Maar hij was wars van alle conventies. Voor zijn genot kan de mens maar beter niet zoveel aantrekken van sociale conventies. Zo verdedigde hij ook dat het niet onwaardig was een relatie aan te gaan met een hoer. Een haven wordt toch ook niet minder waard naarmate er meer schepen door gevaren zijn? Eerder het tegendeel. Waarom zou een vrouw dan minder waard worden als zij slaapt met meerdere mannen? Zonder problemen leefde hij lange tijd samen met een concubine als partner, zonder zich druk te maken over zaken als trouw.

blogmedia-dionys1-jpg.jpgNaast kalmte en waardigheid had Aristippos ook een gevat soort humor. Toen Dyonisios Plato een boek gaf en Aristippos geld, lachte men erom en vond men dat vernederend voor Aristippos. “Waarom?” vroeg Aristippos hierop: “De dictator geeft ons gewoon wat we tekort komen: ik heb geld nodig, en Plato boeken.” Buigen voor geld deed Aristippos echter nooit. Toen een rijk man met een slechte reputatie indruk op hem probeerde te maken door hem door zijn prachtige huis te leiden, spoog hij deze onverwacht midden in het gezicht. Toen de man vroeg waaraan hij dit verdiend had antwoordde Aristippos dat hij nu eenmaal een fluim kwijt moest, en hij daarvoor als welopgevoed mens de plaats in het huis koos die het minst waard was.Aristippos zette zich op een andere manier tegen sociale conventies en schaamte af dan de Cynici. De Cynici waren van het shockeren: zij keerden zich tegen de beschaving. Aristippos paste zich meestal aan zonder zich druk te maken. Toen Aristippos langs Diogenes liep toen die groente stond te wassen, beet Diogenes hem toe dat als hij ooit geleerd had hoe hij zelf zijn groenten kon verbouwen en wassen, hij niet hoefde te slijmen bij de hoven van hoog geplaatsten om voedsel. Aristippos zei daarop tegen Diogenes dat als Diogenes ooit geleerd had met mensen om te gaan, hij geen groenten hoefde te verbouwen en te wassen. Of dit verhaal waar is, is niet zeker, maar het maakt de tegenstellingen perfect duidelijk.

Aristippos deed geen aannames over de ‘natuurlijke’ staat van zijn van de mens, en de verdorvenheid van de samenleving, zoals de Cynici deden. Voor hem telde slechts het onmiddellijke genot.

Geld stinkt niet

Toen iemand Aristippos vroeg wat voor baat hij had bij filosofie zei hij: als alle wetten werden opgeheven, zou van alle mensen alleen de filosoof doorleven zoals hij altijd geleefd had. Toch gebruikte Aristoppos zijn spitsvondigheden en wijsheden om geld en genot te verdienen. Dit werd hem door andere volgelingen van Socrates hoogst kwalijk genomen. Socrates zette zich immers af tegen de Sofisten met het verwijt dat ze zich lieten leiden door geld in plaats van de wijsheid. Aristippos wees er echter op dat ook Socrates zich door rijkere vrienden liet onderhouden. Maar waarom klopt een filosoof als Aristippos dan aan bij huizen van rijke mensen, en rijke mensen niet bij het huis van een filosoof? Omdat filosofen weten wat zij nodig hebben, en rijke mensen niet, antwoordde Aristippos.

Er is niets tegen mensen te laten betalen voor wijsheid. Sterker nog, dit was volgens hem een vereiste. De rijken die wel leken te weten wat goed voor hen was, zijn eigen klanten, rekende hij zeer hoge prijzen voor zijn onderricht, volgens hem om zijn leerlingen te leren hun geld aan verstandige dingen te besteden.

Vrijheid

Een rijk man die Aristippos ooit vroeg om onderricht voor zijn zoon riep bij het horen van zijn prijzen: “Wat? Voor die prijs kan ik me een slaaf veroorloven!” Waarop Aristippos zei: “Doe dat, dan heb je er voor die prijs ook gelijk twee”. Van Aristippos zou de zoon namelijk leren hoe wij in onze genotzucht geen slaven zijn van aangeleerde zaken als eerzucht en schaamte. Zijn filosofie helpt ons om ons daarvan te bevrijden. Het doel van het leven is genot. Taboes en sociale conventies hinderen daar alleen maar bij. En wie dit leert is werkelijk vrij.

De filosofie van Aristippos draait om vrijheid. Vrijheid van de conventies, om een genotsvol leven te leiden. Maar volgens Aristippos leert de filosofie ons niet alleen hoe wij geen slaaf worden van conventies. Ook hoort de filosofie ons te leren hoe we gebruik kunnen maken van genotsmiddelen zonder er een slaaf van te worden. Aristippos koos in alle opzichten voor emotionele vrijheid. Wij dienen ons volgens hem dan ook niet te hechten aan dat wat genot schenkt. Genot, en dat wat genot schenkt, zijn namelijk twee heel verschillende zaken.

Het gaat volgens Aristippos niet om geld, niet om lekker eten, niet om drank, en zelfs niet om onze geliefden. Wij mogen onszelf aan die zaken niet onderwerpen. Wij maken er slechts gebruik van ten gunste van ons eigen genot. Over een geliefde zei hij ooit “zij is soms van mij, maar zij bezit mij niet”. Als wij verslaafd worden aan de door ons begeerde objecten, leidt dat ons af van ons eigen genot, en worden we even onvrij als wanneer we ons laten domineren door sociale conventies.

De doodsdrift van Hegesias

Aristippos stichtte uiteindelijk een filosofische school in de stad Cyrene, een Griekse kolonie in het huidige Lybië, die later deel uitmaakte van het Grieks-Egyptische rijk. Hij onderwees onder meer zijn dochter Arete in de filosofie, die daarmee een van de eerste bekende vrouwelijke filosofen werd. Arete onderwees vervolgens weer haar zoon, Aristippos de jongere. Dochter en kleinzoon werkten de filosofie van vader en grootvader uit tot de zogenaamde Cyreense filosofische school, die vele volgelingen zou kennen.

Een paar late denkers van deze school verdienen wat aandacht. Anniceris was wat gematigder dan zijn meeste collega’s, en bepleitte dat zaken als vriendschap, vaderlandsliefde en dankbaarheid zaken waren die van zichzelf plezier opleveren, ook als daarvoor af en toe een offer voor nodig is. Zijn collega Theodorus kon zich daar echter niet in vinden. Hij betoogde dat zaken als vriendschap en vaderlandsliefde van zichzelf niets waard zijn, en verdedigde dat zaken als diefstal, overspel en heiligschennis geen van zichzelf slechte zaken zijn. Waar genot ligt voor Theodorus echter niet in fysiek genot. Waar genot komt volgens hem voort uit kennis en rechtvaardigheid, en is dus een geestelijk genot.

Ten laatste Hegesias. Ook Hegesias ging uit van plezier als maatstaf, maar stelde daar gelijk bij dat geluk een staat van zijn is die met het zoeken van plezier niet valt te bereiken. Doordat in het Oostelijke Helleense rijken boeddhistische volken leefden, werd de leer van Boeddha naar verloop van tijd ook in het Egyptische Helleense rijk bekend. Wellicht beïnvloed door het Boeddhisme had Hegesias de mening dat het leven bestaat uit lijden, en dat dit lijden voortkomt uit verlangen. Plezier is altijd maar kortdurend en leidt nooit tot een duurzaam geluk, sterker nog, vaak leidt het tot afhankelijkheid en ongeluk. Hegesias zijn hedonisme richt zich daarom niet op het bereiken van plezier, maar op het vermijden van negatieve zaken zoals pijn, angst en zorgen.

Hegesias komt daarbij tot de conclusie dat het werkelijke geluk niet zit in externe factoren. En hij gaat hier theoretisch behoorlijk ver in. Voor de Wijze zijn volgens Hegesias niet alleen materiële zaken als rijkdom en armoede totaal onverschillig, ook vrijheid en slavernij zijn feitelijk onbelangrijke zaken zijn als het gaat om geluk. Zelfs valt niet te zeggen dat een mens levend beter af is als dood, sterker nog, de staat van het dood-zijn valt in veel opzichten te prefereren boven die van het leven: zonder ervaring is er bijvoorbeeld geen pijn en zijn er geen angsten. Hegesias was een buitengewoon talentvol spreker en schrijver, en hij zou over dat laatste punt zo overtuigend geschreven en gesproken hebben, dat het daadwerkelijk tot een serie zelfmoorden onder intellectuelen leidde. Zijn leer werd in ieder geval door de toenmalige Ptolemaeïsche heerser in Alexandrië verboden.

Deze drie filosofen leefden rond driehonderd jaar voor onze jaartelling en waren de laatste volgelingen van de Cyreense school. We zouden cynisch kunnen concluderen dat met Hegesias het Hedonisme op een dood spoor lijkt te zijn aanbeland. Maar met zijn visie op het genot als afwezigheid van pijn raakt Hegesias aan de andere belangrijke stroming van het Hedonisme, die in zijn tijd opkwam en de leidende tak van het Hedonisme zou worden: het Epicurisme.

Deze serie verscheen eerder op Historiek.nl en Sargasso.nl.