De nalatenschap van Castro

Facebooktwittergoogle_pluslinkedinmail

Op de dood van Fidel Castro lees ik vooral twee totaal tegengestelde reacties. De ene kant treurt, en benadrukt graag dat Fidel ervoor gezorgd heeft dat extreme armoede op Cuba, in tegenstelling tot in de rest van het continent en eigenlijk de hele wereld, niet voorkomt, dat iedereen op Cuba een goede opleiding heeft en uitmuntende zorg, en dat Fidel geplaagd werd door de boycot van de VS. De andere kant viert feest, en benadrukt het dictatoriale van het regime, het bloedvergieten van de revolutie, de vele executies daarna, de vele politieke gevangenen van Cuba, dat feitelijk de hele bevolking van Cuba gevangen zat onder Castro, en dat het enorme overheidsorgaan op veel gebieden van zichzelf al faalt.

Wie zich aan één van deze kanten op het spectrum plaatst, ontkent de helft van de realiteit. Beide zijn waar.

Fidel Castro was een figuur die bij mij dubbele gevoelens oproept. Dezelfde dubbele gevoelens die het land Cuba zelf bij mij opriep, toen ik daar in 2010 een tijdje daadwerkelijk rond ben gaan neuzen. Geen extreme armoede, maar ook zeker geen rijkdom te zien. Iedereen gezond, waanzinnig gezond zelfs, want geen luxe-voedsel, en bijna geen obesitas. Probeer maar eens een uitgezakt figuur te krijgen van een dieet van rijst en bonen. Dat gaat klaarblijkelijk vrij lastig. Zelfs de schoonmakers kunnen vloeiend Engels met je spreken, maar niemand die ooit de grens over was gegaan.  Iedereen bang om over politiek te praten, maar het heel voorzichtig en stiekem af en toe toch doen.

Mensen die zich feitelijk stierlijk vervelen want weinig mag, en wellicht daarom zich meer dan waar dan ook ter wereld uitleven in opzwepende muziek en dans. Zwaar tegenvallend voedsel in de restaurants en hotels, maar ze serveren de perfecte rumcocktails. En als je bij mensen thuis komt eten, dan weet je dat Cubanen toch kunnen koken. Wilde je dan weer naar de supermarkt om zelf ingrediënten te kopen, dan ging je voor niks, ook al zag je het staan, je kreeg te horen op welke dag ze het wel zouden mogen verkopen, volgens het systeem dan – in praktijk betekent dat dan altijd: misschien. Of dan had je weer de verkeerde muntsoort bij je, die je alleen maar illegaal kon wisselen.

Vervallen huizen aan de buitenkant, die vaak schitterend waren ingericht aan de binnenkant. Ernstig vervallen koloniale huizen, maar ook prachtige herstelprojecten. Over straat rijdt de geschiedenis van de automobiel op Cuba nog vrolijk door elkaar rond: Cadillacs uit de jaren vijftig, Trabantjes van daarna, Europese moderne auto’s van daarna, bussen van over de hele wereld… een oude NZH-bus met daarop nog “Amstelveen”. De reden? Een auto doe je niet weg, je komt immers zo moeilijk aan een nieuwe. Geen luxe nee, maar het milieu lijdt er ook niet al te zeer onder. Cuba staat in de top tien van landen met het schoonste milieu, recycling zit daar in de genen. Dat komt echter niet uit milieubewustzijn voort, maar domweg uit schaarste.

Het land staat vol met reclameborden, maar dan altijd met enkel propaganda voor het socialisme erop. Het is het Oostblok met palmbomen. Met overal, zichtbaar en onzichtbaar, politie op straat, die alles controleert. Het maakt het land onvrij, maar tegelijkertijd ook weer veruit het veiligste land van Zuid Amerika. Zolang je je grote mond maar houdt, natuurlijk.

Het meest naïef zijn de mensen die denken (of hopen) dat er nu door de dood van Fidel Castro verandering zal komen op Cuba. Die verandering was er onder zijn broer Raúl Castro al lang. Raúl is al sinds 2006 de president van Cuba, en langzaam aan, en uiterst gecontroleerd, geeft hij de bevolking steeds meer vrijheden.

Daarbij lijkt hij nauwlettend in het oog te houden dat die vrijheden aan de bevolking zelf ten goede komen, en niet aan het roofkapitaal, dat maar wat graag naar binnen komt stormen om het stokje over te nemen in dat tropische paradijs, net als dat gebeurde bij andere communistische regimes die onbesuisd de deuren open gooiden. Buitenlandse ondernemingen zijn niet welkom op Cuba. Maar mensen op Cuba mogen de laatste tien jaar steeds meer en meer zelf ondernemen: op kleine schaal. Nog zeker geen democratie, maar toch al wel een minder restrictief internetbeleid, toegang voor VN waarnemers, en inmiddels een opheffing van het reisverbod voor Cubanen. De ontspanning met de VS kwam niet uit de lucht vallen. Geen revolutie, maar een evolutionair proces.

Veel mensen die hun politieke helden kiezen, kiezen die met een romantisch ideaal voor ogen. Dan kom je uit op iemand als Mandela of Gandhi, als je vredelievend bent, en/of gelooft in de kracht van ahimsaOf op Che Guevara of Fidel Castro als je meer bent van de omelet en de eieren. Ik zelf heb dan meer met de eerste twee, maar bij alle vier de voorbeelden gaat het om dissidenten, die vaak hun belangrijkste functie als symbool hebben.

Ik zoek mijn politieke helden bij voorkeur niet onder redenaars, mensen die mobiliseren, en al helemaal niet bij revolutionairen. Nog veel meer bewondering heb ik voor mensen die binnen een systeem zijn gegroeid, aan de macht zijn gekomen, en toen dat systeem zijn gaan veranderen. Die de gevaarlijke balans zoeken tussen de toekomst en de zittende elite, die altijd geschaad wordt bij ontspanning. Mensen die toen zij aan de macht kwamen bij voorbaat al gewantrouwd werden, gehaat werden als lid van het ancien regime, en uiteindelijk nooit echt geliefd werden, omdat ze altijd vuile handen zouden houden, en ondertussen zich impopulair maakten bij dat ancien regime, omdat ze verandering brachten, en daarom tijdens hun politieke leven maar weinig worden geroemd en na hun werk maar snel worden vergeten. Ondertussen zijn het toch die mensen die vaak de échte verandering bewerkstelligd hebben, het hebben laten plaatsvinden. Ik denk dan aan mensen als Frederik Willem de Klerk van Zuid Afrika, Juan Carlos van Spanje, of Gorbatsjov van de Soviet Unie.

Fidel is een dubbel figuur voor mij. Zijn broer Raúl is eerder mijn held.

Dit artikel verscheen eerder op Sargasso.