Nieuwe Kleren

Deel dit:

Op een dag had ik nieuwe kleren gekocht waarin ik onweerstaanbaar was. Wanneer ik over straat liep keken alle vrouwen me na, wat? – ze vielen flauw of aan mijn voeten, en ik kreeg van iedere kerel een volkomen terechte blik vol jaloezie.

Je begrijpt dat ik die kleren de volgende dag weer opnieuw aantrok, mijn hoofd in een roes, mijn ogen vol tranen van geluk. Ik pinde wat poen en ging de hort op. Als een gelukkig mens kwam ik thuis, natuurlijk niet alleen. Godverdomme wat was ik cool. De volgende dag trok ik wederom dezelfde kleren aan. De dag daarop opnieuw.

Na verloop van tijd begon wat ik droeg te slijten. Maar het was nog eerder al dat ik had moeten weten dat mijn faam in die kleren vergankelijk was, en dat de verpletterende indruk die ik maakte niets absoluuts had. Want ook daarvoor al was mijn populariteit tanende. Een grijsgedraaide hitsingel is niet prikkelend maar saai. Het nadeel van opvallend zijn is dat mettertijd iedereen je wel kent. Daar-is-t-ie weer, dat werd steeds vaker achter mij gezegd, terwijl de juichkreten van daarvoor langzaam verstomden. Ook wie mij nooit eerder ontmoet had slaakte steeds vaker slechts een kreet van herkenning in plaats van bewondering, want ik had tijdens de eerste dagen al in alle bladen gestaan.

Ik werd radeloos. En dat maakte mij nog zwakker. Ik had het idee dat ik niet meer terug kon. Als ik plotseling weer een normaal kloffie was aangeschoten was de afgang helemaal compleet, althans, zo hield ik mij voor. Te evenaren was mijn succes van weleer echter ook niet. Dus ik moest wel volharden. Sterker nog: om de neergang te stoppen droeg ik mijn kleren zelfs in bed. Maar dat maakte het natuurlijk allemaal nog veel erger. Ik begon als een beest te stinken. Men kon mij aan de geur herkennen, nog voordat ik zelf verschenen was. Eerst had ik het nog kunnen bestrijden met wat after shave, om te beginnen met weinig, later met steeds meer en meer after shave, aanvankelijk goedkope, later dure after shave. Maar uiteindelijk was de geur onstuitbaar, echt, er was niets meer aan te doen.

Er was geen houden meer aan. Hoezeer ik ook aan mijn oude geluk vast hield, hoe sterker ze ontwaardde. Mijn minnaressen werden steeds ouder totdat ik uiteindelijk alleen nog maar vrouwen zag waarvan de vruchtbaarheidsdatum al lang overschreden was, en waarvan het humeur was afgezakt tot ver onder de zuurtegraad van de continue teleurstelling.

Die net als ik qua schoonheid niets meer hadden dan aangeplakte uiterlijke kenmerken, en een zoete herinnering.


Deel dit:

Van de Adelaar (fabel)

Deel dit:

 

Er was eens een adelaar die hoog vloog en daarom veel zag. En omdat de adelaar veel zag, geloofde men hem dan ook toen hij naar beneden kwam en de dieren in het bos vertelde dat het grootste probleem van het dierenbos was dat er toch echt teveel konijnen waren.

Ja, in die boodschap herkenden de dieren wel wat! In het bos waren weliswaar geen echt grote problemen, maar uiteraard bleven de dieren zoals dat gaat in het leven niet bespaard van ongemakken. En dat de oorzaak van deze ongemakken bij de konijnen zou liggen, nou, dat vonden de meeste dieren wel een zéér aannemelijke verklaring hoor. Er waren er namelijk nogal wat! En iedereen kan tenslotte uitrekenen dat als je op iedere vierkante meter een konijn zet, het in het dierenbos al gauw een puinhoop zou zijn. Ja toch? Precies, uitkijken met konijnen dus.

Daarbij, zo vonden de dieren, was het konijn nu eenmaal minder vatbaar voor de normen en waarden die alle anderen aanhingen. Want wanneer die normen en waarden weer eens met de voeten werden getreden, nou, dan waren er wel verdomd vaak konijnen in het spel, niet dan, ja toch, nou dan, bek houden links lulletje.

Zodoende kreeg de adelaar al snel bijval.

Nu woonden er in het dierenbos ook de linkse trollen. Die trollen die hadden de drukpers in bezit en ook wat zetels in het parlement. Tot zover hadden de linkse trollen een lekker leventje geleid. Ze hadden namelijk een pakt gesloten met de rechtse raven, en waren sindsdien druk bezig geweest met het verkopen van het hele gemeenschappelijke kapitaal van het dierenbos aan de hoogste bieder, omdat die raven dat graag wilden. De raven geloofden namelijk dat de hoogste bieder een stuk beter voor dat kapitaal zou kunnen zorgen dan het dierenbos zelf. Dat geloof bleek in praktijk overigens lang niet altijd te stroken met de realiteit, maar goed, daar ben je gelovig voor, om je daar dan weer niet teveel van aan te trekken nietwaar? Welnu, in de ruil voor die samenwerking kregen die trollen dan weer wat dure baantjes, als burgemeester bijvoorbeeld, of nog beter als adviseur bij die verkochte onderdelen natuurlijk, en zo was het nog een redelijk tijdje goed gegaan zonder dat enig dier zich echt op het hoofd begon te krabben.

Welnu, so far so good zult u zeggen, wat heeft dat met die adelaar en de konijnen te maken? Nou, nu bleek verdomme maar dat deze enge wezentjes, die trollen dus, het in de krant zomaar even voor die konijnen opnamen! Ja zeg! Die wilden zeker dat het hele dierenbos werd overspoeld met konijnen! Ze zagen met hun blinde koppen maar niet in dat er onder die konijnen verdomd veel enge types rondliepen! Nee, die linkse trollen begrepen helemaal niks, zagen niet eens wat voor een smerige keutels die rotbeesten produceren. Want konijnen produceren keutels nietwaar? Nou, ga het maar eens ontkennen dan huh, dat konijnen keutels produceren! Nee, precies, dat kan niet, maar hey, die linkse trollen die deden dat dus gewoon toch! Enfin, riskante boel dus met die trollen. En daarbij hadden ze ook nog eens het rare idee dat ieder dier zijn bezit moest inleveren en herverdelen. Waar je je eigen, als fazant, uil, bosmuis, gans, vos en wezel het leplazarus voor gewerkt had en helemaal krom voor had moeten liggen. En wie waren daar het meest mee gebaat? Juist ja, de konijnen ja, want die hadden niks.

Enfin, die linkse trollen natuurlijk, die lieten dit soort eerlijke kritiek weer niet op zich zitten, want zo is dat slag wezens. Dus die sloegen terug. Begonnen de adelaar te demoniseren, met vlugschriften en radiospots en nare krantenartikelen en alles. Zeiden dat adelaar maar asociaal was en zo, en alleen maar uit was op het opvreten van kleine wollige dieren. En ook was er een onbekende gewapende trol in hun gelederen, maar die komt pas later.

Enfin, de adelaar nu, die kreeg bijval van de eksters. Niet te verwarren met de raven, die vanwege hun pakt natuurlijk voorlopig nog even de kant van de trollen kozen. Voorlopig dus, want later in dit verhaal komen die raven terug hoor! Maar goed, die eksters dus, die zagen wel wat in die adelaar. Die dachten namelijk; goh, dat is mooi, die gekke adelaar blijkt maar wat goed in staat om al die dassen en bunzings tegen die trollen op te zetten; dat was ons nou nog nooit gelukt! En dus stopten die eksters hier en daar de volgelingen van die adelaar wat steekpenningen toe. Want zo zijn eksters hè, die stoppen hun bling bling ergens weg, om het later weer op te halen.

De adelaar zelf intussen echter had van dit alles eigenlijk weinig weet. Natuurlijk, ook hij las de kranten, maar ja, hoogvlieger als hij was geloofde hij ze gewoon niet! Dat is makkelijk nietwaar? Jaja. Die adelaar had dan ook last van een helikopterview, zoals men dat in het grote dierenbos zo nu en dan uitdrukt. En dieren met een helikopterview die zien wel veel, maar hebben de kleine consequenties vaak niet zo in de gaten. Kleine consequenties met soms grote gevolgen hoor, let wel! Enfin, dus ook die eekhoorn met die taart die zag de adelaar daarom helemaal niet aankomen. Nou, dat was pats boem slagroom natuurlijk, en helemaal niet lekker want die slagroom was minstens twee weken over tijd, en dat kan met noten en kruiden en dergelijke meestal niet zoveel kwaad, maar met zuivelproducten moet je goed uitkijken hoor. Maar goed daar bleef het niet bij! Want die ene ongure gewapende trol waarvan we zonet dus eerder gesproken hadden die zat dus in de bosjes, ergens aan de linkerkant, en ja hoor toen de adelaar naar buiten kwam was het van ratatatata en huppatee daar lag die flinke adelaar met zijn gekke kop in een flinke plas bloed daar midden op straat.

Welnu, dat was dikke paniek natuurlijk. Al die andere trollen, die van dat hele plannetje van die gewapende trol niet op de hoogte waren geweest, die zagen de bui al hangen, die dachten ook van: nu zijn wij de lul! De koning trol van dat moment probeerde zich nog te redden door een rondje te vliegen maar daarvoor ontbraken hem inmiddels de nodige veren, die had hij namelijk net afgeschud, dus nee hoor, dat lukte niet. En de dieren zelf hadden al lang zoiets van hoho even geen trollen meer de komende tien jaar; doe ons maar de raven, en vooruit maar, de eksters, want die hadden dan nog het voordeel van de twijfel! Vandaar dat de koning trol zich maar terugtrok om de laatste resten uit de geprivatiseerde bedrijven te schrapen, want je moet als ex-koning natuurlijk toch wat met je leven.

Ja, en wat levert dat dan op, zal je zeggen. Nou, verschillende partijen van gieren en eksters natuurlijk die net gingen doen alsof ze adelaar waren en tientallen jaren van regeringen van raven uiteraard. Aan de konijnen werd ondanks wat flinke taal de hele tijd uiteindelijk maar weinig gedaan want ja, er kwam vanaf toen dan wel geen konijn meer het dierenbos in maar dat maakte vrijwel geen verschil, want die konijnen, die waren er immers al lang, die waren door de raven indertijd zelf massaal als goedkope knagers geïaut;mporteerd, en waren nu niet meer nodig of vervangen door hamsters uit het oosten, en bleven dus even arm en ongeletterd. Nee, het enige verschil was dat naast dat het hele bos afgesloten werd van de buitenwereld met hele hoge hekken, het nog veel verder in de uitverkoop ging. En zodoende werd het hele dierenbos volledig leeggeroofd en kaal gepikt. Helaas pindakaas!


Deel dit:

Martijn en Sofie

Deel dit:

Martijn en Sofie liggen samen in bed. Ze kennen elkaar nog maar net: Martijn bijt Sofie, en Sofie lacht en ze rollen samen om. Dan is het even stil. Martijn streelt Sofie en Sofie doet het strelen terug.

“Martijn.” Zegt Sofie.
“Sofie.” Zegt Martijn.
Dan is het weer even stil.

“Sofie.” Zegt Martijn.
“Martijn.” Zegt Sofie.
De wind speelt zachtjes met de gordijnen voor de ramen net zoals Martijn Sophie streelt. En dan zegt Martijn “Ik moet je wat vertellen.”
Sofie kijkt Martijn glimlachend aan.
“Zie je die poes daar in de vensterbank?” vraagt Martijn.
Sofie kijkt naar de vensterbank met de blauwe afgebladderde verf, en kijkt daarna Martijn vragend aan. “Hoe bedoel je dat? Nee? Ik zie geen poes in die vensterbank?”
“Ja, toch, daar, daar zit hij, hij is grijs met een wit befje. Zie je hem?”
Sofie knijpt haar ogen tesamen als ze kijkt naar de vensterbank. Ze lacht.
“Ja hoor, ik zie hem.” zegt ze.
Martijn is blij.
“En zie je die poes die hier bij ons op bed ligt?” Hij wijst op het witte sprei dat slordig naast hun benen ligt. Sofie lacht weer. “Ja, hoor ik zie ook die poes die hier bij ons op bed ligt.”
Martijn aait de poes. “Hij is ook grijs he, met een wit befje.”
Sofie zegt ja, dat is zij.
Ze doet net alsof ze de poes aait.
“Er is alleen iets met die twee poezen.” Zegt Martijn ernstig.
Sofie kirt wat. “Nou, wat?” vraagt ze dan.
“Nou,” zegt Martijn, “die twee poezen zijn allebei eigenlijk dezelfde poes, denk ik.” Martijn kijkt zeer serieus.
Sofie zucht. “Nou vind ik het geen leuk grapje meer.” Zegt ze, en schudt haar hoofd.
“Maar het is geen grapje.” Zegt Martijn.
“Ik vind het geen leuk grapje en er is helemaal geen poes.” Zegt Sofie bokkig.
“Oh.” Zegt Martijn nu zacht. “Ik dacht dat je haar zag.”
Dan is het weer stil.

“Je zei toch dat je haar zag?” zegt Martijn dan.
“Ja, ik zéi dat ik haar zag, maar ik zag haar niet.” zegt Sofie.

“Martijn?” zegt Sofie.
“Ja Sofie?” doet Martijn.
“Wil je voor mij een glaasje water voor me halen?” vraagt Sofie. “Ik heb dorst.”
“Natuurlijk schatje.” Zegt Martijn, en hij kust haar voorhoofd.
Dan staat Martijn op. Hij loopt om het bed heen en gaat door het raam naar buiten. Sofie heeft niets in de gaten.
Dan, een tijdje later, komt Martijn door het raam naar binnen. Sofie ziet hem binnen komen. Door het raam. “Waar kom jij vandaan?” vraagt Sofie verbaasd.
“Van de wastafel.” Zegt Martijn, en zet een glas water neer voor Sofie.
“Daar… daar is helemaal geen wastafel.” Zegt Sofie.
“Wel waar.” Zegt Martijn. “Daar is gewoon een ruimte met een wastafel hoor.”
Sofie kijkt verbaasd, en neemt een slok water. “Maar…” doet zij.
“Shhht.” Doet Martijn.
Sofie haalt haar schouders op.

“Martijn!” schreeuwt Sofie.
“Huh?” doet Martijn. Hij wordt net wakker.
“Ik zie daar een grote kat bij het voeteneind! Hij heeft een hoge rug en hij blaast!”
Nu kijkt Martijn met toegeknepen ogen. “Ik zie helemaal geen kat.”
“Wel verdomme.” zegt Sofie. “Ik zag hem toch echt.”
“Ik denk dat je gedroomd hebt, schatje.” zegt Martijn, en kust haar in haar nek.
“Ja ja… dat zal wel, maar goed, ik ga even naar de WC.” zegt Sofie, en ze geeft Martijn een kus, en loopt dwars door de linkerwand van de kamer heen.
Als ze terug komt vraagt Martijn:
“Waar kom jij in hemelsnaam vandaan?”
“Van de WC.”
“Maar… daar ís helemaal geen WC!”
“Wel waar.”
Sofie stapt in bed. Trekt het dekbed over zich heen. En Martijn gaat ook liggen.

“Sofie?” vraagt Martijn.
“Eh-mm…” doet Sofie. “Ik slíep net…”
“Sorry.” zegt Martijn.
“Maar wat wilde je nou?”
“Oh, niets.”
“Nee, zeg het nou maar, ik ben nu toch weer wakker.”
“OK, Sofie? Zou je… zou je misschien een glaasje water willen halen?”

Sofie draait zich om en kijkt Martijn aan. Martijn kijkt Sofie aan.
“Ik weet waarom je dat vraagt Martijn…” zegt Sofie, “En ik durf niet.”

Martijn en Sofie kijken elkaar nu weer een tijdje hulpeloos aan. Dan strekt Martijn zijn handen uit naar Sofie en zegt “kom”. En Sofie kruipt dicht tegen Martijn aan. Hij slaat zijn armen om haar heen en wiegt haar een tijdje.

En hun beider ogen staan wijd open. Zo verstrijkt de rest van de nacht. Tot het dag wordt. Dan is de kamer weer een doodgewone kamer, en het bed een doodgewoon bed. Martijn pakt Sofie bij de schouders en lacht: “zullen we dan maar naar de keuken gaan en ontbijt maken?” “Ja.” zegt Sofie wat onzeker.

En ze staan op. En lopen tot hun stiekeme opluchting dezelfde kant op, dezelfde keuken in.


Deel dit:

Hans Danst

Deel dit:

Er was eens een dorpje met vlijtige mensen. Alle dagen waren die mensen aan het werk. De bakker bakte de hele dag brood, de slager verkocht de hele dag vlees, de schoenmaker maakte de hele dag schoenen, en waar de student de hele dag studeerde maakte de burgemeester de hele dag wetten, en zo verder. De hardste werker van het dorp was wel de smid. Die stond alle dagen te hameren in zijn smidse aan de rand van het dorp, en dat gehamer klonk zo vrolijk dat iedereen op dat ritme vrolijk verder werkte. Het dorpje was dan ook netjes en welvarend. Zo netjes en welvarend dat de reiziger die bij het dorpje stopte dan ook altijd dacht: goh, dit is nu pas een alleraardigst dorpje! Het ziet er zo netjes en verzorgd uit, het is zo prachtig gelegen, en er wonen zulke vrolijke vlijtige mensen, hier blijf ik graag een nachtje extra! En dat viel met de herbergier dan ook wel te regelen. Wanneer deze de reiziger dan een dampende schotel ganzenborst voorzette, zei hij daarbij met een knipoog: we hebben allemaal hard gewerkt vandaag, vanavond is het feest!

Nu woonde in het dorpje ook een heel leuke jongen. Zijn naam was Hans. Hans woonde in de hooiberg naast de smidse. Iedereen mocht Hans graag, omdat hij mooi was en veel lachte. Waar Hans van leefde, dat wist eigenlijk niemand. In de ochtend was Hans in geen velden of wegen te bekennen, maar in de middag kwam hij graag bij alle bewoners aan. Hij begon met een praatje te maken met de smid in zijn smidse. Daar bleef hij dan een half uurtje en dronk het kopje koffie dat daar altijd voor hem klaar stond. Daarna ging hij dan naar de bakkerij en riep: ahee bakker! Ben je daar? Het is Hans! En ook de bakker mocht Hans graag, zo graag dat hij het helemaal niet erg vond dat Hans af en toe een vers krentenbolletje meegraaide als hij na een kort praatje weer verder ging naar de slager. En ook de slager zag Hans met zijn vrolijke verhaaltjes graag komen. Zo liep Hans het hele dorp langs, hier een lang praatje makend, en daar weer een kort praatje, en tussendoor rustte hij wat, op zonnige dagen in het zonnetje op het marktplein, op winterse dagen boven een kop chocola in de herberg, waarvoor de herbergier niets rekende, want och, het was Hans, die had toch geen geld, en zat zo vol met aardige verhalen, die zag je graag zitten in je zaak.

Iedere avond in de herberg was het feest. En die feesten waren zo leuk, dat de mensen uit omliggende dorpjes ook vaak kwamen. Nou, en Hans was er altijd! Hij sloeg de mannen kameraadschappelijk op de schouders, schonk ze bij uit de flessen die ze zelf besteld hadden, en vroeg hun vrouwen en dochters ten dans. En dansen dat Hans kon! Ongelooflijk, hij danste alles! De tango, de foxtrot, de quickstep, de chachacha, salsa, bachata, breakdance, streetdance, moonwalking, capoeira, flamenco: Hans was in iedere dans de beste, en danste de hele nacht lang.

Zo ging dat eigenlijk iedere dag. Totdat een reiziger eens op een avond in de herberg aan de slager vroeg: die Hans hè, wat doet hij nu eigenlijk? Ach, zei de slager, dat is Hans, die doet niet zoveel. Ja, in de ochtend schijnt het dat hij in de hooiberg op zijn fluitje loopt te spelen, de smid kan het soms horen als de wind goed staat, maar verder doet hij volgens mij eigenlijk niets. Jaja, zei de reiziger.

Nu bleef de slager toch even over zijn antwoord nadenken. Ondertussen kwam Hans lachend langsgezwierd met de slagersvrouw in zijn armen. Komop slagertje! Niet zo piekeren! Riep hij hem nog na. Maar de slager piekerde wel. Die Hans heeft het toch maar veel te makkelijk, dacht hij. En toen zijn vrouw lachend weer naast hem kwam zitten en met blozend gezicht zei: die Hans danst toch verrukkelijk!, werd hij ook nog een beetje jaloers.

Die Hans danst toch verrukkelijk! Zei de volgende ochtend de bakkersdochter tegen haar vader, en veegde een stukje stro uit haar dikke blonde haren. Tsja, dacht haar vader, maar verder had die buurman van mij gisterenavond wel een beetje gelijk: eigenlijk doet die Hans toch maar niets de hele dag. Ik zal het er eens over hebben met mijn buurman, de student, eens kijken wat hij daar toch van vindt.

Welnu, de student, zelf ook niet vies van een glaasje wijn en een dansje, was het eigenlijk wel met de bakker eens. Tsja bakker, zei hij, die Hans heeft wel een erg makkelijk leventje hier. Kijk, ik studeer de hele dag. En die Hans ligt maar op zijn fluitje te spelen in de hooiberg, snaait zijn kostje bij elkaar bij de hardwerkende burgers en zet in de avond de bloemetjes buiten. Een beetje vreemd is dat wel.

Die jongen moet eens een trap onder zijn kont krijgen, zei de schoenmaker, die dat hele gesprek toevallig gehoord had.

En zo kwam het dat uiteindelijk een heel aantal mensen in het dorp bij de burgemeester aankwam en zei: luister burgemeester, we moeten het eens hebben over Hans. Iedereen hier in het dorp is de hele dag vlijtig aan het werk, de bakker bakt brood, de slager verkoopt vlees, de schoenmaker maakt schoenen, de student studeert, enzovoort, en daarom is het hier zo een alleraardigst dorpje. Maar Hans doet niets! Dat kan toch niet zo langer?

Nee, dacht de burgemeester ook, dat kan zo niet langer.

De volgende dag kwam Hans om een uur of drie vanzelf bij de ambtswoning aanslenteren. Dag burgervader! Riep hij met een brede lach. Wat denkt u? Zit er nog thee in de pot? Hans, zei de burgemeester hierop burgervaderlijk, we moesten eens praten. Iedereen in het dorp is hard aan het werk om zijn eten en drinken te verdienen, en om ons dorp mooi en welvarend te maken, maar jij doet de hele dag niets! Hahaha, lachte Hans, dat klopt burgervader! Ik doe de hele dag helemaal niets, net als de bloempjes in de wei, die bloeien alleen maar, en de vogeltjes in de lucht, die fluiten alleen maar, haha. Maar luister Hans, zei de burgemeester hierop, wij zijn mensen, en mensen werken voor de kost. En we vieren in de avond feest omdat we zo hard gewerkt hebben. Wij vinden eigenlijk Hans, dat jij de kost ook maar eens moest gaan verdienen.

Nou, dat vond Hans, omdat hij zo een aardige jongen was, helemaal geen probleem. En zo kwamen ze overeen dat Hans de volgende ochtend al zou beginnen zijn buurman de smid te helpen. Met Hans zijn hulp kon de smid meer ijzer slaan en dit dan verkopen bij het dorp verderop, zo had de burgemeester bedacht.

En zo geregeld gebeurde het. De volgende ochtend klonk het vrolijke gehamer van de smid in canon door het dorp, en iedereen was tevreden. Die avond echter was Hans niet op het feest. Hans? Die ligt te slapen in de hooiberg, die is hartstikke moe van zijn eerste dag werken! Zei de smid. En men lachte, en klonk op Hans, de harde werker.

Maar de volgende dag was Hans ook niet op het feest. De dag daarna was hij er wel, maar slechts kort, slechts een uurtje. Ik doe maar één dansje hoor, vanavond, zei hij, want na zo een dag hard werken ben ik niet in voor de hele avond zwieren, haha.

En zo bleef het. De feestjes werden saaier. De mensen werden minder dronken omdat Hans ze niet meer bijschonk uit hun eigen flessen. Ze hadden ook minder zin in feest, omdat hun werkdag niet onderbroken was door een alleraardigst praatje. En de mensen uit de omliggende dorpen bleven wat vaker in de avond in de omliggende dorpen, omdat de feesten in het dorp van Hans nu niet meer dezelfden waren als vroeger. En de dansvloer? Die was leger, nu Hans niet meer lachend de ene dame na de andere erop trok. De slager op zijn beurt merkte dat zijn vrouw voor het slapen gaan minder giechelig en warm was, terwijl de bakker merkte dat zijn dochter de hele dag zuchtte en haar huiswerk verwaarloosde.

Maar het was de smid die als eerste de conclusie trok dat dit toch niet zo door moest gaan. Hij keek naar Hans met zijn twee linkerhanden, en naar die paar stukken die hij per dag wist te slaan… en hij miste de verhalen van Hans… want als ze nu in de pauze koffie dronken had Hans het alleen nog maar over zijn werk. Tsja, zó een Hans, daar had je toch maar niet veel aan, dacht de smid. Luister Hans, zei hij daarom, ik weet niet wat de anderen ervan denken, maar kom jij de volgende dag maar weer gewoon na twaalven, en in plaats van een hamer krijg je van mij weer gewoon een kop koffie. En Hans, die alles prima vond, vond dit natuurlijk ook allemaal best.

De volgende dag kreeg iedereen in het dorp tijdens zijn werkdag onverwacht een bezoekje van Hans, en zijn praatjes waren nog aardiger dan daarvoor. En toen het avond geworden was in het dorp, besefte iedereen dat Hans op deze manier eigenlijk veel leuker was. En tijdens het grote feest die avond, danste Hans. Hij danste de tango, de foxtrot, de quickstep, de chachacha, salsa, bachata, breakdance, streetdance, moonwalking, capoeira, flamenco… hij danste ze als nooit tevoren. En ook de herbergier begreep dat het goed was.

En zo kwam het dat als een reiziger nadien in het dorp van harde werkers nog aan iemand vroeg wie nu die Hans was, en wat hij deed, hij voortaan als antwoord kreeg: Dat? Dat is onze Hans, misschien wel de belangrijkste man van het dorp. Hans danst.


Deel dit:

De Man Die Schreeuwde

Deel dit:

Er was eens een man die schreeuwde. Het gebeurde toen hij over straat liep; het volgende moment stond hij stil, zijn mond sperde open terwijl hij door zijn knieën zakte, en geluid begon te komen terwijl hij zijn armen over zijn hoofd sloeg en met zijn gezicht naar de straat in schreeuwen uitbarstte. Het schreeuwen begon en eindigde niet, en omstanders bleven staan om naar de schreeuwende man op het wegdek te blijven kijken.

Waarom schreeuwde de man? De ene dame zei dat het moest zijn van angst. Maar voor wat dan? Er was niets om bang voor te zijn. Een andere dame zei het is iets persoonlijks, maar naar haar werd niet geluisterd. Angst voor wat dan? Vroeg de slager. Ik denk, zei de bakker, – hij was filosofisch ingesteld – het is angst voor de dood.

Omdat de man bleef schreeuwen en het schreeuwen niet stopte en het schreeuwen ook geen boodschap leek te bevatten werd het schreeuwen het onderwerp van gesprek van de dag en daarom ook onderwerp van discussie bij Paul Pauw, en bij Jeroen Witteman.

Ik denk dat het schreeuwen het schreeuwen is van de angst voor de pijn, niet zozeer voor de dood, zei Pauw, en knikte bij zijn eigen woorden. Misschien, zei iemand uit het publiek, is het de angst voor het lijden, dat altijd aan de dood vooraf lijkt te gaan, want de meesten van ons eindigen uiteindelijk tenslotte met aftakeling, en gruwelijke pijn. Wat heeft dat allemaal voor zin? Misschien is het die schreeuw. Dat zou kunnen, zei Pauw, en keek onderzoekend. Misschien echter, opperde iemand uit het publiek, is het iets persoonlijks.

Nee, het is een schreeuw om aandacht! Riep iemand. Zonder hier op in te gaan riep een dame erdoorheen dat het de schreeuw is om gehoord te worden. Een recht van iedereen! Een schreeuw, zei haar buurman in ribfluweel, zijn wijsvinger in de lucht, tegen het onrecht, tegen de stupiditeit van de mensheid, die probeert te negeren dat met zijn onrechtvaardige leefgemeenschap, zonder vrijheid, zonder gelijkheid, economisch de zaak volkomen vastloopt terwijl onze leefomgeving wordt vernietigd, en we collectief doen alsof we nog eeuwig zo door kunnen blijven gaan, de burgers naïef, de politici leugenaars, beide de eigen zakken vullend voordat het te laat is, snel snel, de schreeuw tegen het alom aanwezige onrecht en de alomtegenwoordige kortzichtige domheid, het is die schreeuw!

Denkt u niet eerder, vroeg Jeroen op zijn beurt, zich wendend tot een expert aan tafel, dat het de angst is er plotseling niet meer te zijn? Precies, zei de expert, en hij plukte aan zijn puntbaardje: het is de angst zo nietig te zijn, dat de wereld blijft doordraaien zonder dat je er bent, ook al ben je er nog wel…

Misschien, zei een dame bij rondom tien, is het iets persoonlijks. Misschien, zei een ander, gaat het om de angst voor de eenzaamheid, voor de verlatenheid, alleen te zijn, het gevoel niet begrepen te worden, of jezelf niet te begrijpen.

Nee dan, zei een man, is het misschien de angst of de pijn dat mensen onverschillig zijn. Niet opvallen. Uiteindelijk niets te zijn. Nergens voor te zijn. Het gevoel betekenisloos te zijn voor de mensen om je heen, de angst om geen contact te hebben… en het gevoel dat voor zover je dat al hebt, ook de mensen om je heen uiteindelijk zelf ook maar betekenisloos zijn.

Ja, nee, zei een man in colbert, misschien is het eerder het geval van het ontbreken van emotie, angst voor jezelf, de eigen onverschilligheid tegenover de zon, een goed glas wijn, een geliefde, het niet meer kunnen genieten, al dan niet door een gemis: en het verlies van het geloof in dat er nog iets als emoties mogelijk is. Want waarom leven wij? Die angst voor die vraag is eigenlijk nog veel groter dan de angst voor de dood.

Een klein jongetje zei daarop echter: misschien heeft hij wel pijn omdat hij iemand moet missen, of ruzie heeft met iemand van wie hij houdt. Maar zijn moeder sprong op en zei: misschien is het zo erg nog niet; misschien is het een schreeuw van blijdschap, of slechts van verwondering, en niet van angst of verdriet.

Dat was zo een absurde gedachte, dat het even stil was. Zo stil, dat het even niet opviel dat het raar was, dat het stil was, dat er geen geluid klonk.

Maar er klonk inderdaad geen geluid. Want de man die schreeuwde, die was dood.


Deel dit:

De Kleine Supermarkt

Deel dit:

Er was eens een kleine supermarkt, in een middelgrote West-Europese stad. Op een avond vroeg de eigenaar van die kleine supermarkt zich iets af. Hij vroeg zich af waarom het eigenlijk in zijn branche gewoonte was om slechts de meisjes achter de kassa van een naambordje te voorzien, en niet ook de klanten. En zo kwam de eigenaar op het idee om ook de klanten bij binnentreden zo een zelfde naambordje te geven.

Het werd een doorslaand succes. De meisjes achter de kassa, om te beginnen, ze vonden het hilarisch: de klanten kregen met hun naam meteen een gezicht. En ook bij die plotseling van een gezicht voorziene klanten, althans de meesten van hen, viel dit experiment wonderbaarlijk goed. Enkelen vertrokken weliswaar naar aanleiding van de vriendelijke doch dwingende manier waarop de eigenaar de bordjes aanprees, anderen kwamen juist vaker en vaker bij deze gezellige Buurtsupermarkt, waar iedereen elkaar vanaf dat moment kende.

Er ontstond al snel een gezellige gemeente. De eigenaar werd vriendelijk gegroet sinds hij Hans heette, en tussen de schappen winkelden tegenwoordig geen meneren en mevrouwen meer, maar Jeroen, Mehmed en Joke. De meisjes groetten de klanten voortaan bij naam, en maakten veel vaker een praatje, en de zwerver Erwin verkocht beduidend meer zwerverskranten, sinds hij Erwin heette.

So far so good, zult u zeggen. Maar denkt u ook eens aan de concurrent aan de overkant van de straat: een filiaalhouder van een veel Grotere Supermarktketen, die zich tot zover altijd liet voorstaan op Service en Comfort, zogezegd de supermarkt voor de wat hippere of rijkere mensen; dat imago had de Grotere Keten!

Die Grote Keten had dan ook inmiddels altijd een hip biologisch merk, naast de bekendste luxe merken. Die laatste werden wel voor een iets hogere prijs verkocht dan elders, maar goed, om dat te verzachten was dan ook een goedkoop doch sterk eigen merk, dat meestal een gelijke of maar iets hogere prijs had dan bij de concurrent. En daarnaast was er altijd nog dat uitzonderlijk goedkope merk in de schappen, waarvoor men dan wel heel goed moest zoeken om het te ontdekken, maar wat wel de moeite waard was; want de Grote Supermarktketen stond voor

COMFORT

en vooral

SERVICE

– een consumentgericht totaalproduct –

Deze concurrent nu, althans die filiaalhouder van het desbetreffende filiaal van die concurrent, dus, moest verdomd constateren dat zijn publiek zich als een stel randdebielen met naambordjes in de plaatselijke buurtsuper stortte!

Dat, nee, dat kan natuurlijk niet!
Het valt de filiaalhouder (Wim) dan ook zwaar. Hij beseft dat hij zal moeten concurreren. Concurreren met de kennis en de slimheid van de eigenaar van de Kleine Supermarkt… plus de kennis en de slimheid van de consument nietwaar, want die had zijn keuze voorlopig gemaakt!

Die avond brandt het licht in het comptoirtje van de filiaalhouder dan ook nog laat. Het is duidelijk, dat hier staande overuren worden gemaakt.

En de volgende dag klinkt de muziek uit de speakers van het filiaal van de Grotere Supermarktketen zoals dat in een Grote Supermarkt mag klinken… harder, natuurlijk niet irritant… maar… desondanks is het feest! Slim heeft de filiaalhouder gezorgd voor hele leuke plastick kleefgezichtjes in plaats van naambordjes, en de bezoeker krijgt heel af en toe een goedkoop en smaakloos drankje aangereikt, in een plastick bekertje. Dit heeft succes.

So far so good, zult u zeggen. Maar u begrijpt, dit kan de eigenaar van de Kleine Supermarkt niet over zijn kant laten gaan.

De dag daarop staan er op de openbare weg dan ook overal Prettige Reclameborden, die meer opvallen dan de Nuttige Verkeersbewegwijzeringen, zodat u de neiging heeft er vanaf dat moment ook vanzelf achteraan te lopen, al vindt u ze eigenlijk niet zozeer Prettig, maar gewoon Irritant. Deze Prettige Reclameborden zijn er uiteraard om, u raadt het al, het winkelende publiek de Kleine Supermarkt in te leiden, en dit lukt dan ook.

En de dag daarop belt de filiaalhouder van het filiaal van de Grote Supermarkt weer Het Hoofdkantoor van de Grote Supermarktketen, zodat nog diezelfde avond de mensen als ze hun radio aanzetten op de lokale zender plotseling de naam van de Grote Supermarktketen ontelbare keren tussen de oh zo informatieve nieuwsblokken door gescandeerd horen. En we weten inmiddels uit ervaring: ook dit heeft effect. Hoe irritant u het ontelbare keren horen van die naam ook mag horen, sterker nog, hoe irritanter u het vindt, hoe meer effect, naar het schijnt.

Wat u nu had kunnen verwachten is een nogal rechttoe rechtaan en voorspelbaar en dus saai relaas, een relaas van een supermarkteigenaar van een Kleine Supermarkt, die De Strijd aangaat, en dus Nog Grotere en Opvallendere Borden gaat plaatsen, waarop de eigenaar van het filiaal van de Grote Supermarkt zich dan weer verliest in aanverwante zaken als dat hij voor veel geld nevenproducten gaat inkopen om de klant te lijmen, denkt u aan kraskaarten en spaaracties en kleine cadeautjes, waarop die filiaalhouder van de Kleine Supermarkt weer besluit tot het inhuren van een heus fanfareorkest naast de deuropening om de Klant te trekken, ja, waarop de Grote Supermarktfiliaalhouder op zijn beurt dan natuurlijk besluit een heus Circus in te huren, compleet met een Clown en een Grootmoefti en een Grote Sjampetter en een Kleine Sjampetter en trompetgeschetter, en natuurlijk een Grote Olifant, die in een Grote Optocht de Klanten meenemen, om dan natuurlijk op een slinks ogenblik de klantenmenigte, die als gehypnotiseerd achter al dat geschetter aanloopt, af te laten slaan, regelrecht het filiaal van de Grote Supermarktketen in, terwijl door al dat getetter de prijzen van al de producten in zowel die Kleine Supermarkt als de prijzen van al de producten in de Grote Supermarkt, zowel die van de dure merken als die van de eigen merken als die van de moeilijk te vinden doch spotgoedkope merken, en zelfs die van het biologische merk, weliswaar wat stijgen, maar waar de klanten, omdat ze nu eenmaal naar het achterwerk van de Olifant staan te staren het zicht op verloren hebben. Waarna we het grote grijze dier dan vervolgens kunnen gebruiken om het verhaaltje uit te blazen.

Een voorspelbaar en dus saai relaas dus, ware het niet dat de Gemeente, die eeuwige Gemeente, besluit in te grijpen, en wel met behulp van de algemeen plaatselijke verordening, en andere beleidskundige instrumenten, ondersteund door het voltallige politieapparaat, waardoor de leninistisch-marxistische partij nota bene haar kans schoon ziet om in de gemeenteraad succesvol te pleiten voor een Algemeen Verbod Op Alle Reclame-Uitingen, waaronder ook: circusoptochten, reclameborden, kraskaarten, loterijen, fanfareorkesten en naambordjes, hetgeen weliswaar een flinke streep door de werkgelegenheid van makers van reclameborden, naambordjes, clowns, de grote sjampetter en de kleine sjampetter, de grootmoefti en de trompetschetteraars, en al die andere cirusartiesten van het circus zal betekenen, maar wat de producten in de schappen van de kleine supermarkt en die van het filiaal van de grotere supermarktketen, welke namen we vanaf nu maar met Kleine Letters zullen schrijven, nogal in prijs zal doen dalen, en daar valt ook wel wat voor te zeggen nietwaar?

Hoewel aan de andere kant de kleine supermarkt dan wel weer een verdomd saaie plaats is geworden. En het filiaal van de grote supermarktketen evenzeer. En u zult zien dat de belastingen op de producten die verkocht worden, de dure merken, de eigen merken en de moeilijk te vinden doch spotgoedkope merken, navenant omhoog gaan om bijvoorbeeld het maken van de oh zo informatieve nieuwsblokken nog te kunnen betalen. En de uitkeringen voor al die clowns en circusartiesten, plus het voedsel voor die olifant, natuurlijk.

U zult misschien zeggen:

Maar waar blijft in dit amusante planeconomieverhaal toch de Consument? De Consument die is toch ook niet achterlijk? Die vraagt zich af: wat moeten wij doen, met naambordjes, reclameborden, een fanfareorkest, kraskaarten en een Circusoptocht? Donder toch op met je Circusoptocht man! Ik wil gewoon een fatsoenlijke prijs betalen voor mijn appels en mijn peren en mijn vanillevla, en mijn onsje rosbief! Ik zit helemaal niet te wachten op een hoempapamuziekje en een Olifant

Maar daar kunnen we dan weer op antwoorden:

Nee, laat staan dat de Consument, als hij in de supermarkt staat – de grote of de kleine, dat maakt niet uit – en de prijzen vergelijkt, rekening staat te houden met een goed salaris en leuke kerstcadeautjes voor dat leuke meisje achter de kassa, laat staan dat hij, nu we toch bezig zijn, een grondige analyse zou maken van de gevolgen van de logistieke inrichting van De Gehele Productieketen voor Lucht, Aarde, Water, om maar helemaal niet te spreken van de levenskansen van randproducten zoals daar zijn de Koalabeer, Orang Oetan, Gnoe en Eland… en Olifant, die hem weliswaar aan het hart liggen, Koalabeer, Orang Oetan, Gnoe, Eland en Olifant dus, maar toch niet als hij boodschappen doet?

En bovendien heeft u helemaal geen gelijk! U betaalt in het dagelijkse leven al twintig procent van uw boodschappengeld aan Regelrechte Onzin, vlaggetjes en wimpeltjes, die, u als u er bij stil staat, even vaak plezieren als dat u zich eraan ergert… en hoe dan ook snel eindigen in de prullenbak.

Vandaar dat u dus ter compensatie maar al te graag stemt op politici die u verzekeren dat lucht, aarde, water en de levenskansen van Koalabeer, Orang Oetan enzovoort, tenminste bij hen in goede handen is.

En zo is marktwerking eigenlijk niet meer dan een lege term om het hele circus van supermarkten, inclusief de invloed van de overheid daarop, te omschrijven. Want uiteindelijk, beste lezer, is hoe u voor de producten betaalt die u tot u neemt, lood om aan uw bruinomrande reet roestend oud ijzer. U krijgt zowel zin als onzin, en betalen doet u toch.

Zo, kom maar op met die Olifant!


Deel dit:

De Vogels

Deel dit:

Als je op werkdagen zo achter de ramen zit, omlijst door kunststof platen en aluminium stijlen, dwalen je ogen vaak naar boven.

Zo verspil ik elke dag bij elkaar misschien wel een uur met het kijken naar vogels. Als de zon niet schijnt, natuurlijk. Want als de zon schijnt is de grond vriendelijker om naar te kijken dan de lucht.

Meestal schijnt de zon echter niet, en zo kwam ik erachter dat er een bepaald gevogelte hier rond cirkelde dat er lol in scheen te hebben te poepen onder mijn raam. En als ik bij zonneschijn mijn hoofd heen en weer draaide zag ik mijn vermoeden bevestigd: onder mijn raam lag een grote witte plek.

Ik ben een man van analyse en vroeg mij af wat hiervan de betekenis was. Die bleek niet snel te vinden.

Hoewel niemand mij die hoop stront onder mijn raam scheen aan te rekenen begon ik mij er wel voor te schamen. Ik voelde dat die hoop meer met mij van doen had dan met de vogels; niet verstandelijk, maar intuïtief. Iedere dag bij regenachtig weer zag ik dat de druppels boven mijn hoofd wit waren, en iedere dag bij zonneschijn zag ik het trottoir onder mijn raam langzaam aan verder verdwijnen onder een laag wit schuim met zwarte en bruine en groene pitten.

Ik begon mij er schuldig onder te gedragen. Als mensen bij mij op kantoor vanaf mijn werkplek uit het raam wilden staren, dan sleurde ik ze er vandaan. Dit maakte mij verdacht.

En als ik op de weg van of naar mijn kantoor liep, negeerde ik de hoop zo opvallend, dat het mensen begon op te vallen dat ze daar lag.

Ik vroeg overplaatsing aan, naar een andere afdeling. Die kreeg ik niet.

Meer en meer begon ik mij geïsoleerd te voelen. Ik durfde niet meer vrij door de gangen te lopen naar het koffiezetapparaat, opgesloten door schaamte. De hoop onder mijn raam – het voelde alsof ze op mijn zetel lag, en mij vastplakte op mijn stoel, tegenover mijn beeldscherm.
Of alsof de zwarte en bruine en groene pitten zich bevonden tussen mij en de muren, als schakels van een lange ketting of knopen in een stevig touw.

Ik bewoog me er moeizaam onder. Ik roestte daadwerkelijk vast op mijn plek. Ook dat viel stilaan op. Dat hielp het opstaan niet. Integendeel. Op het dieptepunt durfde ik mij de hele werkdag niet meer van mijn plaats te bewegen. Ik tikte, ik keek naar het scherm, maar ik durfde mijn voeten niet eens te verzetten, laat staan dat ik durfde op te staan, of wat dan ook te doen. Ja, ik was er werkelijk ernstig aan toe.

Dit kon zo niet doorgaan. Ik besloot een buks te kopen. Bij mijn buurman. Die handelt in dat soort materialen.

Dat weekend verschuilde ik mij in een bosje en wachtte af. Al snel kwam er een zwerm vogels aanzetten. Ik schoot ze allen dood. De volgende zwerm werd ook door mij afgeschoten. De lucht hing vol met veren. In euforie werkte ik zo het hele weekend door, tot geen vogel meer in de buurt van mijn raam dorst te komen.

De volgende ochtend kwam ik laat en uitgeslapen op kantoor. Werkelijk iedereen leek een beetje overstuur. Onder ieders raam lagen veren en vogellijkjes, behalve onder dat van mij. Onder mijn raam was de stoep blinkend schoon.

En hoewel die dag de zon scheen keek ik toch die dag naar boven en ik keek in een grote, grote leegte. Daarboven was helemaal niets. Ik voelde mij vrij. Er was niets hogers meer dan ik.


Deel dit:

De Negers

Deel dit:

Ik heb geen hekel aan negers.

Negers hebben een hekel aan mij.

Iedere keer als ik om de hoek van de straat verschijn, dan blijkt het dat ik iets uitstraal dat andere mensen niet opvangen, maar waar een neger voor terug schijnt te moeten deinzen… als kreeg hij een electrische schok.

Ik kan er niets aan doen.
Het is nu eenmaal zo. Het enige wat ik ooit van een neger heb gezien is zijn rug, want als een neger mij aan ziet komen… rent hij hard en gillend weg.

Nu heeft dit ertoe geleid dat ik tot op mijn tiende verjaardag ook nog nooit een neger gezien had. Zelfs op televisie waagden de negers zich niet te vertonen als ik keek.

Het is mysterieus, dat zei ik al, want ik heb niets tegen negers. Ik kón ook niets tegen ze hebben…

Ik had er immers nog nooit één gezien. Ik wist niet dat ze bestonden.

Nu is het voor iemand die niets tegen negers heeft moeilijk vol te houden dat hij politiek correct is, als hij zich niet van tijd tot tijd gebroederlijk met negers omgeeft. Tenminste, zo oordeelde de Politiek Correcte Vriendenkring die ik na mijn adolescentenperiode betrad. En aangezien geen neger zich met mij af wilde geven, viel ik er dus al gauw buiten.

Het ging helemaal buiten mezelf om, maar toch kreeg ik de schuld. En gezien werkelijk alle negers mij meden, werkelijk alle negers, en ik in mijn eentje was, was het ook normaal dat ik de schuld kreeg. Want het is makkelijker één enkel persoon te veroordelen dan een volledig ras, nietwaar?

Zeker binnen de Politiek Correctie Vriendenkring was het ondenkbaar dat de negers zelf schuldig waren aan discriminatie, alle negers, en ik zelf niet.

Enfin, ik moest dus actie ondernemen. En om de oorzaak te bestrijden zou ik hem moeten kennen. En om hem te kennen moest ik een neger spreken. En omdat negers altijd voor mij wegvluchtten, moest ik er dus eentje vangen.

Urenlang zat ik bij een geïmproviseerde val. Wat is de ideale val voor een neger? Ik heb van alles als lokaas geprobeerd te gebruiken. De speeches van Malcolm X op papier. Alleen blanken liepen in mijn val (voornamelijk mensen overigens uit de Politiek Correcte Vriendenkring). Ik gebruikte hiphopmuziek. Exact hetzelfde resultaat. Ik probeerde het door een grote hoeveelheid softdrugs, en bananen neer te leggen. Idem dito.
Om gek van te worden.

Ik moest het kortom anders aanpakken. Op een WC-deur schreef ik: verboden voor negers, en bleef op de loer liggen. Na een korte tijd hoorde ik de deur slaan en sprong tevoorschijn, en schoof een grendel die ik buitenop de deur had aangebracht aan. Dit keer had ik beet.

Ik ging op de deurkruk staan en keek over de post naar beneden. Daar, vanuit het diepe donker keken twee wijd opengesperde witte ogen mij aan. En ze waren angstig. Ja, in die ogen vlamde doodsangst. Even kreeg ik medelijden. Maar ik moest onverbiddelijk zijn. Dus stelde ik mijn vraag:

“Waarom ben je bang voor mij?”

Het enige wat ik terug kreeg als antwoord was een verschrikte kreet.
Maar ik, nu vastberaden, stelde mijn vraag nogmaals:

“Kom op, vertel! Waarom ben je bang voor mij?”

De ogen in de duisternis keken mij hierop onderzoekend aan. Echt, er scheen iets niet te moeten kloppen met zijn negerheid dat ik hem vriendelijk, voor zover de situatie dat toestond natuurlijk, toesprak. Toen kwam er het verschrikte antwoord:

“Waarom ga je niet weg?”

Toen brak plotseling de deurkruk. Ik lazerde met een flinke klap op de grond en brak mijn rug.

Toen de ambulance me op de brancard hees, zag ik vanachter de muren om de hoeken verschillende zwarte gezichten loeren. In de ambulance zag ik dat ze door de ramen naar binnen keken. En eenmaal in het ziekenhuis bleven de negers mij aanstaren, eerst van een afstandje, daarna drongen ze zich steeds meer en meer aan mij op.

Nu ik verlamd ben, word ik omringd door zwarte mensen. Ze zijn zo nieuwsgierig dat ik bijna geen leven meer heb. Ik word achtervolgd, constant, ik word er gek van. Ze komen zo dichtbij dat ik nauwelijks meer kan bewegen, nauwelijks meer kan ademen.

Ik weet niet waarom ik zo ben. Ik weet niet waarom ik dit verdien.


Deel dit:

Hond

Deel dit:

I.

Er is naast ons een nieuwe buurman komen wonen. Men kon hem zien lopen door de tuin, en door de lege vertrekken van het appartement. Deze buurman is een pikzwarte man. Mijn vrouw zegt dat ze bang van hem is. Toch is zij niet zozeer geboren, alswel getogen in Amsterdam. Zij zou dus wel wat gewend moeten zijn.

Maar deze lange, benige man is anders dan anderen; wit of zwart… hij is anders. Een rafelig baardje wijst aandachtig naar zijn ogen, welke groen zijn.

Waar deze man vandaan komt, dat is niet te zeggen, maar, zo gaat het nu over vele tongen… hij is niet van hier.

 

II.

Ik woon samen met mijn vrouw: wij zijn onlangs getrouwd.

Mijn vrouw is veel jonger dan ik. Het heeft nog even geduurd voordat ze geen kind meer was, nog wat tijd, en nog wat moeite, daarna zijn we getrouwd.

Iemand kan wel doen alsof hij of zij zich niets aantrekt van de mensen om zich heen… we maken het onszelf zo verdomd veel makkelijker maken als we dat wel doen. Mijn vrouw wil zelf niet al te jong overkomen. Ik kan haar hiermee helpen.
Ik ben succesvol op alle fronten. Mijn kapitaal is in korte tijd uitgegroeid tot een vermogen. Onlangs kochten wij een huis in Heemstede. En onlangs kochten wij ook een golden retriever.

Dat zijn zeer lieve honden. Ik ben dol op honden, misschien ben ik wel meer dol op dieren dan op mensen, en de golden retriever past goed bij mijn vrouw. Ik zie mijn vrouw niet graag met een kat op schoot. Dat is me te ordinair.

Honden zijn zeer lieve beesten, maar de golden retriever moet aangelijnd in het groenendaalse bos. Daar lopen uitgezette runderen, tam, en ongevaarlijk. Dat zijn van die gemeentelijke projecten. Ze doen maar. Het is net zoiets als de kleine posters die aanmanen de hond in de goot te doen in geval van ontlasting. We moeten beseffen; eenieder heeft zo zijn visie op de inrichting van zijn omgeving. Ik zelf plaats de ontlasting van de hond het liefst naast een boom. Dat vind ik het meest proper. Maar ik heb mijn vrouw er laatst op betrapt naast de goot te staan, met haar witte schoenen, en de witte lange overjas die ik voor haar kocht, met de hond erin, in de goot. Ik bespiedde haar van een afstand. Ik heb er niets van gezegd, ik ben een liberaal.

Ik zal zeggen, mijn vrouw en ik kennen elkaar al twee jaar. Wij verschillen een twaalftal jaren. Ze is negentien. Toen haar moeder stierf, trok ze definitief bij mij in, dat is nu een jaar geleden. Ik woonde toen nog in Amsterdam, een flat in het centrum, met een kelder.

Ik geef toe, ik kan er niet tegen alleen te zijn. Ik kan niet zonder dat er iemand thuis zit als ik thuis kom, omdat ik als ik thuis ben ik niet genoeg aan mezelf heb. Er zijn mensen die dat kunnen, alleen zijn. Ik niet; omdat ik het niet gewend ben. Als puber was ik zo gelukkig snel een meisje te hebben – het leidde er toe dat ik de eenzaamheid nooit echt heb leren aanschouwen. Sommigen noemen dat een gemis, maar zolang ik bij mijn meisje ben zeg ik; het is gerieflijk.

Goed, ik heb het ooit geprobeerd, om alleen te zijn. Maar dat was pas jaren later. Ik vulde mezelf met drugs en eigenwaan, en zocht meisjes als WC-papier om mezelf in mijn nieuwe filosofie te sterken. Het was kortom geen succes.

Nee, liever val ik op de bank, trek mijn schoenen uit, geef het meisje een zoen en kijk ik televisie met de hond (die is gek op de programma’s van David Hasselhof).

 

III.

Na een dag was de verhuiswagen nog niet gekomen bij het huis van mijn buurman. Evenals er geen vrouw gearriveerd was, waar iedereen toch een beetje op zat te wachten.

De buren van het andere perceel dat aan de tuin van mijn buurman grenst zijn al aan de deur geweest, met een bloemetje. De man gaf niet thuis. Gelukkig komen wij niet met een bloemetje. Daar zijn wij te elitair voor (wij bemoeien ons niet met anderen), en we hebben bovendien geen kinderen. Wij geven elkaar krantenartikelen door, en kijken uit het raam naar de bomen.

Na twee dagen arriveerde een bestelbusje met wat huisraad. Donker hout. Zware meubelen, een achttal meubelen. Ze werden het huis ingedragen door twee shagrokende brede mannen in grove truien en blauwe spijkerbroeken die geen woord zeiden, en aan de deur enkele blauwe bankbiljetten aannamen, daarna vertrokken.

 

IV.

We zwijgen veel, mijn vrouw en ik, en we verzwijgen ook veel, dat weet ik zeker. Als ik haar in de supermarkt zie, van een afstand, door de ruiten, terwijl ik zelf tegen mijn niet te opvallende maar zeker wel zichtbaar dure wagen leun, zij, met haar modieus geknipte haren, en ik haar dan zie reiken naar een hoger product in de schappen… ja, dan ben ik trots op haar, en op mijzelf.

Als zij bij de ‘damesprodukten’ staat kan ik haar niet meer zien – maar ze draagt tampons.

Ze zou alles kunnen zijn. Ze heeft zo’n plooibaar gezichtje. Ze zou zó achter de kassa kunnen zitten, onschuldig en blozend, nu staat ze ervoor, hautain en met een dure portemonnaie. Ze rijdt in een Fiat Panda. Haar rijbewijs heeft ze van mijn centen bekostigd.

Net zo goed zou ze student geweest kunnen zijn op de fiets in Amsterdam, alweer een stuk dikker dan nu, van het bier en de patatten. Ze drinkt nu voornamelijk martini (walgelijk spul), en studeert kunstgeschiedenis aan de OU, interesseert zich voor zaken die haar net zo goed koud gelaten hadden kunnen hebben.

Maar geïnteresseerd zijn, dat is de hogere kunst! Eén die zij zich onlangs heeft eigen gemaakt; onontbeerlijk voor de moderne, ontwikkelde vrouw. En voor zo’n meisje nog wel makkelijk hoog te houden, als ze voor de rest de hele dag tenminste geen flikker te doen heeft en zich anders dood zou vervelen (daar komt zo’n Heemsteedse geïnteresseerdheid natuurlijk ook voornamelijk uit voort).

 

V.

De derde dag arriveerde de man na vroeg in de ochtend vertrokken te zijn in een mosterdkleurige stokoude opel kadet ’s middags thuis, met daarin nu een rafelige zwarte hond (die verder ook op zijn baas leek).

De man heeft geen gordijnen, en men kan hem tot laat in de avond door zijn voor en achterkamer zien lopen. Af en toe staat hij een boek te lezen.

De hond loopt al dagen door de tuin. Overdag loopt hij te spitten tot de zandkorrels door de schutting komen vliegen, ’s nachts jankt hij tegen de maan. Het lijkt alsof onze buurman zijn hond vergeten is. Het beest blaft tegen de kinderen die langs onze tuinen lopen, zo, dat ze dat nooit meer zullen durven doen.

De hond is dus een bizar element, en mijn buurman is daarmee, kortom, een rare kerel. Een vreemd type. In Heemstede slaat een “zonderling” in als een bom. Je hebt er wel de gekken die min of meer los lopen, van rond Vogelenzang tot op de winkelstraat met auto’s en parkeerhavens hier om de hoek, de gestoorden die af en toe de kinderen de stuipen op het lijf jagen en zingen naar de zon, maar dat zijn geregistreerde zonderlingen; zij zijn goed verzorgd en lopen met geknipte nagels en officiële toestemming na vele stempels op formulieren rond, verdwijnen na een paar uur weer naar nergens of af en toe onder een trein – daar staat niemand meer van te kijken.

Een zonderling zonder leiband vormt echter een bedreiging, en een kiemplaats van vuil.

 

VI.

Mijn meisje is jong, maar onze relatie is al wat ouder. Op een bepaald cruciaal moment hebben mijn vrouw en ik besloten over sommige zaken te zwijgen, het praten ging ons wat moeilijker af. Dat heeft onze relatie beslist veel goed gedaan.

Het koele zwijgen dat tussen ons hangt herinnert ons eraan dat wij elkaar behoren. Het is het meest intieme dat wij hebben. Oneindig veel intiemer dan de momenten van ‘geluk’, zoals men ze placht te noemen; de momenten dat wij samen lachen. Lachen is een vorm van onmacht. Lachen doe je met vreemden; zwijgen is het beste wat een mens kan bereiken.

Ik kan soms tijden lang zwijgen en kijken naar haar gave gezichtje. Zij kijkt dan terug, terwijl op dat gezichtje zich geen emoties afspelen – geen onderzoekendheid, zoals ze dat nog wel had toen wij elkaar pas kenden. Geen vraag, geen vreugde, maar een soort melancholische somberheid, die evenwel te zwak is om echt tot uitdrukking te komen – een glimlach, evenzeer als het begin van verbijstering.

Op deze momenten houd ik het meest van mijn vrouw. Soms werkt zij in de tuin. Dat vind ik dan weer jammer.

 

VII.

Soms is mijn vrouw wat somber. Ik denk dat ze dan denkt aan alle zaken die ze ook zou kunnen doen, en die ze laat. Dat hebben mensen op die jonge leeftijd; dat ze denken dat ze tijd verliezen met het ene als ze het ene doen, terwijl het andere ze hetzelfde gevoel zou geven. Mensen onder de vijfentwintig voelen zich snel oud, doen alsof met het verstrijken van ieder jaar hun leven voorbij is. Toch begrijp ik dat mijn vrouw er vaak aan denkt, dat haar leven compleet anders zou kunnen zijn – ze leidt een leven waar ze wellicht ook te jong voor is.

Althans, dat zullen velen beweren. En wie is mijn vrouw om voor de algemene opinie ongevoelig te zijn? Niemand heeft dat recht daar ongevoelig voor te zijn.

Terwijl het langer duurt dat ze al die andere levens die ze zou kunnen leiden naast zich laat liggen raakt ze er verder vanaf, mijn vriendinnetje, omdat ze de training en de gewenning ervoor mist, en omdat ze zich steeds meer vormt naar de rol die ze aanneemt. Soms neem ik haar dan in mijn armen en zeg “ik hou van jou” – en dat is daarom dan ook waar. Soms denk ik don’t let the world fuck you up. En dat zeg ik dan ook: “dont let the world fuck you up”.

En het is waar dat een mens niet kan liegen. Ieder speelt een rol, en iedereen is dat al vergeten, de tweede keer dat we ons die rol aantrekken al. We zitten al zo gemakkelijk in het cirkeltje van ons spel dat dat meteen ook het enige is wat we nog kunnen spelen, omdat al het andere niets dan wat gestuntel op zou leveren…

En ondertussen hoort niets méér bij onze persoonlijkheid dan dat wat we toevallig al die tijd al doen. Als personen zitten we ingeklemd tussen verwachtingen en gewoonte. Soms fantaseren we over wat we kunnen zijn, een hoer een ruimtevaarder of superman, en graag verwisselen we wens met realiteit, ja, we denken dat dat onze verborgen ik is…

Maar niets hoort méér bij ons dan de hapering die we laten horen als we dat willen zeggen waarvan we denken dat het ons het meest op het hart ligt.

 

VIII.

Het eerste waar de buurt over begon te klagen inzake mijn buurman was uiteraard de hond. De hond was gevaarlijk.

Nu was de hond ook het enige waarover men met recht bij deze teruggetrokken figuur kon klagen, en dat deed men dan ook, zij het niet bij hem, maar bij de slager en elkaar. Mijn vrouw en ik hadden daar evenwel niets mee te maken.

Die kijfwijven bij de slagerij, had ik mijn meisje verteld, luister niet naar ze, maar groet ze met je allerliefste glimlach (waar ik je zo om bemin) en kijk daarna met je neus naar boven – ze zijn je niet waard. Dat laatste heeft ze zich in korte tijd bijzonder goed eigengemaakt, zodat mijn vrouw bekend staat als een arrogant meisje, vrouw vanwege het geld (dat ook de rest van het werk doet).

Maar mijn buurman is ook niet wijs. Daar ben ik om totaal andere redenen van overtuigd dan die stomme hond. Wat mijn buren niet zien omdat ze het niet kunnen herkennen is de inhoud van zijn boekenkast. Die staat gevuld met hekserij, gevaarlijke westerse zwarte magie. Allemaal boeken waarvan de ongevaarlijke aftreksels met moderne slappe en veelkleurige kaften zijn terug te vinden op de plank “esotherie” van de V&D. Dat dat dan in de harde vorm bij mijn buurman staat is op zijn minst verdacht.

De bewoners van mijn buurt kijken tegen dit soort boeken aan als kookboeken, ze kijken door de ramen naar de kleur van de muren. Maar ik ben anders aangelegd. Ik ben van nature gespitst op iedere vorm van eccentriciteit die zich verbergt achter goed fatsoen. Een boek ontleent zijn kracht aan zijn band. De inhoud kan hetzelfde zijn, maar de kracht en heftigheid daarvan – en die kenmerken zijn wellicht nog belangrijker dan de inhoud zelf – worden altijd met de band onderstreept; hoe is de band verzorgt, hoe duur is zij ooit geweest? Dit zijn niet de banden zoals ze zitten om de boeken van een suffige verzamelaar. Er mist orde.

Ha! Nu zal het mij niet interesseren dat mijn buurman zich in zijn slaapkamer in een zwarte cirkel zou terugtrekken met wellicht in zijn linkerhand een verminkte amfibische levensvorm en in zijn andere hand een druipkaars teneinde zijn vloek uit te spreken over willekeurige en denkbeeldige vijanden uit alle windstreken; opmerkelijk is het wel… In dat kader was ik ook zeer gespitst op het feit dat mijn buurman een ochtend nog voor het wegtrekken der dauw uitvoerig zijn tuin aan het bezaaien was; iets wat ook in onze buurt niet als bedreigend of laakbaar wordt gezien. Ik vermaak me. Welke soorten magische planten zullen binnenkort hun stinkende adem over de huizen der buren uitstorten, en welke reactie zullen mijn brave buurtgenoten op het zien van de zwarte knoppen hebben?

Is er überhaupt een equivalent van een schoonheidscommissie in mijn buurt in de vorm van drie brave huisvrouwen die zich na verloop van tijd af zullen gaan vragen of er geen actie ondernomen dient te worden tegen stinkende distels, vliegenzwammen en dergelijke?

Welnee. Heemstede spreekt schande, en trekt zich terug in zijn tuin. En ik zal niet anders handelen. – Ik verkneukel me.

 

IX.

Mijn vrouw laat de golden retriever uit in het groenendaalse bos. Het bos vult zich met drollen van onze hond (en die van anderen). Het groenendaalse bos zou een drollenbos zijn als niet af en toe een paar arbeiders uit Haarlem in groen juten gestoken het bos opruimen, door alle drollen die zij zien te verwijderen. Zo blijft het groenendaalse bos het groenendaalse bos, zonder drollen, en de wandelpaden blijven begaanbaar voor geciviliseerde burgers die met hun kleding pronken zoals bijvoorbeeld en met name mijn vrouw, wiens lichaam er in tegenstelling tot dat van de meeste Heemsteedse geblondeerde vrouwen er nog zeker mag zijn, dit omdat zij pril en jong is.

De hond van de buren is onrustig. Het blaffen tegen de kinderen is omgeslagen in een constante productie van een heel spectrum van geluiden die men zich bij een hond niet zo gauw zou bedenken – ik hoor dat ’s nachts en ja, het klinkt bepaald griezelig. Mijn vrouw kruipt dicht tegen mij aan. Het janken wordt afgewisseld door de meest baldadige kreten van allerlei soorten gekte.

In de middeleeuwen zou deze hond afgeslacht worden als zijnde bezeten door de duivel. Misschien zou dat de juiste verklaring zijn geweest, en de juiste actie bovendien; nu wordt gewacht tot de hond op straat een kind doodt alvorens conclusies te trekken, want deze maatschappij gelooft in onschuld.

Het spitten gaat onverdroten voort. Door de schutting vliegt vaak de aarde, maar dit duurt evenwel nooit langer meer dan een minuut, daarna begint het beest raar te janken.

Mijn buurman is al een paar dagen niet meer te zien, maar dat hij thuis is kan men zien aan de wagen. Ik vraag mij af of ik aan zal bellen om hem te vragen maatregelen te nemen. Maar hier in het dorp bemoeit men zich met zijn eigen zaken, en vertelt alles wat geweten moet worden aan zijn vrouw (die vertelt het aan de slager).

Dat is juist wat ik zo prettig vind. Ben ik dan degene om deze tolerante regel te breken?

‘S nachts als wij echt niet kunnen slapen van de jankende hond bedrijf ik met mijn liefje de liefde, serieus, zwijgend en gedreven, en wanneer wij verzadigd zijn is de hond buiten vervallen in een laag monotoon gegrom dat door het vocht dat wij in elkaars mond hebben verkleurd wordt tot iets draaglijks en vredigs, in ieder geval iets dat heel ver weg is, en vallen wij toch in slaap.

 

XI.

De hond jankt. Ik hoor mijn liefje kreunen. Ik raak haar schouder aan, en ik kus haar schouder. Ik kruip dicht tegen haar aan en ik pak haar borst. Ze is wakker. Dat wist ik. Ik vraag waar denk je aan, maar zij zegt niks en draait zich om. We kijken elkaar recht in de ogen. Ik wil haar lippen met de mijne aanraken maar ik doe het niet. In plaats daarvan vraag ik haar weer: “waar denk je aan?”. Dan kust zij mij plotseling gehaast op de mond.

Ik maak mij los en ik zeg “ik hou van jou”, en het klinkt oprecht, net of ik het meen. Als ik maar lang doe alsof ben ik vast binnenkort al vergeten dat ik het niet zeker weet, dat ik twijfel of gevoel wel bestaat, en zo ja, oprecht is.

Ik blaas in haar haar en zij blaast in het mijne. Dan kijk ik in haar gezicht. Maar ze lacht niet. Ze kijkt mij roerloos aan en zegt: “ik ben zwanger”, begint dan te huilen.

En ik lach. Ik lach haar uit. Ik lach haar hartelijk uit in haar gezicht en ik zeg weer: “ik hou van jou”, ik zeg het nog een keer, en ik druk haar tegen mij aan. Wellicht heb ik nu al gelijk. Ik hou van haar omdat er nu geen weg terug meer is. Ik moet wel van haar houden, ik voel me zo opgelucht, zo opgelucht. De twijfel valt van mij af en ik lach. Nooit meer hoef ik te twijfelen want ik heb een kind. Ik krijg een kind en nu af aan zal ik nooit meer hoeven twijfelen of mensen mij geloven en of ik mijzelf geloof met mijn vrouw en mijn huis en mijn baan. Ik voel mij bevrijd en ik lach Inge uit, ja, ik lach mijn lieve vriendinnetje uit tot zij ook moet lachen want zij denkt dat ik haar toelach (misschien is dat wel zo) en we zoenen, en we voelen elkaar en voelen ons gelukkig.

We stoeien wat in bed en rollen om, we bijten elkaar en zijn opgetogen. Ik hou van mijn vriendin.

 

XII.

De hond gromt als mijn buurman de tuin inkomt. Nog even voorover hangen over de vensterbank en dan kan ik zijn bos haar vanaf hier goed zien. Hij loopt om de hond heen en poert met zijn stok tussen wat struiken, hier en daar. Het beest blijft op zijn plek zitten maar volgt zijn baas met zijn angstige ogen, heen en weer, heen en weer. Ik zie de groene ogen van de hond oplichten in het licht van de maan als hij zijn kop draait; de ogen van zijn baas zie ik niet – hij is een zwarte schim die heen en weer blijft lopen.

Als de hond reeds lang gestopt is met grommen, en slechts af en toe licht jankt verdwijnt de man weer in het huis. Enkele minuten later komt hij terug met een spiritusbrander. Ik kan niet precies zien wat hij boven de vlam uitspookt, maar na nog een paar minuten loopt hij naar voren met een kom waaruit de hond gehoorzaam begint te drinken.

… Het is toch te gek, hoeveel lawaai dat beest maakt! Ik ben anders dan de anderen; ik stoor mij niet aan mensen, niet aan beesten, niet aan het binnenlandse nieuws of aan verschijningen, maar het gejank van deze hond gaat mij door merg en been. Als ik dit zo laat beschouwen mijn buren van de andere kant me binnen de kortste keren als net zo zonderling! Dat mag niet gebeuren.

Ik sluip naar het hek. Meters van mij verwijderd hoor ik het krabben van de hond op de grindtegels. Als ik bij het gaas aangekomen ben luister ik of het krabben stopt, maar het gaat onverdroten voort. Voordat ik het gaas aanraak kijk ik om mij heen naar het geel verlichte trottoir. Er is niemand op straat. Uit mijn jas haal ik de korte nijptang, en plaats deze op het gaas. Enkele seconden laat ik hem daar rusten. Dan knip ik met een korte knip het gaas door. Even is het doodstil; het krabben is opgehouden, maar verder geen reactie.

Ik wacht weer enkele seconden en zet de tang dan weer tegen het gaas aan. Als ik knip hoor ik weer geen reactie. Overmoedig zet ik de tang voor de derde maal tegen het gaas. Als ik bijna weer knip schrik ik me een ongeluk want de hond begint plots weer te krabben.

Haastig en met een kloppende keel knip ik de rest van de strengen door, zonder om mij heen te kijken en zonder te luisteren. Als het gaas slap begint te hangen en een groot gat doet ontstaan loop ik snel weg.

Ik kom pas weer tot rust als ik mijn tuinhek door ben, het looppad belopen heb, en de deur die al die tijd op een kier stond achter mij dicht heb getrokken.

Hijgend sta ik in de gang, en ik zie mijn schichtige blik over het oppervlak van de spiegel glijden die de deur van de halkast beslaat.

Ik schud mijn hoofd als ik mijn mantel op de kapstok hang. De tang steek ik na enig nadenken in mijn jaszak. Ik loop naar de kamer, knip het ganglicht uit, duw de deur open en zie daar mijn vrouw, met opgetrokken benen op de bank. Ze leest iets van een vrouwelijke schrijfster, zo één met gevoelens, een verstandige vrouw – de hond kijkt naar David Hasselhof. “Iemand iets te drinken?” vraag ik.

XIII.

Die middag, mijn vrouw laat de hond uit in het Groenendaalse bos, gaat de bel als de thee begint te fluiten. Ik leg mijn laptop op de bank naast mij, loop naar de keuken, schakel het fornuis uit, loop door de gang naar de voordeur en doe hem open. Recht voor mij staat mijn buurman, zo dichtbij dat ik mijn lichaam een stapje achteruit breng; hij kijkt mij met verwilderde ogen aan, zo dichtbij staat hij, zo lang als de man is. – “Mijn hond…” brengt hij uit.

Hij is duidelijk in de war. Ik vraag hem wat er aan de hand is. De man begint stamelend te vertellen dat zijn hond in de war is en vraagt me dan of hij binnen mag komen. Ik nodig hem uit en bied hem thee aan. Ik wijs hem de kamer in als hij achter mij aanloopt en schenk in de keuken de thee op. Ik beweeg de pot enkele seconden heen en weer, dan haal ik het theezakje eruit. Deze leg ik op het papieren zakje, dan neem ik het papiertje met het zakje op en deponeer het in de vuilnisbak. Met de pot en twee glazen kom ik de kamer binnen. De buurman is op de poef gaan zitten, jaren vijftig design. Ik zet de pot op het tafeltje, verschuif mijn laptop en ga tegenover hem zitten.

“Mijn hond is ontsnapt.”, zegt mijn buurman als ik de thee inschenk. Hij beweegt zijn magere pikzwarte armen heen en weer voor zijn lichaam. “Mijn hond is ontsnapt en hij is momenteel gevaarlijk.” zegt hij dan. Ik trek mijn wenkbrauwen op. “U begrijpt het niet, maar mijn hond is momenteel in een trance. Hij is gevaarlijk. Ik heb u nodig om hem terug te vinden.”

Ik leun achterover en kijk de man enkele seconden aan. “Als uw hond gevaarlijk is dan is dat een zaak van de politie.” zeg ik dan, en ik wil naar de telefoon pakken, maar hij kijkt me aan en zegt dan weer: “U begrijpt het niet. Mijn hond is gevaarlijk, en ik heb u nodig om te weten wat er momenteel met hem gebeurt.”

Ik mompel wat, en de man kijkt mij nu strak aan. Zijn lange armen hangen nu voor zijn lichaam. “Ik heb u nodig. Ik kan via u te weten komen… Laat het mij uitleggen. U heeft een nuchtere natuur. Ik wil u gebruiken als medium voor mijn hond.”

Ik kijk hem aan en begin te lachen. Ik lach hem uit, maar de man blijft aandringen. “Het hoeft u geen moeite te kosten, geeft u mij slechts een voorwerp dat u het laatst bijstaat. Meer hoeft u niet voor mij te doen.” zegt hij.

Ik begin mijn zin met “het spijt me meneer” maar herinner mij plotseling het theezakje, en daarbij: ik word plotseling nieuwsgierig. Ik vertel de man te wachten en loop naar de keuken. Wat zou hij willen? Niet om het één of het ander maar dit kan interessant worden. Over mijn actie de vorige avond bij het hek voel ik mij overigens allerminst zenuwachtig. Wat zou die vent met zijn medium-zijn tegen mij weten te bewijzen? Wellicht is het verstandig mij na verloop van tijd van de tang af te maken, maar nee, ik poets hem op en leg hem keurig tussen het gereedschap, en daarnaast, het gaat hier toch om niets meer dan het doorknippen van een hek.

Ik kom terug met het papiertje met daarop het theezakje. De man neemt het van mij aan en bekijkt het. Dan bedankt hij mij: “dank u wel”. Hij brengt zijn gezicht tot vlak bij het nog warme zakje.

Een minuut lang is het stil als ik hem observeer. Na twintig seconden kijkt hij mij heel even aan – ik zie net zijn groene ogen op mij gericht, dan kijkt hij weer naar het theezakje.

Dan heft hij zijn gespannen gezicht weer op en zegt mij op een opvallend vlakke toon: “Als u van uw vrouw houdt, gaat u haar nu zoeken.”

Even is het stil; ik kijk voor mij uit.

Dan doe ik wat gedaan moet worden. Ik sta op. Als de man er niet bij was geweest was ik waarschijnlijk nog langer blijven zitten, hevig twijfelend, maar nu de man erbij zit sta ik op. Van binnen ben ik leeg als ik naar de deur loop. Koud emotieloos. Dan, als ik naar buiten loop, mijn jas aantrekkend begin ik sneller te lopen.

 

XIV.

Ik loop de laan uit en zie als ik schichtig achterom kijk de lange gestalte van mijn buurman achter mij in de deuropening verschijnen, met het opstaande, ravenzwarte haar. Als ik nog sneller begin te lopen begint mijn hart vanzelf harder te kloppen en begint de ongerustheid op te komen. Ik loop naar het Groenendaalse bos. Mijn ogen worden wijd open gewaaid door de wind, die spetters rondwaait en de mensen doet rillen; ik loop echter door. Mijn handen steken in mijn zakken en ik voel de tang. Het lijkt alsof ik mezelf met dit lopen tracht te bewijzen. Ik vraag mij onwillekeurig af hoe ik eruit zie, lopend door de regen, met een statige regenjas (ze was niet goedkoop), mijn zwartgelakte schoenen, pantalon en vastberaden ogen – mijn haar danst in de wind maar verhult niet de keurige scheiding die ik vanochtend heb aangebracht, dat ben ik. Zie ik er bezorgd uit of neutraal, of ligt dat in de ogen van de toeschouwer? Ik loop met lange passen de vier straten door die mijn huis scheiden van het Groenendaalse bos.

Ik loop met mijn lakschoenen over de modder en het grind aan het begin van het bos. In de verte zie ik enkele mensen lopen, met een hond dansend om hen heen met de bladeren in de wind. De recht aangeplante bomen met de drassige rechthoekige veldjes ernaast zijn bedekt door een dunne laag winterduisternis – bladeren liggen platgetrapt en zwart bedrabd tussen de plassen; het is vier uur.

Ik word onrustiger nu. Tot zover liep ik op mijn gevoel. Ik zou niet precies weten waar in het middelgrote wandelbos mijn vrouw zich bevindt. Ik ken het rondje dat ze normaal loopt met de hond, maar ik weet niet in welke richting ze loopt en of ze wellicht na zoveel keren soms een ander pad inslaat of af en toe wat rust neemt. Die kennis heb ik niet. Dat steekt me. Dan zie ik in de verte een groepje mensen staan. Daar loop ik op af.

Het groepje staat een eindje van het pad af. Grijze mensen met zwarte jassen die uiteen gaan als ik aan kom lopen. “De politie is gebeld.” zegt een man tegen mij. Ik kijk naar de grond. Daar ligt, met bloed op zijn kaken, de hond van mijn buurman. Dood. Zijn poten liggen in een verkrampte stand gebogen onder zijn lichaam. De wind speelt met de zwarte plukjes haar. Zijn tanden staan in een wilde grimas, en dof zijn zijn groene ogen. “Hij werd helemaal wild, de kinderen waren bang voor hem. Hij beet een os, die stond hier aan de kant, en daarna sloeg de os op hol. De os heeft hem gedood, denk ik.” zegt een vrouw met wijd opengesperde ogen. Ze heeft kort geblondeerd haar in een te verzorgd kapsel om aantrekkelijk te zijn; ze is een jaar of vijfendertig, klein en niet zo slank meer. Als ze spreekt beweegt een lichte onderkin zachtjes mee. Ik kijk ongerust om mij heen en een verschrikkelijk voorgevoel bekruipt mij. Zonder te weten waarom hol ik de mensen achter mij latend het bos in. Dunne takken zwiepen langs mijn broek, mijn jas, mijn gezicht. Ik stap in een plas maar ik merk het niet. Ik kan alleen de bomen zien en vrees wat daarachter ligt.

Ik zie dat iets groots zich heeft bewogen langs deze grond, of althans, ik denk dat te zien. Verder en verder loop ik, en als ik drie minuten zo geploeterd heb tussen deze struiken roep ik met schorre stem voor het eerst de naam van mijn vrouw: “Inge!”. En nog een keer roep ik haar naam: “Inge!”. Dan, als ik een heuveltje over loop, zie ik haar beneden mij plotseling staan in haar witte jas, zo’n dertig meter van mij verwijderd. Ze kijkt verstrooid naar beneden, de hond loopt een paar meter van haar af; een vredig aanblik. Ik wil bijna opgelucht ademhalen als ik plotseling een hevig gekraak hoor. Vijftig meter naast mij breekt uit het struikgewas opeens een massieve zwarte gestalte, en raast de heuvel af richting mijn vrouw. Ik schreeuw nu heel hard “INGE!”, de hond begint hard en snel te blaffen en mijn vrouw kijkt verschrikt naar de os en slaakt een afschuwelijke kreet – ik heb mijn vrouw nog nooit horen schreeuwen.

Het beest gaat razendsnel in de richting van mijn vrouw en als ik eindelijk de kop kan onderscheiden boort hij zijn horens in mijn meisje. “Inge!” roep ik nogmaals en struin met een vaart de helling af.

 

XV.

Wat ik zie vervult mij met afgrijzen. Als de os zijn kop opheft waarbovenop nu mijn vriendinnetje ligt word ik vervuld van een enorme woede en een enorme drang het uit te schreeuwen. En ik schreeuw het uit. Wist ik tot nu toe nog niet waarom ik hier door dit grijze aanplantbos struinde anders dan op bevel van mijn buurman, nu is het plotseling alsof op deze plek de tijd stil staat. Ik struin naar de os toe en begin hem te slaan. Met beide vuisten timmer ik op zijn zij. Op dat moment hoor ik het lichaam van Inge op de grond vallen. Ik weet niet wat ik moet doen, ik val tegen het dampende lichaam van de os aan dat stijf stilstaat, en tegelijkertijd rilt en beweegt. Ik wend mijn wang opzij en plots zie ik schrikbarend dichtbij zijn panische rode ogen, en ruik ik het schuim op zijn bek. En dan neemt het dier plots de benen en ik zijg ineen.

Ik val met mijn lichaam pardoes over dat van mijn meisje, en ik pak haar vast, en het is heel warm, en ik streel haar en ik zeg Inge, Inge, en ik vertel haar dat ik van haar hou, dat ik nu weet dat ik van haar hou, en ik hoop niet dat het te laat is, ik hoop dat zij het hoort, ik wil dat zij dat weet. Ik fluister het in haar oor, ik roep haar, ik pak haar vast en til haar op, en schud haar door elkaar. Dan klinken er in mijn oren sirenes en word ik van haar lichaam afgesleurd, tamelijk hardhandig. En als ik zie dat twee broeders haar beginnen te reanimeren en een kompres aanleggen leidt een agent mij naar een arrestantenbusje en geeft mij een kop koffie. Maar ik kan naar niets anders kijken dan naar de plek waar steeds meer mensen omheen staan, en ik vraag mij af waarom een mens pas begint te voelen wat hij is op het moment dat hij vreest dat het voorbijgaat – wanneer hij geconfronteerd wordt met de realiteit, die gevoelloos is, zonder identiteit en zinloos bovendien.

 

XVI.

Mijn meisje komt over drie weken thuis, en zal dan nog twee weken niet mogen lopen. De dokter zegt dat zij volledig zal herstellen, maar dat wij nooit kinderen zullen kunnen krijgen.

In de tuin staat nu een bord met TE KOOP – we verlaten Heemstede. Wij horen hier niet. Niemand zal ons ooit geloven. Niemand zal geloven dat we van elkaar houden als we niet naast een huis en een auto en de hond een kind zullen hebben lopen door de gepommadeerde straatjes van dit gereserveerde dorp.

Toen iedereen in ons geloofde geloofde ik ons zelf niet. Nu twijfelt iedereen aan onze relatie, bij de slager en in de rij bij de kinderbibliotheek – ik heb de Heemstedenaren echter niet meer nodig om mij ergens van te overtuigen.

De zonderlinge gebeurtenissen worden ons kwalijk genomen. We worden erger gemeden dan onze zonderlinge buurman – want wij zijn erger dan hij. Wij zijn zelf geen zonderlingen, wij gaan met ze om.

We kijken zwijgend naar de muren naast elkaars gezicht. Wij lezen tijdschriften en kijken door het raam naar de kaler wordende bomen.


Deel dit:

Roes en Regelmaat

Deel dit:

Ach ach. Je voelt je soms een hele vent – als je weg bent.

Je loopt zo zelfverzekerd, met je kin omhoog en je tred vermetel dat bruine cafë binnen. Je zwaait, lacht klapzoent en hai en dag, en ondertussen diep je die oppervlakkige activiteiten eindeloos uit: armzwaaiend met grootse gebaren, met driftige woorden, een opgetrokken wenkbrauw en een glimlach probeer je mensen te veroveren…

De wekker gaat af als een bom en scheurt je droom op gewelddadige manier aan flarden, je probeert ze nog even vast te houden… je beweegt je arm en ramt op goed geluk naar het mechaniek. Je draait je om, legt je hoofd op het andere kussen – het is nog koel – slaap verder. Je loopt naakt over straat of zo iets… voorspelbaars, natuurl… en verdomme! Weer die wekker, scheurt alles aan flarden, en je draait je nu helemaal om en… enenen… als het dan eindelijk stil is besef je dat er ditmaal geen weg terug meer bestaat. Je bent wakker.

Naast je staat een glas water.

Ik rek me nog even helemaal uit. Ik ga op mijn rug liggen. Het gordijn naast me beweegt door de wind. Een doorschijnend gordijn, het daglicht valt geel gefilterd op de muur tegenover het raam.

Ik sta op.

Het is een mooie dag als ik de gordijnen open doe. Zo mooi eigenlijk, dat ik meteen de tuindeuren opengooi. Er fluiten vogels. Op blote voeten door het gras. Ik rek me uit. Ik kijk om me heen. Auto’s, bomen, huizen; alles is nog exact hetzelfde als gisteren. Er wordt gepraat op straat. (Loop verder de tuin in.) Er staat een briesje. Je hoort spelende kinderen. Ik kijk. Kijk nog eens… Maar… ik had hier toch een fiets staan? Mijn fiets? Mijn fiets waarop ik eens kijken… ja, woensdag, (woensdag moet dat geweest zijn), woensdag nog terug naar huis gefietst ben? Toch?

Mijn fiets is uit mijn tuin gejat.

Zo geregeld, geen probleem, toch?: hij vraagt een geeltje jij zegt vijftien en hij gaat mee voor twintig –

OF IK EVEN MEE WIL KOMEN!

vraagt de snor die op mij afkomt. Hij kijkt zelfgenoegzaam. Ik kijk tegen de zon in. Aan de andere kant van mij staat ook politie. Shit. Ik neig automatisch naar gehoorzaamheid. Mijn zenuwen staan in één keer gespannen, dat wel, maar ik geef me meteen over.

Ik ben echter niet de enige! Nee! De junk! Die is er ook nog! Die gooit die fiets tegen de naderende agenten aan, zet het op een lopen! “Lopen” shreeuwt hij, valt voorover, haalt zijn handen open, hij… hij kijkt om zich heen, krabbelt op, en “lopen” schreeuwt hij, lopen! De agenten verliezen in één klap alle aandacht voor mij en schreeuwen naar de junk. Ineens is het een teringzooi. De fiets! Die ligt daar nog steeds! Ik buk, pak hem op, loop aan; ik spring in de verwarring op mijn fiets.

Trappen! Alles is in verwarring, maar de adrenaline pompt door mijn aderen dus de wereld is kristalhelder – de tijd gaat su-per-snel, en daarvan maak IK gebruik: Ik fiets mijn poten van mijn lijf. Ik fiets als een bezetene. Ik scheur de hoek om, een rustig straatje, alles lijkt goed te gaan, maar ik zweet als een otter, ik blijf doortrappen als een bezetene… “doortrappen” fluister ik in mijn oor, dus ik trap verder, als een bezetene, trap ik. Trappen! Lukraak sla ik linksaf, maar daar staan zwaailichten, blind in mijn oog! Versterkte stemmen, een bocht, een val, straatstenen en ik voel handen, overal om mij heen.

Het politiebureau. Bij de balie zat niemand. De deur gaat open met een plastic kaart. Een lange grijze gang met hoge blauwe deuren, airconditioning, verder niets.

Een plant met een dikke laag stof op de blaadjes. Van donkergroen naar donkergrijs.

Heel af en toe loopt er door de gang een ambtenaar met het gezicht strak in de plooi, die jou geen blik waardig keurt. Tegenover de ruwe behandeling in het politiebusje staat nu pure onverschilligheid. Kilheid.

Alsof je nu je bent geclassificeerd geen enkel belang of waarde meer hebt. Je bent een object dat men al kent. Labeltje erop, en in het ladekastje, klaar. Je bent niet meer in staat iemand uit zijn slaap hier te halen. Je bent onschadelijk gemaakt. Men weet wie je bent. Labeltje er op, en in het ladekastje. Klaar.

De junk heb je niet meer gezien. Misschien gevlucht, of neergeschoten, als wild. Of in een ander kamertje van dit gebouw met de veters uit zijn schoenen. Who cares.

De tijd gaat nu plotseling heel erg langzaam. Staat eigenlijk stil. Iedere seconde is voorspelbaar.

En lijkt op de vorige; Ik zit in de gang te wachten.

Belachelijk hoe de tijd soms lijkt stil te staan, niet lijkt te verlopen. En als je na ontelbare keren weer eens op de klok kijkt is er toch alweer een half uur verstreken. Onmerkbaar glijden de seconden langs je weg, oneindig, alsof ze er altijd zijn, onverschillig, alsof ze niet bestaan.

Waar waren de tijden dat iedere tijdseenheid een grove steek toebracht die je voelde door je hele lichaam – de gebeurtenissen van sensatie na sensatie. Waar is dat bewustzijn nu, en waardoor glijd je toch telkens af naar die gevoelloze zombie die je nu bent, een tijddoder, met gesloten ogen, wachtend op het einde, waarvan goed beschouwd toch niets te verwachten is?

Ongeëmotioneerd, alsof je vergeten bent te leven?

Er zijn kennelijk geen cellen in dit politiebureau. Maar ik kan er niet uit, alle deuren zijn bewaakt… of toch…

Er is tegenover je een deur die zeker niet naar de uitgang kan leiden. Zeker niet. Maar jij bent de angstigste niet. Jij bent niet de minst creatieve der creaturen, zogezegd… loop erheen… je laat je hand rusten op de klink… niemand slaat acht op je… (De Onverschilligheid. De onverschilligheid!… maar de tijd stond dan ook stil!… Kom op, we laten hem weer lopen. Je hebt het startsein in handen – en…) De deur zwaait open. Een grijs kamertje. Een ambtenaar achter zijn bureautje. Oudere man. Ingevallen wangen. Een zwakke man. Zwakke, oude, man. Hij kijkt korzelig op, wantrouwend, hij knijpt zijn oogjes iets samen: met samengeknepen oogjes kijkt hij jou aan. “Goedemiddag. Kan ik u helpen?”

(N.. Nee. Ik denk van niet.)

“Ik kom… ik kom, eh…”

“Aangifte doen?” vult het mannetje mij verveeld aan.

… “Precies. Dat is precies het geval… Ik kom aangifte doen, en wel van mijn fiets. Mijn fiets is gestolen, uit mijn tuin, ze zijn mijn tuin ingeklommen. Of ze, misschien was-ie alleen, dat weet ik niet. Waar het om gaat is dat mijn fiets is meegenomen, die schoften moeten ermee de schutting overgeklommen moeten zijn; mijn schutting! Daartegen stond die fiets namelijk, mijn fiets, tegen mijn schutting, in mijn achtertuin. Ik ben beroofd in mijn eigen achtertuin! Dat de politie daar niets aan doet, zei ik zo bij mezelf, is een schande, een grote schande, dus ik dacht zo bij mezelf, weet je wat… laten we eens aangifte gaan doen.”

“… meende jij zo bij jezelf.” vult de ambtenaar verveeld aan.

“Precies!”

Het werkt. Hij pakt een formulier en begint het samen met mij in te vullen. Naam. Straat. Geboortedatum. Telefoonnummer. Pincode. Bloedgroep. Plaats van beroving (mijn achtertuin). Pasnummer. Etc. Etc.

En toch mis ik hier nog iets. Mijn geluk is nog niet compleet. De tijd begint weer langzamer te lopen, stroever. Ik mis nog iets van hulp, uit een onverwachte hoek, ik bedoel…

“Heeft u soms…” begint het mannetje dan, stokt even, “Misschien vind je het een vreemde vraag, maar… heeft u, ik bedoel, heb je soms behoefte aan… ehm, slachtofferhulp?”

“JAAAAA! Slachtofferhulp! Natuurlijk! En dat zegt u me nu pas? U laat mij hier zo zitten ZONDER HULP? Ik heb hulp nodig, ja, HULP! HULP! SLACHTOFFERHULP, NU!”

Meteen grijpt de ambtenaar in paniek naar zijn telefoon, zijn ogen constant nerveus nu op mij gericht, trillend handje… en de telefoon heeft ook nog eens een ouderwetse draaischijf! Ach ach.

— Zwaailichten, sirenes, piepende remmen, voetstappen, de deur vliegt open, en daar staat Slachtofferhulp! Een dame met bril in ruitjesrok. “Vertel mij, heb je pijn? Heb je pijn? Hebben ze je au gedaan?”

“JAAA! Help mij! Ik ben hulpbehoevend! Ik ben slachtoffer! De tijd staat stil, ze vermoorden me, ik zit in een geestelijke impasse, help! HELP! Help me hier uit, NU!”

“Hij moet mee. En wel nu.” Zegt Slachtofferhulp kordaat, en de oude ambtenaar stamelt slechts zoiets als ja, ja, ja.

“Het gaat alweer een stuk beter. Dank u wel.” zeg ik tot Slachtofferhulp als zij mij tot buiten het bureau heeft gebracht. “Dank u wel. U weet niet wat voor hulp u voor mij geweest bent.”

Ze kijkt mij vragend na als ik de straat uitloop.

In de volgende straat staat een man met bloedende handen en een fiets aan zijn hand.

“Hoe gaat het? Vijfentwintig? Vijftien. Twintig? OK. Bedankt, he. En succes. Tot ziens.”

Je bent nog net op tijd voor je afspraak met wat vrienden. Je loopt zelfverzekerd en met vermetele tred het bruine café binnen. Je klapzoent en hai en dag, klaar voor wat trivialiteiten daartussen. Je schuift aan. Bier!

Het gesprek gaat over van alles en nog wat. De tijd kabbelt voort zonder sprongen, zonder verschuivingen, maar zeker, en merkbaar nu. Ik hoor “Dit is prachtig.” en “Dat is klote.”, “Dit moet gebeuren.” of “Dat is gebeurd.” en daarna wordt de discussie filosofisch. Er wordt wat geargumenteerd, en na een tijdje vraagt iemand in het gezelschap aan mij of ik ook niet vind, dat het leven toch maar in wezen een slepende regelmaat is.

“Regelmaat? Er is geen enkele eenheid! Alles verschijnt en verdwijnt zonder reden! Echt! Echt waar! Regelmaat bestaat niet! Er is geen enkele regelmaat…

We vormen zelf wat regels, ja, en formuleren wat begrippen… We maken daarmee een netwerk, we spreiden dat over de wereld uit om er blind en slapend in te kunnen overleven… Maar ach… die mazen van dat netwerk zijn zo groot, zo groot, dat iedere keer als ik struikel en val, en gedwongen wordt te kijken… de Wereld tussen die mazen door lijkt te sijpelen in zijn eigenlijke vorm; chaotisch, wonderlijk, onverklaarbaar… beangstigend soms, gruwelijk, maar tegelijkertijd heel erg mooi.”

Even is het stil. “Wat diep.” zegt een meisje links van mij als ze mij aankijkt. Ze is lief.

Maar ze heeft ongelijk.

Ja, zeker, je zei het armzwaaiend en met grootse gebaren. Met een opgetrokken wenkbrauw en een glimlach heb je deze mensen veroverd. Maar wat je zei was puur oppervlakkig. Een zo weidse beschouwing, een zo grof netwerk, dat je de werkelijkheid zelf met je woorden geen moment ook maar hebt aangeraakt.


Deel dit: