De Man Die Schreeuwde

Facebooktwittergoogle_pluslinkedinmail

Er was eens een man die schreeuwde. Het gebeurde toen hij over straat liep; het volgende moment stond hij stil, zijn mond sperde open terwijl hij door zijn knieën zakte, en geluid begon te komen terwijl hij zijn armen over zijn hoofd sloeg en met zijn gezicht naar de straat in schreeuwen uitbarstte. Het schreeuwen begon en eindigde niet, en omstanders bleven staan om naar de schreeuwende man op het wegdek te blijven kijken.

Waarom schreeuwde de man? De ene dame zei dat het moest zijn van angst. Maar voor wat dan? Er was niets om bang voor te zijn. Een andere dame zei het is iets persoonlijks, maar naar haar werd niet geluisterd. Angst voor wat dan? Vroeg de slager. Ik denk, zei de bakker, – hij was filosofisch ingesteld – het is angst voor de dood.

Omdat de man bleef schreeuwen en het schreeuwen niet stopte en het schreeuwen ook geen boodschap leek te bevatten werd het schreeuwen het onderwerp van gesprek van de dag en daarom ook onderwerp van discussie bij Paul Pauw, en bij Jeroen Witteman.

Ik denk dat het schreeuwen het schreeuwen is van de angst voor de pijn, niet zozeer voor de dood, zei Pauw, en knikte bij zijn eigen woorden. Misschien, zei iemand uit het publiek, is het de angst voor het lijden, dat altijd aan de dood vooraf lijkt te gaan, want de meesten van ons eindigen uiteindelijk tenslotte met aftakeling, en gruwelijke pijn. Wat heeft dat allemaal voor zin? Misschien is het die schreeuw. Dat zou kunnen, zei Pauw, en keek onderzoekend. Misschien echter, opperde iemand uit het publiek, is het iets persoonlijks.

Nee, het is een schreeuw om aandacht! Riep iemand. Zonder hier op in te gaan riep een dame erdoorheen dat het de schreeuw is om gehoord te worden. Een recht van iedereen! Een schreeuw, zei haar buurman in ribfluweel, zijn wijsvinger in de lucht, tegen het onrecht, tegen de stupiditeit van de mensheid, die probeert te negeren dat met zijn onrechtvaardige leefgemeenschap, zonder vrijheid, zonder gelijkheid, economisch de zaak volkomen vastloopt terwijl onze leefomgeving wordt vernietigd, en we collectief doen alsof we nog eeuwig zo door kunnen blijven gaan, de burgers naïef, de politici leugenaars, beide de eigen zakken vullend voordat het te laat is, snel snel, de schreeuw tegen het alom aanwezige onrecht en de alomtegenwoordige kortzichtige domheid, het is die schreeuw!

Denkt u niet eerder, vroeg Jeroen op zijn beurt, zich wendend tot een expert aan tafel, dat het de angst is er plotseling niet meer te zijn? Precies, zei de expert, en hij plukte aan zijn puntbaardje: het is de angst zo nietig te zijn, dat de wereld blijft doordraaien zonder dat je er bent, ook al ben je er nog wel…

Misschien, zei een dame bij rondom tien, is het iets persoonlijks. Misschien, zei een ander, gaat het om de angst voor de eenzaamheid, voor de verlatenheid, alleen te zijn, het gevoel niet begrepen te worden, of jezelf niet te begrijpen.

Nee dan, zei een man, is het misschien de angst of de pijn dat mensen onverschillig zijn. Niet opvallen. Uiteindelijk niets te zijn. Nergens voor te zijn. Het gevoel betekenisloos te zijn voor de mensen om je heen, de angst om geen contact te hebben… en het gevoel dat voor zover je dat al hebt, ook de mensen om je heen uiteindelijk zelf ook maar betekenisloos zijn.

Ja, nee, zei een man in colbert, misschien is het eerder het geval van het ontbreken van emotie, angst voor jezelf, de eigen onverschilligheid tegenover de zon, een goed glas wijn, een geliefde, het niet meer kunnen genieten, al dan niet door een gemis: en het verlies van het geloof in dat er nog iets als emoties mogelijk is. Want waarom leven wij? Die angst voor die vraag is eigenlijk nog veel groter dan de angst voor de dood.

Een klein jongetje zei daarop echter: misschien heeft hij wel pijn omdat hij iemand moet missen, of ruzie heeft met iemand van wie hij houdt. Maar zijn moeder sprong op en zei: misschien is het zo erg nog niet; misschien is het een schreeuw van blijdschap, of slechts van verwondering, en niet van angst of verdriet.

Dat was zo een absurde gedachte, dat het even stil was. Zo stil, dat het even niet opviel dat het raar was, dat het stil was, dat er geen geluid klonk.

Maar er klonk inderdaad geen geluid. Want de man die schreeuwde, die was dood.