To Facebook or not to Facebook – (of is dat niet de vraag?)

Deel dit:

LONGREAD – Over de voordelen en de gevaren van Facebook en andere sociale media; over hoe die gevaren zijn te tackelen, en waar het debat over privacy en nepnieuws zich op zou moeten concentreren.

Dat Facebook de laatste tijd nogal negatief in het nieuws is geweest zal weinig mensen ontgaan zijn. In de verenigde staten moest CEO Mark Zuckerberg zich verantwoorden over datalekken in zijn systeem. In ons land riep Arjan Lubach in zijn programma op om massaal de Facebook-accounts te verwijderen, waarbij hij zelf het goede voorbeeld gaf.

Uiteindelijk werd slechts 0,02% van alle Nederlandse accounts gedelete. Maar de discussie over to-Facebook-or-not-to-Facebook is nog steeds springlevend.

Laag niveau

Het is prima dat de discussie gevoerd wordt, maar het niveau van de discussie is op dit moment naar mijn mening ontzettend laag. Zo maakte Lubach een filmpje waarin hij de belangrijkste ontwikkelingen rond Facebook verzweeg. Sowieso doet de hele discussie over privacy en nepnieuws de ontwikkelingen rond die zaken naar mijn idee geen recht. Vooral journalisten doen hun werk op dit vlak erg slecht, want de wetgever is al veel verder dan de meeste mensen vermoeden.

Hoe moeten mensen nu iets verstandigs kunnen zeggen over sociale media als de pers niet eens de moeite neemt ze voor te lichten over de stand van zaken?

Lees verder To Facebook or not to Facebook – (of is dat niet de vraag?)


Deel dit:

Steeds als ik zin van het leven te pakken heb komen ze weer met iets nieuws

Deel dit:

DE moderne filosofie lijkt de vraag ‘hoe moet ik leven’ een beetje in de steek gelaten te hebben. Voor de Griekse en Romeinse filosofen stond die vraag centraal, tegenwoordig hebben filosofen het liever over ‘wat is waar’… Lees verder Steeds als ik zin van het leven te pakken heb komen ze weer met iets nieuws


Deel dit:

Negatieve inkomstenbelasting: beter dan een basisinkomen?

Deel dit:

Een negatieve inkomensbelasting kan voordelen van een basisinkomen combineren met voordelen van ons huidige sociale stelsel

Ieder mens heeft recht op het bestaansminimum. Geen enkel mens zou honger moeten lijden, zich zorgen moeten maken om onderdak, of met onbetaalde rekeningen moeten zitten omdat het geld er gewoon niet is. Als dit niet goed geregeld is, dan is dat niet alleen slecht voor deze mensen zelf, het jaagt ook de samenleving op kosten. Want armoede kost geld. Daar zal in Nederland anno nu misschien niet iedereen het mee eens zijn, maar de overgrote meerderheid wel. En toch krijgen we het in onze welvaartsstaat niet voor elkaar.

Lees verder Negatieve inkomstenbelasting: beter dan een basisinkomen?


Deel dit:

Worstelen met referenda

Deel dit:

Er is veel mis met de huidige referendumregeling, maar betekent niet dat een referendum altijd een slecht idee is. In een andere vorm zouden referenda een bijzonder waardevolle aanvulling zijn op ons politieke systeem

Het referendum over het verdrag van de EU met Oekraïne roept met name veel verwarring op. Deze verwarring wordt door sommige opiniemakers als bewijs aangehaald dat het hele idee van een referendum niet zou deugen. Arnon Grunberg bijvoorbeeld stelt in Vrij Nederland botweg dat politiek toch veel te ingewikkeld is voor de emotionele burger, en dat we het daarom beter bij verkiezingen kunnen houden. Voor mij deugt die redenering echter niet. Als het volk werkelijk te onwetend en te emotioneel zou zijn om te kiezen bij een referendum, dan geldt dat namelijk nog veel meer voor verkiezingen. Het is immers veel makkelijker over één onderwerp je mening te bepalen, dan over de hele politiek. Dus als dit argument geldig zou zijn, dan dienden we allereerst de verkiezingen af te schaffen, en juist eventueel slechts referenda toe te laten – of helemaal niets.

De noodzaak van democratie
Maar wie zo redeneert, begrijpt de ware reden voor de noodzaak van democratie niet. Democratie is noodzakelijk, omdat het bewindvoerders dwingt om draagvlak te zoeken voor wat zij doen. Zonder die dwang is de kans veel te groot dat zij alleen maar voor zichzelf zorgen. Dat laat de geschiedenis ons maar al te goed zien. En in het verlengde daarvan klopt ook dat andere argument niet dat vaak tegen referenda gegeven wordt, namelijk dat wij politici nu eenmaal kiezen om zich te verdiepen in de nuances van de politiek, en dat het daarom niet zou passen in ons systeem dat mandaat via een referendum te doorkruisen. Het is hetzelfde als zeggen dat wie een boekhouder inhuurt om voor hem zijn financiële administratie te doen, ook geen recht zou hebben die boekhouder dan vervolgens op bepaalde momenten terug te fluiten. Dat recht heeft hij natuurlijk wel, en het zou zeer onverstandig zijn dit op te geven in de ruil voor het recht om eens in de vier jaar een andere boekhouder te kiezen. Iemand die zo zijn bedrijf runt neemt veel teveel risico met onbetrouwbare boekhouders, en zo werkt dat naar mijn mening met de samenleving net zo.

Vandaar dat ik wel degelijk veel zie in referenda. Maar referenda dienen dan wel scherpe en nuttige referenda te zijn, en de huidige referendumregeling levert zulke referenda niet op. Het huidige referendum is in de eerste plaats zo slecht, omdat het niet over één enkelvoudige beslissing gaat, maar over een heel verdrag. Als er uit dit referendum een Nee komt, dan is het volstrekt onduidelijk waar dat Nee dan tegen is. Gaat het over de inhoud van dit verdrag, zoals de SP stelt? Of is het een Nee tegen het hele idee dat er een verdrag gesloten wordt met Oekraïne, de mening van GeenStijl en Wilders? En als het toch over de inhoud gaat, over welk deel van de inhoud gaat het dan? De meningen over al deze vragen zijn in het Nee kamp zwaar verdeeld, en daarmee wordt met een Nee een volkomen onduidelijk signaal gegeven. Deze onduidelijkheid wordt nog groter doordat de meeste mensen die zeggen Nee te willen stemmen vooral met argumenten komen die met de referendumvraag helemaal niets te maken hebben.

Eisen aan een referendum
Een echt nuttig referendum zou daarom nooit over een heel verdrag mogen gaan, of zelfs maar over een wet, maar over een statement dat in slechts één wetsartikel past. Pas dan is er bij een Nee een duidelijke uitspraak, en anders niet. Daar staat tegenover dat in een werkelijk volwassen referendumdemocratie de referenda niet alleen maar over nieuwe wetten gaan, maar vooral op initiatief van de bevolking plaatsvinden. Verplichte referenda lijken mij onzin, maar als een substantieel deel van de bevolking achter het maakt niet uit welk voorstel staat, dan is het sowieso de moeite waard daarover te stemmen. Maar laten we dat dan wel op voorwaarde doen dat mediaconcerns zich tijdens het verzamelen van de handtekeningen dan niet mogen uitspreken.

En zo zijn er nog wel meer redelijke eisen aan een referendum te stellen. Wanneer een voorstel geld kost bijvoorbeeld, zou dit voorstel voorzien moeten zijn van een redelijke dekking. Ook zou een voorstel nooit in botsing mogen zijn met hogere wetgeving: als mensen dat willen, dan houden ze maar een referendum over die hogere wetgeving. Door dit soort regels wordt een referendum scherp en gericht. Misbruik is niet meer mogelijk. Als er tegen dit soort voorwaarden referenda gehouden zouden worden, dan zou de uitslag mijns inziens ook altijd bindend moeten zijn. Opkomstdrempels vertroebelen in dat geval alleen maar de uitslag en zijn dus ongepast.

Een referendum dat zo vormgegeven zou worden, zou de kloof tussen de burger en de politiek werkelijk kunnen dichten. Niet alleen dwingt het onze vertegenwoordigers nog eens extra te luisteren naar de bevolking, het dwingt aan de andere kant de bevolking om zich te informeren en haar eisen scherp te formuleren. Zulke referenda zouden rookgordijnen kunnen slechten in plaats van optrekken, en besluitvorming kunnen vergemakkelijken en zelfs versnellen in plaats van alleen maar te frustreren. Zij geven bovendien in het politieke debat de redelijke meerderheid de kans te laten weten dat mensen met een hete kop en een grote mond wel veel lawaai maken en zo vaak de toon zetten, maar daarmee nog niet zomaar altijd de meerderheid vormen. Zij maken de democratie volwassen.

Misbruik
Het mag echter duidelijk zijn dat de huidige referendumregeling en het huidige referendum totaal niet aan deze logische eisen voldoen. En dat is dan ook precies de reden waarom dit referendum zo goed te misbruiken blijkt voor een diffuse en louter destructieve populistische agenda. Het is vooral tegen dit misbruik waarvoor ik woensdag mijn stem zal laten horen. Democratie is een serieuze zaak. En dat geldt ook voor een goede relatie van de EU-landen met hun buren, en daar horen afspraken bij. Ja, er is heel veel mis met de EU, en er zijn zeker een paar van die misstanden die in dit verdrag bevestigd worden. Maar dit referendum gaat niet over de inhoud van EU-verdragen in het algemeen. Daar zijn gelukkig andere facties en initiatieven voor. Voor de EU is het verdrag in lijn met andere verdragen die de EU in het verleden sloot, en over het algemeen is wat we willen afspreken lang niet zo slecht, vooral omdat er ook aandacht is voor recht, democratie en corruptiebestrijding. Misschien niet zoals de SP of ik het graag zou zien, maar alleszins beter dan anarchie of Russische overheersing. Of de deal goed is voor de Oekraïners, dat moeten ze vooral zelf weten. Dat moeten wij niet voor ze bepalen. En wat Poetin van dit alles vindt? Als we ons daar wat van aan zouden trekken in het aangaan met relaties met onze buurlanden, dan is de Russische beer pas echt los.

Zo bezien is de referendumvraag kortom echt niet zo moeilijk. Wat het ingewikkeld maakt, is dat veel facties proberen het referendum te misbruiken voor andere agenda’s. Soms goed bedoeld, maar soms ronduit kwaadaardig, zoals blinde anti-EU-obstructie of zelfs pure aandachttrekkerij voor de eigen partij of weblog. Van een dergelijke beweging valt niets goeds te verwachten. Daarom stem ik woensdag met liefde vóór een referendum, en tegen rookgordijnen en het misbruik van de democratie.

Dit artikel verscheen eerder op Joop.nl.


Deel dit:

Het vluchtelingenvraagstuk opgelost

Deel dit:

Een goede oplossing voor het Europese vluchtelingenvraagstuk is niet zo moeilijk te verzinnen. Hoe dan? Laat lidstaten geld verdienen met een goede opvang.

Het vluchtelingenvraagstuk houdt de EU nu al een jaar lang bezig en een oplossing wordt maar niet gevonden. De reactie die Nederlandse politici vooral gaven is paniek zaaien. Om het hardst lopen ze te gillen dat we “overspoeld” worden, “het niet aankunnen”, en dat “de verzorgingsstaat in gevaar is”. Het is overtrokken onzin, en daarbij heeft uiteindelijk helemaal niemand hier iets aan. Verder komen ze met waanzinnige plannen om “de grenzen dicht” te gooien of om vluchtelingen terug te sturen. Daarmee belazeren ze het publiek. Dichte grenzen, opvang in de regio, terugsturen, dat is al decennialang staand Europees en Nederlands beleid. De grenzen kunnen simpelweg niet méér dicht zijn dan ze al zijn, tenzij we met scherp op mensen gaan schieten. Wie daarvoor is, die moet vooral op een fascistische partij stemmen, waarvan er in ieder Europees land wel één aanwezig is. Van andere partijen en burgers mag ondertussen wel wat meer realiteitszin geëist worden, en een voortvarende aanpak van het probleem.

Oorzaken wegnemen
Helaas is de EU-top ondertussen bezig zich meer afhankelijk te maken van de dictator Erdogan, door de opvang aan hem over te laten, en hem daarvoor te willen belonen. Ook dit is een doodlopende weg, omdat Turkije nu eenmaal geen land is dat de mensenrechten respecteert en het laat zich ook niet controleren. Het subsidiëren van de regering Erdogan is gezien de houding tegenover de mensenrechten van dit regime ook het laatste wat we zouden moeten willen. Een doodlopende weg.

Zolang de oorlogen om de EU heen niet beëindigd zijn en de onderdrukkende regimes niet vervangen zijn door regeringen die respect hebben voor de mensenrechten, blijven er vluchtelingen komen. Dat is gewoon een feit. We kunnen proberen de wereld om ons heen wat mooier te maken, door bijvoorbeeld onze eigen energie op te wekken en al helemaal geen wapenhandel toe te staan met foute regimes, zoals bijvoorbeeld dat van Saoedi-Arabië. Maar ook als we dit zouden doen was er daarmee nog geen wereldvrede. We kunnen daarover gaan jammeren, maar daarmee komt een oplossing geen stap dichterbij.

Opvang regelen
Wat wij nodig hebben om de instroom van de asielzoekers op te vangen, zijn politici die serieus werk maken van de opvang die noodzakelijk is zolang de asielinstroom er eenmaal is. Merkel is één van de weinigen die dat doet. In ons land zijn het Jesse Klaver en op enige afstand daarvan Pechtold en Roemer die bepleiten er dan maar het beste van te maken. Helaas hebben deze politici last van de lafheid van de anderen, hun collega’s binnenlands, maar vooral die uit andere landen. Want zolang niet iedereen zijn steentje bijdraagt zijn de aanpakkers als Gekke Gerrit, die ongewild ook het vuile werk van anderen opknapt.

Sommige partijen, zoals de Europese Groenen, stellen daarom voor om lidstaten te verplichten hun deel aan de opvang bij te dragen. Maar daar zullen zij nooit de handen voor op elkaar krijgen, want de lidstaten willen er niet mee instemmen dat ze zelf gedwongen worden. Met name de staten die nu al weigeren hun steentje bij te dragen zullen dat niet doen. Maar ook andere landen zijn niet happig op het inleveren van weer een stukje soevereiniteit.
De lidstaten die wel aan opvang doen, doen dat ondertussen met flinke tegenzin en kiezen voor de slechtste aanpak mogelijk: het zo sober mogelijk opvangen van vluchtelingen, in de hoop dat die dan liever naar een andere lidstaat gaan. Het zorgt voor slecht geïntegreerde mensen in heel de EU en dat is nu juist de grootste bedreiging van die vluchtelingenstroom. Sobere opvang bieden uit angst voor slecht geïntegreerde vluchtelingen is een selffulfilling prophecy. We graven daarmee ons eigen graf.

De oplossing
Niemand lijkt de oplossing te zien voor deze patstellingen, terwijl die eigenlijk toch zo eenvoudig is. Laat de EU niet Erdogan subsidiëren, maar de eigen lidstaten. En laat niet de lidstaten, maar de EU zelf betalen voor de opvang, beoordeling en integratie van de nieuwkomers.

Zie het zo: een land dat erin slaagt die dingen te regelen, krijgt daarvoor subsidie van de EU. Daarbij is het van belang dat de EU strenge eisen stelt aan de snelheid en kwaliteit, en daarop controleert. Denk dan aan controles op het snel beoordelen, het verkrijgen van voldoende taalniveau, een examen mensenrechten en het vinden van huisvesting. Hoe die zaken bereikt worden is dan aan de landen zelf. Maar lidstaten die erin slagen dit voor nieuwkomers te regelen krijgen daarvoor betaald en wel zoveel dat de gemaakte kosten ruimschoots vergoed worden.

Onafhankelijkheid
Veel lidstaten zullen binnen de kortste keren staan te dringen deze opvang te regelen, want het betekent werkgelegenheid en werk is nu juist datgene waaraan het veel landen ontbreekt. De lidstaten die liever niet aan het integratiebeleid meedoen kunnen zich dan aan die plicht onttrekken zonder scheve ogen te krijgen. Helemaal mooi zou het zijn als de EU haar budget ook onafhankelijk van de lidstaten krijgt, zodat er ook geen gemopper meer is over de bijdragen van landen aan de EU en de interne verhoudingen van de afdrachten. Dat kan door een EU-accijns op brandstof in te voeren zoals D66 laatst voorstelde, of door simpelweg de accijnzen voor de import voortaan door de EU te laten innen.

Natuurlijk, tenzij de EU op een ander gebied bezuinigt (landbouwsubsidies?) brengt dit een netto lastenverzwaring met zich mee. Maar in ieder geval hoeft er dan geen subsidie meer naar Turkije. Bovendien is het geld dat nodig is om vluchtelingen op te vangen – vergeleken met de nationale begrotingen – peanuts, en die moeten we dan maar voor het oplossen van een crisis en het stimuleren van de werkgelegenheid overhebben. Gratis oplossingen bestaan niet. Het wachten is op politici met de eerlijkheid en de moed om dat naar hun kiezers te brengen, en kiezers die beseffen dat politici die anders beweren niets dan leugenachtige lafaards zijn.

Dit artikel verscheen eerder op Joop.nl.


Deel dit:

Het basisinkomen is aan de winnende hand

Deel dit:

Het basisinkomen is geen ‘zomerzotheid’ zoals oud-minister Willem Vermeend en econoom Rick van der Ploeg in de Telegraaf beweren.

Afgelopen weekend verscheen in de Telegraaf een column van de lakeien van het ‘ancien regime’, Vermeend en van der Ploeg. Zij meenden het klootjesvolk in de Telegraaf te moeten waarschuwen voor de discussie over ‘het basisinkomen’, dat zij af probeerden te doen als ‘zomerzotheid’.

Ouder dan deze zomer
De discussie die momenteel gevoerd wordt over het basisinkomen is echter al wat ouder dan deze zomer. In Zwitserland werd in 2013 besloten tot het houden van een referendum over het basisinkomen. In datzelfde jaar organiseerden verschillende organisaties, in Nederland de vereniging voor het Basisinkomen, een petitie voor een Europees burgerinitiatief, dat uiteindelijk de benodigde hoeveelheid stemmen niet haalde. Maar in de zomer van 2013 besteedde weblog Sargasso.nl er daarom wel een uitgebreide serie aan. In de herfst van 2013 pakte de Correspondent het stokje over en creëerde een social-mediahype rond het basisinkomen.

Vervolgens werden in 2014 op de congressen van drie partijen, D66, de PvdA en GroenLinks, moties aangenomen voor onderzoeken naar een basisinkomen. In januari schaarde de landelijke fractie van GroenLinks zich deels achter deze beweging van onderop, door op te roepen tot een plichtenvrije bijstand als mogelijke eerste stap. Inmiddels wordt daar in 47 gemeenten serieus over nagedacht, of zijn er al vergevorderde plannen voor experimenten daarmee.

Haaks op het beleid van Rutte II
Dat is wel wat anders dan zomaar wat ‘zomerzotheid’. Hoe heeft dit kunnen gebeuren? Het antwoord wordt impliciet in het geschrift van Vermeend en van der Ploeg gegeven: het basisinkomen staat als gedachte haaks op het zogenaamde ‘activeringsbeleid’ van Rutte II. En het is juist dat beleid dat volkomen failliet is.

De huidige bijstand is namelijk een gedrocht van zinloze controles die buitengewoon veel geld aan administratie kosten, alleen maar om mensen te dwingen te zoeken naar banen die er niet zijn. Het boetesysteem dat dit kabinet invoerde is daarbij niet alleen volledige willekeur, het jaagt de kostbare armoedeproblematiek aan, en is zodoende een schijnbezuiniging. Het feit dat wie tijdelijk wat verdient in de bijstand door de ambtelijke molen wordt gehaald en alles moet terugbetalen zorgt er bovendien voor dat je als bijstandsgerechtigde maar beter op de bank kan blijven zitten als je niet in de moeilijkheden wil komen. De verplichte trajecten tenslotte kosten banen.

Naast geldverspilling vormt de huidige bijstand een systeem van mensonwaardige bureaucratie. Dat moet en kan anders, en het is niet gek dat dit in gemeenten het eerst gevoeld wordt. Zij zijn immers belast met de uitvoering van die waanzin van Asscher en Klijnsma, en zien zich als eerste geconfronteerd met de zinloosheid ervan, alsmede met de hoge kosten aan collateral damage.

Halve waarheden en verdraaiingen van feiten
Door het verkondigen van halve waarheden en verdraaiingen van de feiten proberen Vermeend en van der Ploeg de Telegraaflezer er echter van te verzekeren dat ze zichzelf vooral niets in hun hoofd moeten halen. Om te beginnen de pathetische poging de hele discussie af te doen als een zomerhype. Daarnaast stellen ze dat bij de experimenten met het basisinkomen niet meer gecontroleerd zal worden op zwart werk. Onzin. Overigens is zwart werk juist een stuk minder aantrekkelijk voor mensen die niet alles hoeven in te leveren als ze opgeven wat ze bijverdienen, dus zal het sowieso eerder minder dan meer voorkomen.

Ook de bewering dat mensen in de experimenten concurrentievervalsing vormen hoeft niet waar te zijn: in veel van de proeven mogen de proefpersonen niet alles houden. Het zou dan ook geen rechtvaardige proef met een basisinkomen zijn, want met een ‘echt’ basisinkomen zouden mensen ook onder een zwaarder belastingregime vallen. Ook GroenLinks merkt in haar manifest op dat mensen met een plichtenvrije bijstand niet alles zouden mogen houden: in ieder geval ligt er een plafond bij het minimumloon.

Vervolgens wordt in het stuk de SP opgevoerd als bondgenoot, die vreest dat het basisinkomen zal dienen als hefboom voor een verdere afbraak van andere uitkeringen. Maar dat hoeft natuurlijk helemaal niet zo te zijn. De angst dat met de gemeentelijke proeven de toeslagen zullen verdwijnen lijkt in ieder geval ongegrond, want de gemeenten gaan helemaal niet over toeslagen. Daarbij is de SP alles behalve fan van het ‘activerende’ beleid voor de bijstand van Rutte II, dat Vermeend en van der Ploeg in hun stuk verdedigen.

Paniekvoetbal
Tenslotte komen van der Ploeg en Vermeend parmantig met een paar ‘rekensommen’ die werkelijk te lachwekkend voor woorden zijn. Over de experimenten met een plichtenvrije bijstand plotseling geen woord meer, ze gaan hier uit van het ‘pure’ basisinkomen, en dreigen de werkende Telegraaflezer met een verhoging van de belastingdruk van 25%, terwijl ze verzwijgen dat dit geld via het basisinkomen ook weer bij hen terug komt.

Het hele stuk van Vermeend en van der Ploeg leest als een staaltje paniekvoetbal, en is met name een teken dat de voorstanders van een fundamentele verandering in de sociale zekerheid aan de winnende hand zijn. De reacties onder het artikel zijn dan ook duidelijk in een overtuigende meerderheid steunbetuigingen voor het basisinkomen. En dat is maar goed ook, want om het sociale stelsel weer uitvoerbaar en betaalbaar te maken, prikkelend, en een betrouwbaar vangnet bovendien, zal er een volledig andere route gekozen moeten worden dan Rutte II nu bewandelt.

De uitkomsten en het vervolg
De uitkomsten van de experimenten met het basisinkomen staan vooraf eigenlijk al vast. Natuurlijk leidt het geven van vrijheid en het belonen van mensen tot meer economische activiteit, met als bonus meer levensgeluk en een betere gezondheid. Dat is nu al tientallen malen bewezen. Het afschaffen van zinloze bureaucratie is daarbij een stuk goedkoper dan het volhouden.

De grote uitdaging is de volgende stap: het openstellen van de nieuwe bijstand voor ieder zonder voldoende inkomen, ongeacht de reden. Leidt dit ertoe dat mensen massaal hun baan opzeggen? Alle tekenen wijzen de andere kant op. In ieder geval is het een heel effectieve methode om armoede te bestrijden, en dat levert veel winst op. Maar onderzoek hiernaar is daarmee pas echt de lakmoesproef voor een andere vorm van sociale zekerheid.

Dit artikel verscheen eerder op Joop.nl


Deel dit:

Proeven aan het basisinkomen: de vrije-inloopbijstand

Deel dit:

Een proef met de vrije-inloopbijstand is de ultieme lakmoesproef voor het huidige sociale stelsel.

Momenteel staat een heel aantal gemeenten te trappelen om proeven te doen met ‘het basisinkomen’. In veel gevallen zijn GroenLinks en D66 de aanjagers daarvan. Waar bij D66 vooral de lokale afdelingen warm lopen voor dit idee en het landelijk kader zich daarvan distantieert, heeft bij GroenLinks ook het landelijk kader zich voor dit soort experimenten uitgesproken.

Neem de term basisinkomen’ hier trouwens met een korrel zout. Het gaat hier meestal om proeven met mensen in de bijstand, die vrijgesteld worden van alle plichten, en de mogelijkheid krijgen om bij te verdienen. Vaak wordt aan dat bijverdienen dan een maximum gesteld, maar niet in alle gevallen. Lees verder Proeven aan het basisinkomen: de vrije-inloopbijstand


Deel dit:

De regendans van Maarten Struijvenberg

Deel dit:

‘De wethouder van Rotterdam kan niet rekenen’

Als ergens de ‘strenge bijstand’ is doorgeslagen dan is het wel in Rotterdam. Afgelopen donderdag had de Rotterdamse ombudsman geen goed woord over voor deze aanpak. Volgens hem ervaren mensen de verplichte trajecten en tegenprestaties als volstrekt zinloos, vernederend, en zorgt het er niet voor dat mensen eerder een baan vinden.

Geconfronteerd met deze kritiek stelde de Rotterdamse wethouder Struijvenberg op NPO Radio 1 dat met dit beleid wel 12% minder instroom en 7% meer uitstroom wordt bewerkstelligd. Niet zeuren dus: het beleid ‘werkt’. Maar is die bewering ergens op gebaseerd?

Instroom en uitstroom
Hoewel ik ze niet heb kunnen controleren wil ik best geloven dat Rotterdam momenteel minder instroom en meer uitstroom in de bijstand heeft dan vorig jaar. Maar dat kan net zo goed liggen aan de aantrekkende economie of andere factoren dan aan het gevoerde beleid. Dat wordt zelfs heel aannemelijk als we de landelijke cijfers naast de cijfers van de gemeente leggen. Dan blijkt dat in Rotterdam, dat al jaren voorop loopt met de ‘strenge bijstand’, sinds 2011 de uitstroom uit de bijstand juist sterk achterblijft bij de landelijke trend.

En dan de zuinigheid van het beleid zelf. Een paar maanden geleden deed Struijvenberg een juichbericht uit dat de gemeente Rotterdam met controles, boetes en re-integratietrajecten maar liefst 9 miljoen had bespaard. Dat lijkt veel, maar helaas is dat maar 2% van de totale Rotterdamse begroting voor de bijstand, terwijl de kosten van die controles en trajecten bij elkaar maarliefst 20% van de begroting uitmaken. Struijvenberg besteedt dus meer dan 20% om 2% te kunnen besparen.

Struijvenberg zal erop wijzen dat hierdoor in Rotterdam minder instroom in de bijstand is. Maar met 12% minder instroom en 2% bezuinigingen als we Struijvenberg mogen geloven tegen 20% meer kosten komt hij nog steeds negatief uit. En die lagere instroom, is dat omdat mensen in Rotterdam door dit beleid hun oude inkomen behouden of nieuw inkomen vinden? Dat valt absoluut niet vol te houden. Van enig positief effect op werkgelegenheid is met de strenge bijstand geen sprake. Sterker nog: het beleid kost volgens de FNV zelfs banen. De bezuiniging komt dus voort uit het weigeren van uitkeringen aan mensen die daar met ander beleid wel recht op zouden hebben. En tegen welke prijs?

Schuldenproblematiek
Veruit de meeste mensen die in deze tijd zonder inkomen komen te zitten geraken daar buiten hun eigen schuld. Het is een burgerrecht dat in zo’n geval de overheid een solide vangnet biedt. Dat burgerrecht wordt mensen tegenwoordig ontzegd, en de overheid is er nog trots op ook. De gevolgen voor de slachtoffers van dit beleid zijn echter gigantisch. Al jaren trekt de ene instantie na de andere hard aan de bel vanwege het snel groeiende aantal mensen met problematische schulden in dit land: het gaat inmiddels om één op de tien huishoudens. De voornaamste redenen die worden opgegeven? Niet de crisis, niet het verspillende gedrag van mensen, maar het strengere terugvorderingbeleid van de belastingdienst en uitkeringsinstanties.

Dit is niet alleen een ramp voor de mensen die in de financiële problemen komen zelf, maar voor de hele samenleving. Mensen met problematische schulden kosten de gemeenschap veel geld aan schuldhulpverlening en onbetaalde rekeningen: volgens het Nibud gaat het maar liefst om 11 miljard euro per jaar, een bedrag dat vergelijkbaar is met het bedrag dat aan de totale bijstand opgaat.

Regendans
Ziehier de treurnis: op korte termijn worden met pest- en boetebeleid kleine opbrengsten gegenereerd en trots gepresenteerd als winst, terwijl de kosten tien keer zo groot waren als de opbrengst. Op lange termijn genereren die kleine opbrengsten juist weer veel diepere problemen, die bijzonder veel geld gaan kosten. Schijnbezuinigingen dus, en de echte rekening komt nog.

Dat er banen bijkomen gebeurt ondertussen niet dankzij het beleid, maar ondanks het beleid. Dit beleid doet kortom denken aan een medicijnman die net zolang blijft dansen tot het regent, en dan zegt dat dit door het dansen komt. Nu heb ik niets tegen folklore, maar laten we er alsjeblieft geen geld aan verspillen. En als die medicijnman ook nog een gifmenger blijkt die zijn patiënten in plaats van beter ongezonder maakt, dan moet er toch een keer aan de rem getrokken worden over deze moderne volksverlakkerij.

Er gloort licht aan de horizon
Gelukkig kan ik positief afsluiten. Toen ik een paar jaar geleden op het weblog Sargasso.nl over dit wanbeleid schreef leek het nog vechten tegen de bierkaai. De politieke oogkleppen zaten muurvast: van links tot rechts, van VVD tot SP, blind draafde men door op de illusie van de steeds strengere sociale zekerheid. Maar inmiddels beginnen schoorvoetend andere geluiden te klinken. Veel mensen zijn inmiddels zo geschrokken van de ronduit absurde taferelen die zich afspelen rond de sociale diensten (mensen die beboet worden voor het oppassen op hun eigen kleinkinderen, mensen die verplicht gratis hun oude baan moeten opknappen), dat nota bene het oude idee van een basisinkomen aan populariteit wint. En veel gemeenten voelen onder invloed van die discussie wel wat voor experimenten met een bijstand zonder verplichtingen, of zijn die proeven zelfs al aan het voorbereiden.

GroenLinks en lokale afdelingen van D66 lopen hierbij voorop. En terecht. Er valt bijzonder veel mee te winnen. Niet alleen kost ‘de medicijnman’ ons zoals gezegd meer dan 20% van de totale bijstandsbegroting en levert hij nauwelijks iets op, zonder die medicijnman is een veel betere armoedebestrijding mogelijk. En daar profiteren we uiteindelijk allemaal van.

Dit artikel verscheen eerder op Joop.nl.


Deel dit:

Politiek Kwartier | Tussen bijstand en basisinkomen

Deel dit:

COLUMN – Hoe we van de bijstand richting basisinkomen kunnen bewegen. En waarom dat stap voor stap voordelen oplevert.

Het basisinkomen is hot. Naar aanleiding van de campagnes voor het referendum in Zwitserland en het burgerinitiatief in de EU zette Sargasso anderhalf jaar terug een serie over het basisinkomen op. De Correspondent pakte dat verhaal over en maakte het in Nederland tot een hype.

En inmiddels rommelt het binnen de gevestigde partijen. De congressen van D66 en de PvdA namen moties voor een basisinkomen aan, en ook raads- en kamerleden van GroenLinks nemen de discussie serieus.

Maar deze discussie heeft ondertussen wel de neiging erg theoretisch van karakter te blijven. De modellen voor een basisinkomen lopen dan ook sterk uiteen, en kennen allemaal problemen en onbeantwoorde vragen.

Om het niet bij dagdromerij alleen te houden, zouden we moeten onderzoeken wat we tot nu toe van de discussie hebben kunnen leren en toe kunnen passen in de praktijk.

Lees verder Politiek Kwartier | Tussen bijstand en basisinkomen


Deel dit:

Politiek Kwartier | Inkomenszekerheid

Deel dit:

COLUMN – De komende afleveringen van Politiek Kwartier laat Klokwerk de politieke actualiteit voor wat ze is, en gaan we ons buigen over mogelijke alternatieven voor sociale zekerheid.

Ons sociale stelsel is hopeloos ingewikkeld, kostbaar in de uitvoering, biedt veel mensen nauwelijks zekerheid, en is vaak ronduit denigrerend. Daarbij wordt het door de politiek met de kaasschaaf mishandeld en door marktwerking ondermijnd. Dat moet beter kunnen.

Hoe zou een ideaal sociaal stelsel eruit zien? Mijns inziens zou die bestaan uit slechts drie regelingen.

Ten eerste een uitkering voor het inkomen tot het bestaansminimum. Hiervoor denk ik aan een uitkering die enigszins lijkt op het inmiddels veelbesproken basisinkomen.

Het is door veel mensen al opgemerkt: een basisinkomen is een zeer karige vorm van sociale zekerheid. Een aanvaardbaar alternatief voor ons huidige stelsel zou daarom daarbovenop een regeling moeten hebben van doorbetaling van eventueel aanwezig aanvullend inkomen. Dit is de tweede regeling.

Ten derde zou er behoefte zijn aan een verzekering voor ziektekosten.

Meer regelingen zouden mijns inziens in een gezonde samenleving niet nodig moeten zijn. Onze samenleving kent echter grote problemen met woonvoorzieningen, en daarmee samenhangend grote verschillen in woonkosten. Dit vraagt om een vierde regeling.

Al deze regelingen zouden los van elkaar ingevoerd kunnen worden. Ik bespreek deze week de regeling voor aanvullend inkomen. Lees verder Politiek Kwartier | Inkomenszekerheid


Deel dit:

De Staat Deel 1, H6: Wiegos I

Deel dit:

Wat vooraf ging:

De held Klokrates is naar dance valley geweest en wil juist naar huis gaan, als hij wordt overgehaald door zijn vriend Bossos om mee te gaan naar het huis van zijn vader Dreesos. In het huis van Dreesos bevinden zich meer mensen, onder wie Halsemes, Pechtos en Wiegos.

In het gesprek dat volgt stelt vader Dreesos het AOW probleem aan de kaak en werpt zo de vraag op of eerlijkheid nog wel te handhaven is. Daarna verlaat hij het gesprek. Bossos probeert daarop een nieuwe definitie van eerlijkheid te vinden, maar Klokrates wijst hem erop dat zijn uitgangspunt niet klopt. Vervolgens doet Halsemes een poging met een meer uitgewerkte theorie voor eerlijkheid, maar ook die blijkt problematisch te zijn. De definitie van Pechtos in het volgende hoofdstuk evenzeer. Klokrates uit vervolgens de woorden:

“We weten kortom nog steeds niet wat eerlijkheid nu eigenlijk is, en wat we moeten doen om een eerlijke samenleving te krijgen.”

 

Wiegos (I)

Tijdens ons gesprek had Wiegos al meer dan eens geprobeerd aan het woord te komen, maar tot dusver hadden de anderen hem steeds tegengehouden omdat ze onze redeneringen tot het eind toe wilden horen. Nu was er echter even een onderbreking en ik had die laatste opmerking dan ook nog niet gemaakt of hij kon zich niet langer inhouden. Hij dook ineen voor de sprong, en als een reljongere stortte hij zich op ons alsof hij ons wilde verscheuren. Bossos, Halsemes, Pechtos en ik stoven dan ook van schrik uit elkaar.

“Wat is dat toch voor een gezwets de hele tijd, Klokrates!”, schreeuwde hij. “Onvoorstelbaar wat een naïeve vertoning zoals jullie elkaar daar de hele tijd naar de mond staan te praten! Als u werkelijk wilt weten wat eerlijkheid is, houd dan eens op met dat kleinzielige weerleggen van wat de ander zegt. Zelfs de oude Grieken wisten al dat het makkelijker is een theorie aan te vallen dan te verdedigen. Geeft u liever zelf eindelijk eens een definitie van wat volgens u eerlijk is. En kom dan niet aan met uitspraken als: eerlijkheid is alles delen. Nee, als u iets zegt, zeg dat dan alsjeblieft een keer duidelijk. Want ik accepteer het niet meer dat u met zulke onzin komt.”

Ik wist niet hoe ik het had toen ik dat hoorde en wanneer ik hem aankeek werd ik bang. Hij was in alle staten! Als ik hem niet van tevoren had zien aankomen had ik geloof ik geen woord meer kunnen uitbrengen. Nu had ik gelukkig vanaf het moment dat het gesprek hem was gaan irriteren op hem gelet en ik kon hem dus van repliek dienen. Ik zei, nog een beetje onzeker van de schrik:

“Windt u zich alstublieft niet zo op, Wiegos. Als we fouten maken in onze redenering gebeurt dat echt niet met opzet. Het is eerder zo dat het ons aan capaciteiten ontbreekt, en daarom mogen wij van een groot man als u toch eerder medelijden verwachten dan woede?”

Wiegos barstte uit in een satanisch gelach en zei: “Kijk, kijk, daar hebben we die beroemde ironie van Klokrates weer hoor. Ik wist het wel en heb het de anderen eigenlijk nog voorspeld ook; u zou zich weer van de domme houden en alles liever doen dan een normaal antwoord geven op een normale vraag.”

“Ja, u bent ook handig, Wiegos. U wist maar al te goed dat wanneer je iemand vraagt: wat is twee, en daaraan toevoegt: en kom bij mij niet aan met een antwoord als één plus één, want naar zulke nonsens weiger ik te luisteren, het voor uw tegenstander onmogelijk is om nog een antwoord te geven. Als ik het goed begrijp moet ik u dus een antwoord geven dat volgens mijzelf niet het juiste is?”

“Wilde u dat dan doen, weer zo een vaag en onjuist antwoord geven?”

“Het zou me niets verbazen, mijn beste Wiegos, als u die conclusie zou trekken.”

“En als ik u zelf nu eens wijs op het juiste antwoord?”

“Nou, dat zou mij eerlijk waar heel wat waard zijn.”

“Jajaja! En dan kunt u weer uw makkelijke spelletjes spelen zeker; nooit iets constructiefs zeggen en alleen de theorieën van anderen bekritiseren en weerleggen.”

“Ja, maar wat dacht u dan eigenlijk?” deed ik. “Hoe kan ik nu iets constructiefs zeggen als ik in de eerste plaats geen kennis heb, en dat ook niet pretendeer te hebben, en me tegelijkertijd door een autoriteit als u de mond gesnoerd wordt als ik de mening die ik er eventueel op na houd naar voren wil brengen? Nee, het lijkt me logisch dat als u het antwoord heeft, u het ons dan ook geeft. Toe, doet u ons dat plezier.”

Toen ik dat zei, drongen ook Halsemes en de anderen aan op Wiegos om het antwoord te geven. En het was Wiegos wel aan te zien dat hij stond te popelen zijn definitie te laten horen en er succes mee te oogsten, overtuigd als hij was van zijn gelijk en de bestendigheid van zijn theorie tegen kritiek. Toch deed hij het voorkomen alsof hij erop stond dat ik mijn mening zou geven. Maar ten slotte gaf hij toch toe.

“En dat is dan alles wat u kunt!” smaalde hij. “Zelf voor de domme spelen maar bij iedereen aankomen om iets te leren, en daar dan nog niet eens dankbaar voor zijn ook!”

“Dat ik altijd van anderen probeer te leren, daarin heeft u gelijk, Wiegos. Maar als u zegt dat ik daarvoor niet dankbaar zou zijn dan vergist u zich. Daar kunt u zich snel van overtuigen, want ik ben ervan overtuigd dat uw definitie voortreffelijk is.”

“Luister dan maar eens.” zei hij. “Volgens mij wordt iets eerlijk genoemd wanneer het in het belang is van de sterkste!

… En? Waar blijft nu die waardering van u? Ach, die hoef ik van iemand als u ook niet te verwachten!”

“Ja” zei ik, “Maar dan moet ik natuurlijk wel eerst begrijpen wat u precies bedoelt. De sterkste zegt u? U bedoelt toch zeker niet dat als het in het belang is van een Schwarzenegger-type om zich iedere dag vol te stoppen met krachtvoer, het dus ook belangrijk is dat iedereen zijn voorbeeld volgt?”

“Ha haha hahah! Wat een misselijke redeneertrant houdt u er weer op na, Klokrates… U probeert mijn woorden weer zo te verdraaien dat ze belachelijk worden.”

“Nou, dat was echt niet mijn bedoeling. Ik wil alleen maar zeggen dat u misschien iets duidelijker zou kunnen zijn.”

“Nu, weet u dan niet dat een land en een economie altijd afhankelijk zijn van de sterkste burgers? En dan bedoel ik natuurlijk niet alleen fysiek sterke burgers, maar ook en vooral de economisch sterkeren?”

Dat gaf ik hem toe.

“Juist. Is het dan niet zo, Klokrates, dat de economie er dus het meest van profiteert als de sterkere krachten zo min mogelijk in de weg wordt gelegd?”

Ik liet hem dat punt, benieuwd naar de rest van zijn theorie.

“Kijk,” ging hij verder, “En daarom is het zo, Klokrates, dat in een moderne samenleving uiteindelijk dat waar het geld vandaan komt aan het langste eind moet trekken. En waar dat niet het geval is, daar blaast het systeem zichzelf binnen de kortste keren op. Het is socialistisch droomgoed te denken dat eerlijkheid iets als eerlijk delen of zelfs maar belonen voor de goede inzet zou zijn. Eerlijkheid wordt gemeten naar kracht. Eerlijk is het daarom als de sterke krachten niets in de weg wordt gelegd, in die zin dat iedereen volkomen vrij gelaten wordt, zonder enige sanctie van overheidswege of andere jaloerse organen op zijn of haar gedrag.”

“OK. Dank. Nu begrijp ik wat u bedoelt.” zei ik. “Dan is nu de vraag: heeft u gelijk? U zegt dus dat het in het belang is van de maatschappij als de sterkeren niets maar dan ook niets in de weg wordt gelegd. Dat is voor mij nog de vraag en daarom doen we er goed aan daar dieper op in te gaan.”

“Nou, schiet op dan.”

“Rustig, rustig, ik begin al. Zegt u eens: het is volgens u eerlijk als de sterkste persoon alles krijgt?”

“Ja.”

“En die sterkere figuur, is die onfeilbaar, of maakt hij wel eens vergissingen?”

“Ieder mens maakt vergissingen, Klokrates.”

“Dus… hij doet ook wel eens iets dat niet in zijn eigen belang is?”

“Ja.”

“Nou, dan is het in dat geval toch al niet eerlijk geweest om deze man te blijven belonen nietwaar?”

“Wat maakt u daar nu van?”

“Nou, precies wat u zegt,” stelde ik: “als de sterkere zichzelf in de weg zit, dan is dat niet eerlijk, want het sterke wordt iets in de weg gelegd. Maar aan de andere kant is het ook niet mogelijk de sterke te verhinderen zichzelf in de weg te zitten, want ook dan wordt hij verhinderd iets te doen en dus in de weg gezeten nietwaar?”

“Ja, hoor eens, Klokrates,” zei Wiegos nu geïrriteerd, “we gaan hier toch niet expres de ezel zitten spelen hè? U denkt toch zeker niet dat ik iemand sterk noem op het moment dat hij een foutje maakt?”

“Dat dacht ik ja. U zegt net toch zelf dat een sterk persoon ook wel eens een foutje maakt?”

“Dacht u nu werkelijk dat ik mensen die fouten maken nog sterk noem?”

“Ik dacht dat net toch echt van u te horen.”

“Ach, met u valt toch op zo een manier niet fatsoenlijk te discussiëren, Klokrates! U blijft er maar omheen draaien! Ja, natuurlijk worden er in de realiteit ook aan de top grote fouten gemaakt. En zolang iemand aan de top blijft, noemen we hem in het dagelijks leven sterk. Het gaat mij er echter om dat uiteindelijk de sterke daden beloond worden, en het zwakke wordt afgestraft. En dat kan alleen als die sterke daden niets in de weg wordt gelegd.

Als een sterke man of vrouw of beweging of organisatie aan de top een fout maakt, dan is dat een teken van zwakte en dat moet dan uiteraard bestraft worden, maar dat zal ook bestraft worden, als niemand dit proces van natuurlijke selectie maar in de weg zit. Als we dus exact willen zijn – u doet tenslotte ook zo precies – moeten we zeggen dat de sterke persoon zich nooit vergist. Ik bedoel met het woord sterk namelijk sterk in de meest pure zin van het woord. En ondanks uw onzinnige en lachwekkende poging mijn stelling onderuit te halen blijf ik dus bij mijn eerste stelling: eerlijk is wat in het belang is van de sterkste.”

“Zo, Wiegos” ging ik, “dus u dacht dat er met mij niet fatsoenlijk te discussiëren valt.”

“Inderdaad.”

“Dus u denkt dat ik er alleen maar op uit was om u een hak te zetten?”

“Dat weet ik wel zeker, maar dat zal u niet lukken. Ik heb die achterbakse trucjes van u namelijk al lang door voordat u ze zelf heeft kunnen verzinnen. In een eerlijk debat krijgt u geen kans me klem te zetten.”

“Maar ik zou het niet durven proberen zelfs! De grote Wiegos een hak zetten… het is nog makkelijker om Bin Lados te vangen als u het mij vraagt!”

“Toch heeft u zojuist een poging gedaan, en die leek nergens naar.”

“Genoeg hiervan.” deed ik, “Ik heb inmiddels van u begrepen dat het u niet gaat om de krachten die bij de top behoren, en die zich dus in het dagelijks leven als sterk voordoen, maar om de individuele daden die men aanmerkt als sterk en niet sterk.”

“U bent langzaam van begrip maar we komen er wel.”

“U zegt dus eigenlijk dat we pas een eerlijke samenleving hebben als krachtige daden niets in de weg wordt gelegd.”

“Exact, dat is wat ik zeg.”

“Goed. Dan is dat tenminste duidelijk. Maar dan heb ik nog een vraag. U zult toch toe moeten geven dat er aan de top grote fouten gemaakt worden, en wel door mensen die elkaar en zichzelf zo de hand boven het hoofd houden, zodat ze na gemaakte fouten niet zelden onbeschadigd kunnen blijven zitten. Dat is wellicht voor die mensen aan de top erg gunstig allemaal, maar zou u dat eerlijk noemen?”

“Ja, dat is eerlijk, voor zover ze ermee weg komen. Wanneer echter een sterkere kracht ze daarop weet te pakken, dan zijn zij niet meer de sterkste, en zullen zij daarvoor gestraft worden. Dat lijkt mij logisch.”

“OK. Goed. En als iemand iets doet wat voor hem zelf gunstig is en voor de maatschappij ongunstig, bijvoorbeeld omdat hij zich weet te verrijken ten koste van anderen, spreekt u dan over een zwakke of over een sterke daad?”

“Dan noem ik dat natuurlijk een sterke daad.”

“Dan zult u toch moeten toegeven dat dit in tegenspraak is met wat u eerder zei.”

“Wat nu weer?”

“Maar mijn beste Wiegos, u zei toch zelf tegen mij, toen u begon met uw theorie, dat het eerlijk is de sterke daden te belonen?”

“Dat is correct, dat is wat ik zei ja.”

“En zei u niet dat dit volgens u was omdat een land en een economie nu eenmaal afhankelijk zijn van zijn sterkste burgers?”

Dat moest hij toegeven.

“Juist. Is het dan niet zo, Wiegos, dat u de kracht, uitgaande van die uitspraak, dus kennelijk af meet aan het goede dat zijn daden voor de economie meebrengen?”

Wiegos gaf dit met nogal veel tegenzin toe.

“Zult u dan niet moeten toegeven, mijn beste Wiegos, dat dit in tegenspraak is met de definitie van kracht die u zojuist gaf van een sterke daad, namelijk dat een daad ook sterk is indien de dader daarmee de maatschappij schade aandoet en zichzelf verrijkt? Is het niet eerder zo dat u eigenlijk had moeten zeggen dat u een daad pas echt sterk vond als deze gunstig is voor de maatschappij en het collectief, en niet zozeer gunstig voor de dader?”

Op dit punt van het gesprek, toen iedereen in zag dat deze conclusie in totale tegenspraak was met zijn eerdere gedachtegang, zei Wiegos in plaats van mijn vraag te beantwoorden: “Zeg Klokrates, staat u soms onder medisch toezicht?”

“Wat is dat nu voor een rare vraag, Wiegos?” zei ik. “Zou u niet liever mijn vraag beantwoorden in plaats van zulke vragen te stellen?”

“Ik stel die vraag alleen maar omdat ze kennelijk vergeten zijn uw snotneus af te vegen voordat ze u lieten buitenspelen, Klokrates.” ging Wiegos. “Ze hebben u nooit verteld hoe de grote mensenwereld er in het echt uit ziet. U schijnt nog steeds te denken dat wanneer iemand presteert, hij dat doet om zijn werk goed te doen, zoals in een sprookjesbos, in plaats van dat hij alles wat hij doet, doet om er zelf op vooruit te gaan. U begrijpt niet dat alle mensen zich met maar één ding bezig houden, namelijk hoe zij het best zichzelf kunnen verrijken! En met al uw fraaie inzichten over de menselijke geest heeft u niet eens door dat uw zogenaamd eerlijke gedrag niets meer is dan een gehoorzaamheid aan de wraakoefening van de mensen die zwak en waardeloos zijn. Ja, met wetten en belastingen hebben zij de mensen die sterk zijn op hun knieën gedwongen, maar daarmee hebben zij een maatschappij gecreëerd die net zo zwak is als zijzelf.

Nee, val me niet in de rede! Onze welvaart, Klokrates, is er alleen maar ondanks het zogenaamde sociale stelsel, met zijn vangnet en armenzorg die ons systeem alleen maar uithollen en verzwakken. Dat sociale stelsel is er alleen maar bij gratie van de sterken, omdat ze er goddank nog steeds kunnen zijn, omdat de wraak van de zwakkeren niet volkomen is, zoals in een communistisch systeem, waarin de klok zoals we nu al een paar keer in de geschiedenis gezien hebben onherroepelijk stil blijft staan en de mensen collectief vervallen in armoede.

Ja gelukkig maar, Klokrates, zijn er in ieder systeem, en zeker in dat van ons, nog genoeg vitale krachten die weerstand bieden tegen deze dictatuur van de grijze massa en zich hieraan ontworstelen, door puur en alleen maar voor zichzelf te presteren. Zij werken voor hun eigen genot, en maken van hun leven één groot feest, van het formaat waarvan de anderen, die zwakker zijn dan zij, alleen maar durven dromen. En het zijn de kruimels die van die feestdis afvallen waaraan de anderen nog hun bestaansrecht ontlenen, Klokrates, omdat er altijd mensen zijn die krachtig genoeg zijn om te profiteren van de mensen die krachtig zijn.

In de praktijk gaat het dan ook precies zo: Een rijk iemand bestelt nu eenmaal veel luxegoederen, waar anderen weer aan kunnen verdienen… zoals ook een groot bedrijf werknemers kent, en toeleveringsbedrijven, die profiteren van het succes van dit grote bedrijf. En dat zijn de processen waarop onze maatschappij draaiende blijft, Klokrates. Het eigenlijke belang waar dit alles op drijft is altijd die drang om zelf rijk te worden, de drang om zelf gelukkig te worden – en dan desnoods ten koste van anderen.

Het mooie van mijn theorie is dat door deze mensen niets anders in de weg te leggen dan de slimmere daden van andere krachtige mensen, in een vrije concurrentiestrijd, uiteindelijk het sterkste altijd boven komt te liggen, en zodoende het systeem en de mensen daarin uiteindelijk het meest welvarend zullen zijn. En als je van een afstandje kijkt, Klokrates, dan zie je dat dit de centrale wet is die door de hele geschiedenis loopt. Het sterke blijft staan en het zwakke verdwijnt.

Het is daarom niet alleen in het belang van iedereen individueel, maar ook in het belang van de totale samenleving dat iedereen zich vooral maar niet bekommert om eerlijkheid. Integendeel. Het is in ieders belang dat iedereen zo snel mogelijk probeert om er zelf bovenop te komen en rijk te worden, desnoods ten koste van anderen. Ja, als iemand echt het algemeen belang wil dienen, dan moet hij zich van iets als eerlijkheid niets maar dan ook niets aantrekken.”


Deel dit:

De Staat Deel 1, H8: Pechtos II

Deel dit:

Toen ik dit laatste gesprek gevoerd had dacht ik dat het onderwerp afgehandeld was, maar daarin had ik mij vergist. Het hele vorige gesprek was kennelijk nog maar een inleiding geweest. Want Pechtos, altijd op zijn qui vive, nam geen genoegen met het opgeven van Wiegos en vroeg mij:

“Wat wilt u nu eigenlijk bereiken, beste Klokrates? Wilt u nu werkelijk dat wij ervan overtuigd zijn dat eerlijk zijn altijd beter is, of bent u al tevreden als het alleen maar lijkt alsof?”

“Natuurlijk zou ik liever hebben dat jullie er werkelijk van overtuigd waren dat eerlijk altijd beter is, als het aan mij lag.”

“Nu, in dat geval bent u er in dit gesprek met Wiegos nog niet echt veel mee opgeschoten,” zei hij, “want ik ben nog niet overtuigd. Kijk, ik zou u graag iets voorleggen. Bent u het met mij eens dat er verschillende redenen zijn waarom iets waardevol kan zijn?”

“Hoe bedoelt u dat?”

“Nou, soms is iets dacht ik waardevol omdat het voor ons waarde op zich heeft. Denk dan bijvoorbeeld aan blijdschap of genot.

En soms is iets waardevol omdat het fijne consequenties heeft, zoals bijvoorbeeld talentvol zijn.

En soms is iets waardevol omdat het op zich niet prettig is, maar wel prettige consequenties heeft. Denk maar aan bijvoorbeeld het verrichten van zwaar werk dat zoals we plachten te zeggen nu eenmaal `moet gebeuren’, werk dat ons uiteindelijk veel leuke dingen oplevert. Dat zijn toch drie redenen waarom iets waardevol kan zijn?”

“Ja, dat ben ik met u eens, maar waar wilt u eigenlijk heen?”

“Ik zou graag willen weten tot welke categorie u eerlijkheid rekent.”

“Ongetwijfeld tot alle drie de categorieën”, antwoordde ik.

“Nou, over het algemeen denkt men daar toch anders over. Over het algemeen wordt het hooguit beschouwd als iets van de laatste categorie. Iets dat een soort verplichting is, met op zich gunstige consequenties, maar in praktijk niet voor iedereen aantrekkelijk om zich er altijd aan te houden, en maar lastig om uit te voeren bovendien.”

“Ja, dat weet ik dat men daar zo over denkt. Dat is natuurlijk ook de opvatting waar onze Wiegos vanuit gaat, die hem ertoe brengt zo consequent de eerlijkheid aan te vallen en in plaats daarvan een oneerlijke samenleving aan te bevelen.”

“Nu, luistert u dan maar eens naar mij.” zei hij. “Ik heb eigenlijk de indruk dat Wiegos zich iets sneller dan nodig door u heeft laten klem zetten. In mijn ogen is namelijk nog niet afdoende bewezen dat eerlijkheid zou moeten behoren tot de deugden, al is het in ook maar één van die drie categorieën die ik zojuist noem. En ik zou graag van u willen horen waarom wij eerlijk moeten zijn, om alle drie de zojuist genoemde redenen. Dus waarom het prettig is om eerlijk te zijn, waarom eerlijk zijn een prettige samenleving oplevert, en waarom de samenleving met eerlijkheid als uitgangspunt ook het best zou functioneren.

Om u daarin te prikkelen zal ik het volgende doen als u dat goed vindt. Ik zal de theorie van Wiegos opnieuw formuleren, maar dan scherper.

Daarbij zal ik eerst betogen dat het onprettig is om eerlijk gedrag te vertonen, om daarna te onderbouwen waarom eerlijkheid ook geen goede consequenties heeft voor degene die eerlijk is. En vervolgens zal ik stellen dat de maatschappij als geheel ook alleen maar last heeft van het uitgangspunt van eerlijkheid.

Dat allemaal natuurlijk volgens die theorie, want zelf ben ik er wel van overtuigd dat eerlijkheid in alle drie de opzichten goed is. Maar ik ben ook mijn zekerheid kwijtgeraakt, zo sterk als die theorie van Wiegos is en ook klinkt in de verschillende geledingen van de maatschappij, van de kleine klagende man in de kroeg die gnuift bij iedere geslaagde oplichterij, via de even gehaaide als gewetenloze zakenmensen aan de top van het bedrijfsleven, tot aan politici en filosofen met hun sombere filosofie die welke zij ‘realistisch’ plachten te noemen, en die helemaal in de lijn ligt van wat Wiegos stelt. Ik wil die theorie daarom zo uitwerken, opdat u begrijpt wat ik van u wil horen om mij tevreden te stellen. Gaat u daarmee akkoord?”

“Natuurlijk ga ik daarmee akkoord!” zei ik. “Eens in de twee en een half duizend jaar op zijn minst moet toch iemand zo een uitdaging aannemen?”

“Goed. Dan beginnen we met wat volgens die theorie de oorsprong is van eerlijk gedrag.” ging Pechtos. “Volgens die gedachtegang is het in feite zo, dat het altijd voordelig is zich oneerlijk te gedragen. Iedereen weet dat als iemand zich oneerlijk gedraagt, hij zich winst weet toe te eigenen zonder dat hij daarvoor al te hard hoeft te werken. En doordat hij zijn eigenlijke gezicht niet laat zien, blijft hij veilig voor de aanvallen van anderen. Dit is de meest natuurlijke staat van zijn, omdat iedereen streeft naar het meeste profijt voor zichzelf. De mens en alle wezens worden dus van nature oneerlijk geboren, en zodoende kost het dus moeite om eerlijk te zijn en is het geen prettige houding om na te leven. Heb ik dat correct?”

“Dat lijkt mij een juiste weergave van die theorie.” Zei ik. Ook Wiegos en de anderen knikten.

“Goed. Maar omdat de voordelen van dat oneerlijke gedrag natuurlijk niet opwegen tegen de nadelen als men hier telkens het slachtoffer van is, komen de zwakkeren daartegen in opstand. Deze opstand zal echter mislukken, omdat ook de zwakkeren wanneer zij de kans krijgen elkaar zullen verraden.

Maar heel soms in de geschiedenis komt het voor dat een leider zo charismatisch is dat hij erin slaagt de zwakkeren langer te bedriegen en te misbruiken voor zijn eigen doelen. Zo een leperd zal erin slagen om de zwakkeren te verenigen, en wanneer zij zich verenigen zullen zij ook de strijd winnen, omdat zij nu eenmaal in de meerderheid zijn.

Met de meerderheid die zij mee kunnen brengen, grijpen zij op dat moment dat de elite een beetje verzwakt is dus met veel geluk en toeval de macht. Dan nog is de kans groot dat die mensen die het nauwst bij het grijpen van de macht betrokken zijn zelf de nieuwe elite gaan vormen en hun achterban zo snel mogelijk verraden, maar soms lukt dit niet goed en in dat machtsvacuüm zien we dan het volgende gebeuren.

Omdat al die mensen niet tot een verdeling van macht en rijkdom kunnen komen waar iedereen zich in kan vinden, en niemand sterk genoeg is om de rest te verslaan, verzinnen ze dat ze de onderlinge strijdbijl zullen begraven in de ruil voor een gelijk recht van iedereen op een deel van die macht en rijkdom.

Natuurlijk kan dat alleen maar goed gaan als iedereen alles van elkaar weet, en er geen dingen achter de hand gehouden worden. Dat zijn dan ook gelijk de twee belangrijkste ingrediënten van wat wij eerlijkheid noemen: openheid en alles delen.

Let wel: logisch gezien is de eigen eerlijkheid hierbij iets waar mensen het minst van alles op zitten te wachten, omdat ze daar zelf ook helemaal geen profijt van hebben. Het is nu juist de eerlijkheid van anderen waar men naar verlangt. De mensen verwachten vooral van de overheid en van elkaar dat ze zich eerlijk gedragen. Hun eigen eerlijkheid is dus alleen maar een soort ruilmiddel om die eerlijkheid van anderen te kopen.

De eerlijkheid is op zich dan ook niet iets wat vanzelf goede dingen voor de mensen die eerlijk zijn teweeg brengt. Het is niet vergelijkbaar met een goede eigenschap waarvan mensen zelf veel profijt hebben. Want die veiligheid die het oplevert komt niet door de eigen eerlijkheid, maar door de eerlijkheid van anderen.

Goed. Om die eerlijkheid af te dwingen schrijven de mensen normen voor, en verheffen ze het zich houden aan die normen vervolgens tot hoogste deugd. Zo ontstaat dus een moraal. Verder stellen die mensen dan wetten op om de hardleerse types nog eens goed te kunnen onderdrukken. Die wetten zijn dan natuurlijk in de lijn van die moraal.

Die eerlijkheid, Klokrates, is zoals we hebben gezien dus niets anders dan een wederzijdse concessie, die geworteld is in angst, en wordt opgelegd door middel van ongeschreven en geschreven wetten.

Iemand die werkelijk sterker is dan anderen zou het natuurlijk uit zichzelf nooit in zijn hoofd halen om zo een afspraak om eerlijk te zijn te maken. En als hij die al die maakt, uit puur eigenbelang, dan zal hij zich er als hij even de kans krijgt niet aan houden. Hij zou wel gek zijn als hij dat deed! Maar ook de sterke en slimme figuur wordt door de massa tot slachtoffer gemaakt, en merendeels tot eerlijk gedrag gedwongen. Dat, en alleen dat, is de oorsprong van eerlijk gedrag.

Dit alles is dus volgens die theorie de oorsprong van goed en kwaad, en dus de moraal die wij kennen, welke wij maar het beste de slavenmoraal kunnen noemen, Klokrates, omdat zij gebaseerd is op de kracht van zwakke mensen, die in een oneerlijke samenleving zonder twijfel veroordeeld zouden zijn geweest tot het bestaan als slaaf. Natuurlijk zul je altijd zien dat de mensen aan de top die deze eerlijkheid met de mond zo fanatiek belijden, in het geniep er toch telkens een loopje mee nemen. En iedereen weet, dat aan de top nog het meest ongestraft de oneerlijkheid zegeviert, omdat aan de top nu juist die wetten worden gemaakt, Klokrates. Maar goed, het uitgangspunt van eerlijkheid is zo ontstaan.”

Men knikte Pechtos bewonderend toe, en ook ik kon een goedkeurend knikje voor zo een doortrapte theorie niet onderdrukken.

“In praktijk zien we hoe wankel die eerlijkheid is,” ging hij verder, “als we ons een modern dictator als Mugabos voor de geest halen. Deze leider is aan de macht gekomen omdat men het niet eerlijk vond dat alle blanke mensen in zijn land de macht hadden, en toen hij aan de macht kwam werd hij daarom door de hele wereld bejubeld als de rechtschapen man die de kansen in zijn land eerlijk zou verdelen.

Nu echter, tientallen jaren later, is hij een gevreesde dictator die met harde hand de oude elite heeft vervangen door een nieuwe elite, die weliswaar donker gekleurd is, net als de rest van het overgrote deel van de bevolking, maar die voor de oude elite bepaald niet onderdoet als het gaat om uitbuiting en terreur, en tot overmaat van ramp een slechter economisch inzicht blijkt te hebben bovendien.

En zo ging het ook met idealisten als Lenos, Maos en Pollos Pottos. Het lijkt een natuurwet dat de idealisten eenmaal aan de absolute top al snel uitgroeien tot dictator. Maar dat is dan ook volkomen logisch. Stel dat een eerlijk mens in de positie van de absolute macht terecht zal komen. Zo iemand zal altijd, ook al is hij rechtschapen, eerst zijn eigen zaken behartigen. Zo nee, dan delft hij gelijk het onderspit. Wellicht zal hij aan het begin nog het idee in zijn hoofd hebben dat als hij zijn eigen belangen eenmaal veilig heeft gesteld hij met verdubbelde kracht de oneerlijkheid zal kunnen bestrijden. Maar hij ziet ook in, dat hij om zijn positie veilig te stellen, niet anders kan dan zijn vrienden bevoordelen en zijn vijanden benadelen. Het eerlijk maken van de maatschappij, zo hij dat ooit van plan was, zal hij daarom al snel laten voor wat het is.

Zeker, als iemand met macht nu door een of andere lijpe ziekte toch eerlijk blijft, zal men dat natuurlijk alleen maar toejuichen. Maar dat is enkel en alleen omdat er bij hem juist wat te halen valt. Zijn vrienden echter zullen zich natuurlijk zo snel mogelijk van hem afmaken en iemand naar voren schuiven als leider die met wat meer verstand de macht vasthoudt.

Nu, daarin hebben we toch een overtuigend bewijs, zal de aanhanger van onze theorie beweren, dat uiteindelijk niemand uit vrije verkiezing eerlijk is! Een individu heeft helemaal niets aan zijn eigen eerlijkheid, Klokrates! En zo zien we ook; overal waar men de kans schoon ziet, zal men trachten desnoods op oneerlijke wijze zijn voordeel te halen. Iedereen denkt nu eenmaal altijd nog dat hij daarbij veel meer gebaat is. En terecht.”

Hij pauzeerde even om te kijken of iedereen hem nog kon volgen.

“Dat eerlijk gedrag op zich niet alleen onnatuurlijk is, maar daarbij ook nog leidt tot een minderwaardige maatschappij,” ging hij toen verder, “kunnen we misschien nog het beste bewijzen door ons twee samenlevingen voor te stellen: een volmaakt eerlijke en een volmaakt oneerlijke maatschappij.

In de zogenaamd eerlijke samenleving zal iedereen zijn hebben en houden moeten geven aan het collectief, en krijgt daarvoor datgene terug dat correspondeert met zijn behoeften enerzijds en zijn inzet voor de maatschappij anderzijds. De mensen hebben geen recht op iets als privacy, en privébezit is als het al bestaat iets wat volledig gecontroleerd wordt door de staat.

Om ons beeld helder te krijgen moeten we er maar even vanuit gaan dat dit allemaal lukt en dat iedereen die zondigt tegen de regels van deze maatschappij met honderd procent zekerheid daarvoor wordt gepakt en zijn verdiende loon ontvangt, in de vorm van een straf die volkomen in proportie is met de misdaad.

In praktijk zullen we zien dat zowel een eerlijk als een oneerlijk mens zich overeenkomstig gaat gedragen in deze eerlijke maatschappij. Het eerlijke type is natuurlijk volkomen op zijn plaats en zal zich uitleven in het lijden van een veilig en eerlijk burgermansbestaan. Ondertussen zal het oneerlijke type natuurlijk wel gek zijn als hij zich oneerlijk gedraagt, omdat hij daar continu straf voor krijgt. Dat neemt echter niet weg dat hij zal huichelen zodra hij dat kan. Hij zal dus niet eerlijk worden – hij was immers een oneerlijk persoon – maar wel voorzichtig. En omdat onze maatschappij volledig eerlijk is gaan we ervan uit dat wanneer deze figuur een misstap begaat hij onmiddellijk in zijn kraag gevat wordt, en hij zich dus wel twee keer bedenkt alvorens een misstap te begaan.

Onze twee mensen gedragen zich dus gelijk. Maar als we nu aan die bewoners van deze maatschappij vroegen of de samenleving waarin zij leven eerlijk is dan zien we het volgende effect.

Een volkomen eerlijk mens zal zeker zeggen dat hij in een eerlijke en gelukkige samenleving leeft. Maar de oneerlijke mens zal niet tevreden zijn en antwoorden dat dit maar slecht wordt bereikt. Hij voelt zich continu gecontroleerd en beknot in zijn mogelijkheden.

Maar we hadden net vastgesteld dat alle mensen van nature oneerlijk zijn, en dus zullen de meeste mensen allemaal in min of meerdere mate ongelukkig zijn, zoals onze oneerlijke persoon. Want ieder gezond levend mens zal zich nooit neerleggen bij het onteigenen van zijn bezit, en de maatstaven die gehanteerd worden om vervolgens zijn prestaties en inzet te meten, en de resultaten daarvan onmiddellijk ter discussie stellen.

Natuurlijk, zwakke mensen zouden een soort dankbaarheid moeten hebben voor de bescherming die ze genieten, maar naarmate de eerlijkheid normaler wordt zullen ook zij niet meer tevreden zijn en dromen van meer dan hen toekomt. De menselijke begeerte is immers onbegrensd.

Hoe meer mensen onder standaardregels vallen in zo een maatschappij, hoe meer ze zich miskend voelen in hun individuele kracht, maar hoe meer er getracht zal worden door middel van uitzonderingen en nieuwe regels maatwerk te leveren. Daardoor echter zullen steeds meer mensen het idee hebben dat de beslissing dat zij al dan niet onder een regel vallen puur willekeur is; vooral als de maatschappij omwille van de eerlijkheid allerlei beroepsmogelijkheden instelt die een gerechtelijk circus opleveren die door gewone simpele burgers zal worden ervaren als een onbegrijpelijke en bureaucratische tombola, en die doortrapte mensen zullen ervaren als een beknelling van de eigen mogelijkheden.

Goed. En nu dan de oneerlijke samenleving. In de oneerlijke samenleving zijn de regels zo, dat niemand rekening houdt met de hoeveelheid moeite die iemand doet, en al helemaal niet met zijn of haar eventuele tekortkomingen.

Mensen hoeven zich in deze maatschappij niet bloot te geven, sterker nog, dat wordt als buitengewoon naïef beschouwd, en iedere inmenging van de staat in het privéleven wordt beschouwd als een inbreuk op de privacy.

Daartegen staat in zo een maatschappij dat de mentaliteit zich te laten gelden hoogtij viert. Overgeleverd aan enkel zichzelf zal iedereen ook zichzelf moeten proberen te redden, goedschiks of kwaadschiks. Doordat het woord eerlijkheid niet bestaat zal iedereen het als volkomen rechtvaardig beschouwen als mensen het slachtoffer worden van iets dat wij nu als een lage streek zouden beschouwen. Ieder ongeluk dat mensen overkomt, zal worden beschouwd als iets dat ze overkomt door hun eigen schuld. Het blijkt namelijk dat hij te zwak, of naïef was om zijn ongeluk af te weren. En iedereen die plannen smeedt die hem verder brengen wordt hiervoor beloond naarmate door hard werken en slimmigheden zijn plannen beter uitkomen. Doordat men continu waakzaam is, is iedereen in deze voortreffelijke samenleving op zijn qui vive.

Nu gaan we weer kijken hoe het de oneerlijke en de eerlijke mens in zo een maatschappij vergaat.

Het oneerlijke type zal zich daar natuurlijk oneerlijk gaan gedragen, dat spreekt voor zich. Hij past dan ook perfect in die samenleving, en zal zich daar prima op zijn plaats voelen. Als hij het onderspit delft, zal hij dat wijten aan zichzelf, en zichzelf vervloeken omdat zijn slimheid het niet redt tegenover de slimheid van anderen. Wanneer hij wint, dan vindt hij dat volkomen rechtvaardig, en prijst hij zijn eigen kundigheid.

Maar ook het eerlijke type zal niet lang eerlijk zal blijven in een oneerlijke maatschappij. Want in die samenleving kan hij nog zo oprecht en open eerlijk alles delen, omdat iedereen daar dan gelijk misbruik van maakt wordt eerlijkheid toch niet bereikt. Integendeel. Niet alleen komt er omdat er continu misbruik wordt gemaakt van zijn eerlijke bedoelingen naar anderen toe niets terecht, daar komt nog bij dat deze eerlijke vent ook zelf telkens het slachtoffer is van zijn eigen eerlijke gedrag. Hij zal overkomen op zijn medemensen als een hopeloos naïeve zot, waarvan men gemakkelijk misbruik kan maken, en al snel zal hij ook zelf tot de conclusie komen dat het niet eerlijk kan zijn dat hijzelf telkens het slachtoffer wordt van zijn neiging om alles altijd maar te willen te delen en altijd maar de waarheid te spreken. Die vent zal kortom spoedig tot de conclusie komen dat hij het dichtst bij eerlijkheid komt als hij de eerlijkheid zelf maar laat voor wat het is.

Wat wij dus zien is het volgende opmerkelijke effect: als wij nu eens aan een willekeurige bewoner van deze samenleving gingen uitleggen wat volgens ons eerlijkheid is, en dan vroegen of hij vond dat de samenleving waarin hij woont eerlijk is… dan zal hij ongetwijfeld bevestigend antwoorden.

Zo zien we dat de maatschappij die als uitgangspunt eerlijkheid heeft altijd als oneerlijk ervaren wordt, en dat de maatschappij waarin men zich van iets als eerlijkheid niets aantrekt, de mensen juist het idee hebben dat er hoe dan ook recht wordt gedaan.”

“Tsjonge, Pechtos.” zei ik. “Enorm, dat beeld van die twee samenlevingen dat je daar geeft.”

“Ik doe mijn best.” Zei hij. “Als ik hier wat cru klink, Klokrates, moet u zich maar bedenken dat het niet mijn opvatting is die ik hier naar voren breng, maar de theorie van de mensen die de voordelen van eerlijkheid als uitgangspunt aanvallen.

Volgens die theorie moet de conclusie zoals we zien dus zijn dat eerlijk gedrag niet iets is dat prettig is van zichzelf. Ook is het geen eigenschap die voor de personen die eerlijk zijn goede dingen met zich meebrengt. Daarbij brengt eerlijk gedrag ook geen betere maatschappij met zich mee, maar een maatschappij waarin mensen zich miskend voelen, of dat nu terecht is of niet.”


Deel dit:

Martijn en Sofie

Deel dit:

Martijn en Sofie liggen samen in bed. Ze kennen elkaar nog maar net: Martijn bijt Sofie, en Sofie lacht en ze rollen samen om. Dan is het even stil. Martijn streelt Sofie en Sofie doet het strelen terug.

“Martijn.” Zegt Sofie.
“Sofie.” Zegt Martijn.
Dan is het weer even stil.

“Sofie.” Zegt Martijn.
“Martijn.” Zegt Sofie.
De wind speelt zachtjes met de gordijnen voor de ramen net zoals Martijn Sophie streelt. En dan zegt Martijn “Ik moet je wat vertellen.”
Sofie kijkt Martijn glimlachend aan.
“Zie je die poes daar in de vensterbank?” vraagt Martijn.
Sofie kijkt naar de vensterbank met de blauwe afgebladderde verf, en kijkt daarna Martijn vragend aan. “Hoe bedoel je dat? Nee? Ik zie geen poes in die vensterbank?”
“Ja, toch, daar, daar zit hij, hij is grijs met een wit befje. Zie je hem?”
Sofie knijpt haar ogen tesamen als ze kijkt naar de vensterbank. Ze lacht.
“Ja hoor, ik zie hem.” zegt ze.
Martijn is blij.
“En zie je die poes die hier bij ons op bed ligt?” Hij wijst op het witte sprei dat slordig naast hun benen ligt. Sofie lacht weer. “Ja, hoor ik zie ook die poes die hier bij ons op bed ligt.”
Martijn aait de poes. “Hij is ook grijs he, met een wit befje.”
Sofie zegt ja, dat is zij.
Ze doet net alsof ze de poes aait.
“Er is alleen iets met die twee poezen.” Zegt Martijn ernstig.
Sofie kirt wat. “Nou, wat?” vraagt ze dan.
“Nou,” zegt Martijn, “die twee poezen zijn allebei eigenlijk dezelfde poes, denk ik.” Martijn kijkt zeer serieus.
Sofie zucht. “Nou vind ik het geen leuk grapje meer.” Zegt ze, en schudt haar hoofd.
“Maar het is geen grapje.” Zegt Martijn.
“Ik vind het geen leuk grapje en er is helemaal geen poes.” Zegt Sofie bokkig.
“Oh.” Zegt Martijn nu zacht. “Ik dacht dat je haar zag.”
Dan is het weer stil.

“Je zei toch dat je haar zag?” zegt Martijn dan.
“Ja, ik zéi dat ik haar zag, maar ik zag haar niet.” zegt Sofie.

“Martijn?” zegt Sofie.
“Ja Sofie?” doet Martijn.
“Wil je voor mij een glaasje water voor me halen?” vraagt Sofie. “Ik heb dorst.”
“Natuurlijk schatje.” Zegt Martijn, en hij kust haar voorhoofd.
Dan staat Martijn op. Hij loopt om het bed heen en gaat door het raam naar buiten. Sofie heeft niets in de gaten.
Dan, een tijdje later, komt Martijn door het raam naar binnen. Sofie ziet hem binnen komen. Door het raam. “Waar kom jij vandaan?” vraagt Sofie verbaasd.
“Van de wastafel.” Zegt Martijn, en zet een glas water neer voor Sofie.
“Daar… daar is helemaal geen wastafel.” Zegt Sofie.
“Wel waar.” Zegt Martijn. “Daar is gewoon een ruimte met een wastafel hoor.”
Sofie kijkt verbaasd, en neemt een slok water. “Maar…” doet zij.
“Shhht.” Doet Martijn.
Sofie haalt haar schouders op.

“Martijn!” schreeuwt Sofie.
“Huh?” doet Martijn. Hij wordt net wakker.
“Ik zie daar een grote kat bij het voeteneind! Hij heeft een hoge rug en hij blaast!”
Nu kijkt Martijn met toegeknepen ogen. “Ik zie helemaal geen kat.”
“Wel verdomme.” zegt Sofie. “Ik zag hem toch echt.”
“Ik denk dat je gedroomd hebt, schatje.” zegt Martijn, en kust haar in haar nek.
“Ja ja… dat zal wel, maar goed, ik ga even naar de WC.” zegt Sofie, en ze geeft Martijn een kus, en loopt dwars door de linkerwand van de kamer heen.
Als ze terug komt vraagt Martijn:
“Waar kom jij in hemelsnaam vandaan?”
“Van de WC.”
“Maar… daar ís helemaal geen WC!”
“Wel waar.”
Sofie stapt in bed. Trekt het dekbed over zich heen. En Martijn gaat ook liggen.

“Sofie?” vraagt Martijn.
“Eh-mm…” doet Sofie. “Ik slíep net…”
“Sorry.” zegt Martijn.
“Maar wat wilde je nou?”
“Oh, niets.”
“Nee, zeg het nou maar, ik ben nu toch weer wakker.”
“OK, Sofie? Zou je… zou je misschien een glaasje water willen halen?”

Sofie draait zich om en kijkt Martijn aan. Martijn kijkt Sofie aan.
“Ik weet waarom je dat vraagt Martijn…” zegt Sofie, “En ik durf niet.”

Martijn en Sofie kijken elkaar nu weer een tijdje hulpeloos aan. Dan strekt Martijn zijn handen uit naar Sofie en zegt “kom”. En Sofie kruipt dicht tegen Martijn aan. Hij slaat zijn armen om haar heen en wiegt haar een tijdje.

En hun beider ogen staan wijd open. Zo verstrijkt de rest van de nacht. Tot het dag wordt. Dan is de kamer weer een doodgewone kamer, en het bed een doodgewoon bed. Martijn pakt Sofie bij de schouders en lacht: “zullen we dan maar naar de keuken gaan en ontbijt maken?” “Ja.” zegt Sofie wat onzeker.

En ze staan op. En lopen tot hun stiekeme opluchting dezelfde kant op, dezelfde keuken in.


Deel dit:

Hans Danst

Deel dit:

Er was eens een dorpje met vlijtige mensen. Alle dagen waren die mensen aan het werk. De bakker bakte de hele dag brood, de slager verkocht de hele dag vlees, de schoenmaker maakte de hele dag schoenen, en waar de student de hele dag studeerde maakte de burgemeester de hele dag wetten, en zo verder. De hardste werker van het dorp was wel de smid. Die stond alle dagen te hameren in zijn smidse aan de rand van het dorp, en dat gehamer klonk zo vrolijk dat iedereen op dat ritme vrolijk verder werkte. Het dorpje was dan ook netjes en welvarend. Zo netjes en welvarend dat de reiziger die bij het dorpje stopte dan ook altijd dacht: goh, dit is nu pas een alleraardigst dorpje! Het ziet er zo netjes en verzorgd uit, het is zo prachtig gelegen, en er wonen zulke vrolijke vlijtige mensen, hier blijf ik graag een nachtje extra! En dat viel met de herbergier dan ook wel te regelen. Wanneer deze de reiziger dan een dampende schotel ganzenborst voorzette, zei hij daarbij met een knipoog: we hebben allemaal hard gewerkt vandaag, vanavond is het feest!

Nu woonde in het dorpje ook een heel leuke jongen. Zijn naam was Hans. Hans woonde in de hooiberg naast de smidse. Iedereen mocht Hans graag, omdat hij mooi was en veel lachte. Waar Hans van leefde, dat wist eigenlijk niemand. In de ochtend was Hans in geen velden of wegen te bekennen, maar in de middag kwam hij graag bij alle bewoners aan. Hij begon met een praatje te maken met de smid in zijn smidse. Daar bleef hij dan een half uurtje en dronk het kopje koffie dat daar altijd voor hem klaar stond. Daarna ging hij dan naar de bakkerij en riep: ahee bakker! Ben je daar? Het is Hans! En ook de bakker mocht Hans graag, zo graag dat hij het helemaal niet erg vond dat Hans af en toe een vers krentenbolletje meegraaide als hij na een kort praatje weer verder ging naar de slager. En ook de slager zag Hans met zijn vrolijke verhaaltjes graag komen. Zo liep Hans het hele dorp langs, hier een lang praatje makend, en daar weer een kort praatje, en tussendoor rustte hij wat, op zonnige dagen in het zonnetje op het marktplein, op winterse dagen boven een kop chocola in de herberg, waarvoor de herbergier niets rekende, want och, het was Hans, die had toch geen geld, en zat zo vol met aardige verhalen, die zag je graag zitten in je zaak.

Iedere avond in de herberg was het feest. En die feesten waren zo leuk, dat de mensen uit omliggende dorpjes ook vaak kwamen. Nou, en Hans was er altijd! Hij sloeg de mannen kameraadschappelijk op de schouders, schonk ze bij uit de flessen die ze zelf besteld hadden, en vroeg hun vrouwen en dochters ten dans. En dansen dat Hans kon! Ongelooflijk, hij danste alles! De tango, de foxtrot, de quickstep, de chachacha, salsa, bachata, breakdance, streetdance, moonwalking, capoeira, flamenco: Hans was in iedere dans de beste, en danste de hele nacht lang.

Zo ging dat eigenlijk iedere dag. Totdat een reiziger eens op een avond in de herberg aan de slager vroeg: die Hans hè, wat doet hij nu eigenlijk? Ach, zei de slager, dat is Hans, die doet niet zoveel. Ja, in de ochtend schijnt het dat hij in de hooiberg op zijn fluitje loopt te spelen, de smid kan het soms horen als de wind goed staat, maar verder doet hij volgens mij eigenlijk niets. Jaja, zei de reiziger.

Nu bleef de slager toch even over zijn antwoord nadenken. Ondertussen kwam Hans lachend langsgezwierd met de slagersvrouw in zijn armen. Komop slagertje! Niet zo piekeren! Riep hij hem nog na. Maar de slager piekerde wel. Die Hans heeft het toch maar veel te makkelijk, dacht hij. En toen zijn vrouw lachend weer naast hem kwam zitten en met blozend gezicht zei: die Hans danst toch verrukkelijk!, werd hij ook nog een beetje jaloers.

Die Hans danst toch verrukkelijk! Zei de volgende ochtend de bakkersdochter tegen haar vader, en veegde een stukje stro uit haar dikke blonde haren. Tsja, dacht haar vader, maar verder had die buurman van mij gisterenavond wel een beetje gelijk: eigenlijk doet die Hans toch maar niets de hele dag. Ik zal het er eens over hebben met mijn buurman, de student, eens kijken wat hij daar toch van vindt.

Welnu, de student, zelf ook niet vies van een glaasje wijn en een dansje, was het eigenlijk wel met de bakker eens. Tsja bakker, zei hij, die Hans heeft wel een erg makkelijk leventje hier. Kijk, ik studeer de hele dag. En die Hans ligt maar op zijn fluitje te spelen in de hooiberg, snaait zijn kostje bij elkaar bij de hardwerkende burgers en zet in de avond de bloemetjes buiten. Een beetje vreemd is dat wel.

Die jongen moet eens een trap onder zijn kont krijgen, zei de schoenmaker, die dat hele gesprek toevallig gehoord had.

En zo kwam het dat uiteindelijk een heel aantal mensen in het dorp bij de burgemeester aankwam en zei: luister burgemeester, we moeten het eens hebben over Hans. Iedereen hier in het dorp is de hele dag vlijtig aan het werk, de bakker bakt brood, de slager verkoopt vlees, de schoenmaker maakt schoenen, de student studeert, enzovoort, en daarom is het hier zo een alleraardigst dorpje. Maar Hans doet niets! Dat kan toch niet zo langer?

Nee, dacht de burgemeester ook, dat kan zo niet langer.

De volgende dag kwam Hans om een uur of drie vanzelf bij de ambtswoning aanslenteren. Dag burgervader! Riep hij met een brede lach. Wat denkt u? Zit er nog thee in de pot? Hans, zei de burgemeester hierop burgervaderlijk, we moesten eens praten. Iedereen in het dorp is hard aan het werk om zijn eten en drinken te verdienen, en om ons dorp mooi en welvarend te maken, maar jij doet de hele dag niets! Hahaha, lachte Hans, dat klopt burgervader! Ik doe de hele dag helemaal niets, net als de bloempjes in de wei, die bloeien alleen maar, en de vogeltjes in de lucht, die fluiten alleen maar, haha. Maar luister Hans, zei de burgemeester hierop, wij zijn mensen, en mensen werken voor de kost. En we vieren in de avond feest omdat we zo hard gewerkt hebben. Wij vinden eigenlijk Hans, dat jij de kost ook maar eens moest gaan verdienen.

Nou, dat vond Hans, omdat hij zo een aardige jongen was, helemaal geen probleem. En zo kwamen ze overeen dat Hans de volgende ochtend al zou beginnen zijn buurman de smid te helpen. Met Hans zijn hulp kon de smid meer ijzer slaan en dit dan verkopen bij het dorp verderop, zo had de burgemeester bedacht.

En zo geregeld gebeurde het. De volgende ochtend klonk het vrolijke gehamer van de smid in canon door het dorp, en iedereen was tevreden. Die avond echter was Hans niet op het feest. Hans? Die ligt te slapen in de hooiberg, die is hartstikke moe van zijn eerste dag werken! Zei de smid. En men lachte, en klonk op Hans, de harde werker.

Maar de volgende dag was Hans ook niet op het feest. De dag daarna was hij er wel, maar slechts kort, slechts een uurtje. Ik doe maar één dansje hoor, vanavond, zei hij, want na zo een dag hard werken ben ik niet in voor de hele avond zwieren, haha.

En zo bleef het. De feestjes werden saaier. De mensen werden minder dronken omdat Hans ze niet meer bijschonk uit hun eigen flessen. Ze hadden ook minder zin in feest, omdat hun werkdag niet onderbroken was door een alleraardigst praatje. En de mensen uit de omliggende dorpen bleven wat vaker in de avond in de omliggende dorpen, omdat de feesten in het dorp van Hans nu niet meer dezelfden waren als vroeger. En de dansvloer? Die was leger, nu Hans niet meer lachend de ene dame na de andere erop trok. De slager op zijn beurt merkte dat zijn vrouw voor het slapen gaan minder giechelig en warm was, terwijl de bakker merkte dat zijn dochter de hele dag zuchtte en haar huiswerk verwaarloosde.

Maar het was de smid die als eerste de conclusie trok dat dit toch niet zo door moest gaan. Hij keek naar Hans met zijn twee linkerhanden, en naar die paar stukken die hij per dag wist te slaan… en hij miste de verhalen van Hans… want als ze nu in de pauze koffie dronken had Hans het alleen nog maar over zijn werk. Tsja, zó een Hans, daar had je toch maar niet veel aan, dacht de smid. Luister Hans, zei hij daarom, ik weet niet wat de anderen ervan denken, maar kom jij de volgende dag maar weer gewoon na twaalven, en in plaats van een hamer krijg je van mij weer gewoon een kop koffie. En Hans, die alles prima vond, vond dit natuurlijk ook allemaal best.

De volgende dag kreeg iedereen in het dorp tijdens zijn werkdag onverwacht een bezoekje van Hans, en zijn praatjes waren nog aardiger dan daarvoor. En toen het avond geworden was in het dorp, besefte iedereen dat Hans op deze manier eigenlijk veel leuker was. En tijdens het grote feest die avond, danste Hans. Hij danste de tango, de foxtrot, de quickstep, de chachacha, salsa, bachata, breakdance, streetdance, moonwalking, capoeira, flamenco… hij danste ze als nooit tevoren. En ook de herbergier begreep dat het goed was.

En zo kwam het dat als een reiziger nadien in het dorp van harde werkers nog aan iemand vroeg wie nu die Hans was, en wat hij deed, hij voortaan als antwoord kreeg: Dat? Dat is onze Hans, misschien wel de belangrijkste man van het dorp. Hans danst.


Deel dit:

Hond

Deel dit:

I.

Er is naast ons een nieuwe buurman komen wonen. Men kon hem zien lopen door de tuin, en door de lege vertrekken van het appartement. Deze buurman is een pikzwarte man. Mijn vrouw zegt dat ze bang van hem is. Toch is zij niet zozeer geboren, alswel getogen in Amsterdam. Zij zou dus wel wat gewend moeten zijn.

Maar deze lange, benige man is anders dan anderen; wit of zwart… hij is anders. Een rafelig baardje wijst aandachtig naar zijn ogen, welke groen zijn.

Waar deze man vandaan komt, dat is niet te zeggen, maar, zo gaat het nu over vele tongen… hij is niet van hier.

 

II.

Ik woon samen met mijn vrouw: wij zijn onlangs getrouwd.

Mijn vrouw is veel jonger dan ik. Het heeft nog even geduurd voordat ze geen kind meer was, nog wat tijd, en nog wat moeite, daarna zijn we getrouwd.

Iemand kan wel doen alsof hij of zij zich niets aantrekt van de mensen om zich heen… we maken het onszelf zo verdomd veel makkelijker maken als we dat wel doen. Mijn vrouw wil zelf niet al te jong overkomen. Ik kan haar hiermee helpen.
Ik ben succesvol op alle fronten. Mijn kapitaal is in korte tijd uitgegroeid tot een vermogen. Onlangs kochten wij een huis in Heemstede. En onlangs kochten wij ook een golden retriever.

Dat zijn zeer lieve honden. Ik ben dol op honden, misschien ben ik wel meer dol op dieren dan op mensen, en de golden retriever past goed bij mijn vrouw. Ik zie mijn vrouw niet graag met een kat op schoot. Dat is me te ordinair.

Honden zijn zeer lieve beesten, maar de golden retriever moet aangelijnd in het groenendaalse bos. Daar lopen uitgezette runderen, tam, en ongevaarlijk. Dat zijn van die gemeentelijke projecten. Ze doen maar. Het is net zoiets als de kleine posters die aanmanen de hond in de goot te doen in geval van ontlasting. We moeten beseffen; eenieder heeft zo zijn visie op de inrichting van zijn omgeving. Ik zelf plaats de ontlasting van de hond het liefst naast een boom. Dat vind ik het meest proper. Maar ik heb mijn vrouw er laatst op betrapt naast de goot te staan, met haar witte schoenen, en de witte lange overjas die ik voor haar kocht, met de hond erin, in de goot. Ik bespiedde haar van een afstand. Ik heb er niets van gezegd, ik ben een liberaal.

Ik zal zeggen, mijn vrouw en ik kennen elkaar al twee jaar. Wij verschillen een twaalftal jaren. Ze is negentien. Toen haar moeder stierf, trok ze definitief bij mij in, dat is nu een jaar geleden. Ik woonde toen nog in Amsterdam, een flat in het centrum, met een kelder.

Ik geef toe, ik kan er niet tegen alleen te zijn. Ik kan niet zonder dat er iemand thuis zit als ik thuis kom, omdat ik als ik thuis ben ik niet genoeg aan mezelf heb. Er zijn mensen die dat kunnen, alleen zijn. Ik niet; omdat ik het niet gewend ben. Als puber was ik zo gelukkig snel een meisje te hebben – het leidde er toe dat ik de eenzaamheid nooit echt heb leren aanschouwen. Sommigen noemen dat een gemis, maar zolang ik bij mijn meisje ben zeg ik; het is gerieflijk.

Goed, ik heb het ooit geprobeerd, om alleen te zijn. Maar dat was pas jaren later. Ik vulde mezelf met drugs en eigenwaan, en zocht meisjes als WC-papier om mezelf in mijn nieuwe filosofie te sterken. Het was kortom geen succes.

Nee, liever val ik op de bank, trek mijn schoenen uit, geef het meisje een zoen en kijk ik televisie met de hond (die is gek op de programma’s van David Hasselhof).

 

III.

Na een dag was de verhuiswagen nog niet gekomen bij het huis van mijn buurman. Evenals er geen vrouw gearriveerd was, waar iedereen toch een beetje op zat te wachten.

De buren van het andere perceel dat aan de tuin van mijn buurman grenst zijn al aan de deur geweest, met een bloemetje. De man gaf niet thuis. Gelukkig komen wij niet met een bloemetje. Daar zijn wij te elitair voor (wij bemoeien ons niet met anderen), en we hebben bovendien geen kinderen. Wij geven elkaar krantenartikelen door, en kijken uit het raam naar de bomen.

Na twee dagen arriveerde een bestelbusje met wat huisraad. Donker hout. Zware meubelen, een achttal meubelen. Ze werden het huis ingedragen door twee shagrokende brede mannen in grove truien en blauwe spijkerbroeken die geen woord zeiden, en aan de deur enkele blauwe bankbiljetten aannamen, daarna vertrokken.

 

IV.

We zwijgen veel, mijn vrouw en ik, en we verzwijgen ook veel, dat weet ik zeker. Als ik haar in de supermarkt zie, van een afstand, door de ruiten, terwijl ik zelf tegen mijn niet te opvallende maar zeker wel zichtbaar dure wagen leun, zij, met haar modieus geknipte haren, en ik haar dan zie reiken naar een hoger product in de schappen… ja, dan ben ik trots op haar, en op mijzelf.

Als zij bij de ‘damesprodukten’ staat kan ik haar niet meer zien – maar ze draagt tampons.

Ze zou alles kunnen zijn. Ze heeft zo’n plooibaar gezichtje. Ze zou zó achter de kassa kunnen zitten, onschuldig en blozend, nu staat ze ervoor, hautain en met een dure portemonnaie. Ze rijdt in een Fiat Panda. Haar rijbewijs heeft ze van mijn centen bekostigd.

Net zo goed zou ze student geweest kunnen zijn op de fiets in Amsterdam, alweer een stuk dikker dan nu, van het bier en de patatten. Ze drinkt nu voornamelijk martini (walgelijk spul), en studeert kunstgeschiedenis aan de OU, interesseert zich voor zaken die haar net zo goed koud gelaten hadden kunnen hebben.

Maar geïnteresseerd zijn, dat is de hogere kunst! Eén die zij zich onlangs heeft eigen gemaakt; onontbeerlijk voor de moderne, ontwikkelde vrouw. En voor zo’n meisje nog wel makkelijk hoog te houden, als ze voor de rest de hele dag tenminste geen flikker te doen heeft en zich anders dood zou vervelen (daar komt zo’n Heemsteedse geïnteresseerdheid natuurlijk ook voornamelijk uit voort).

 

V.

De derde dag arriveerde de man na vroeg in de ochtend vertrokken te zijn in een mosterdkleurige stokoude opel kadet ’s middags thuis, met daarin nu een rafelige zwarte hond (die verder ook op zijn baas leek).

De man heeft geen gordijnen, en men kan hem tot laat in de avond door zijn voor en achterkamer zien lopen. Af en toe staat hij een boek te lezen.

De hond loopt al dagen door de tuin. Overdag loopt hij te spitten tot de zandkorrels door de schutting komen vliegen, ’s nachts jankt hij tegen de maan. Het lijkt alsof onze buurman zijn hond vergeten is. Het beest blaft tegen de kinderen die langs onze tuinen lopen, zo, dat ze dat nooit meer zullen durven doen.

De hond is dus een bizar element, en mijn buurman is daarmee, kortom, een rare kerel. Een vreemd type. In Heemstede slaat een “zonderling” in als een bom. Je hebt er wel de gekken die min of meer los lopen, van rond Vogelenzang tot op de winkelstraat met auto’s en parkeerhavens hier om de hoek, de gestoorden die af en toe de kinderen de stuipen op het lijf jagen en zingen naar de zon, maar dat zijn geregistreerde zonderlingen; zij zijn goed verzorgd en lopen met geknipte nagels en officiële toestemming na vele stempels op formulieren rond, verdwijnen na een paar uur weer naar nergens of af en toe onder een trein – daar staat niemand meer van te kijken.

Een zonderling zonder leiband vormt echter een bedreiging, en een kiemplaats van vuil.

 

VI.

Mijn meisje is jong, maar onze relatie is al wat ouder. Op een bepaald cruciaal moment hebben mijn vrouw en ik besloten over sommige zaken te zwijgen, het praten ging ons wat moeilijker af. Dat heeft onze relatie beslist veel goed gedaan.

Het koele zwijgen dat tussen ons hangt herinnert ons eraan dat wij elkaar behoren. Het is het meest intieme dat wij hebben. Oneindig veel intiemer dan de momenten van ‘geluk’, zoals men ze placht te noemen; de momenten dat wij samen lachen. Lachen is een vorm van onmacht. Lachen doe je met vreemden; zwijgen is het beste wat een mens kan bereiken.

Ik kan soms tijden lang zwijgen en kijken naar haar gave gezichtje. Zij kijkt dan terug, terwijl op dat gezichtje zich geen emoties afspelen – geen onderzoekendheid, zoals ze dat nog wel had toen wij elkaar pas kenden. Geen vraag, geen vreugde, maar een soort melancholische somberheid, die evenwel te zwak is om echt tot uitdrukking te komen – een glimlach, evenzeer als het begin van verbijstering.

Op deze momenten houd ik het meest van mijn vrouw. Soms werkt zij in de tuin. Dat vind ik dan weer jammer.

 

VII.

Soms is mijn vrouw wat somber. Ik denk dat ze dan denkt aan alle zaken die ze ook zou kunnen doen, en die ze laat. Dat hebben mensen op die jonge leeftijd; dat ze denken dat ze tijd verliezen met het ene als ze het ene doen, terwijl het andere ze hetzelfde gevoel zou geven. Mensen onder de vijfentwintig voelen zich snel oud, doen alsof met het verstrijken van ieder jaar hun leven voorbij is. Toch begrijp ik dat mijn vrouw er vaak aan denkt, dat haar leven compleet anders zou kunnen zijn – ze leidt een leven waar ze wellicht ook te jong voor is.

Althans, dat zullen velen beweren. En wie is mijn vrouw om voor de algemene opinie ongevoelig te zijn? Niemand heeft dat recht daar ongevoelig voor te zijn.

Terwijl het langer duurt dat ze al die andere levens die ze zou kunnen leiden naast zich laat liggen raakt ze er verder vanaf, mijn vriendinnetje, omdat ze de training en de gewenning ervoor mist, en omdat ze zich steeds meer vormt naar de rol die ze aanneemt. Soms neem ik haar dan in mijn armen en zeg “ik hou van jou” – en dat is daarom dan ook waar. Soms denk ik don’t let the world fuck you up. En dat zeg ik dan ook: “dont let the world fuck you up”.

En het is waar dat een mens niet kan liegen. Ieder speelt een rol, en iedereen is dat al vergeten, de tweede keer dat we ons die rol aantrekken al. We zitten al zo gemakkelijk in het cirkeltje van ons spel dat dat meteen ook het enige is wat we nog kunnen spelen, omdat al het andere niets dan wat gestuntel op zou leveren…

En ondertussen hoort niets méér bij onze persoonlijkheid dan dat wat we toevallig al die tijd al doen. Als personen zitten we ingeklemd tussen verwachtingen en gewoonte. Soms fantaseren we over wat we kunnen zijn, een hoer een ruimtevaarder of superman, en graag verwisselen we wens met realiteit, ja, we denken dat dat onze verborgen ik is…

Maar niets hoort méér bij ons dan de hapering die we laten horen als we dat willen zeggen waarvan we denken dat het ons het meest op het hart ligt.

 

VIII.

Het eerste waar de buurt over begon te klagen inzake mijn buurman was uiteraard de hond. De hond was gevaarlijk.

Nu was de hond ook het enige waarover men met recht bij deze teruggetrokken figuur kon klagen, en dat deed men dan ook, zij het niet bij hem, maar bij de slager en elkaar. Mijn vrouw en ik hadden daar evenwel niets mee te maken.

Die kijfwijven bij de slagerij, had ik mijn meisje verteld, luister niet naar ze, maar groet ze met je allerliefste glimlach (waar ik je zo om bemin) en kijk daarna met je neus naar boven – ze zijn je niet waard. Dat laatste heeft ze zich in korte tijd bijzonder goed eigengemaakt, zodat mijn vrouw bekend staat als een arrogant meisje, vrouw vanwege het geld (dat ook de rest van het werk doet).

Maar mijn buurman is ook niet wijs. Daar ben ik om totaal andere redenen van overtuigd dan die stomme hond. Wat mijn buren niet zien omdat ze het niet kunnen herkennen is de inhoud van zijn boekenkast. Die staat gevuld met hekserij, gevaarlijke westerse zwarte magie. Allemaal boeken waarvan de ongevaarlijke aftreksels met moderne slappe en veelkleurige kaften zijn terug te vinden op de plank “esotherie” van de V&D. Dat dat dan in de harde vorm bij mijn buurman staat is op zijn minst verdacht.

De bewoners van mijn buurt kijken tegen dit soort boeken aan als kookboeken, ze kijken door de ramen naar de kleur van de muren. Maar ik ben anders aangelegd. Ik ben van nature gespitst op iedere vorm van eccentriciteit die zich verbergt achter goed fatsoen. Een boek ontleent zijn kracht aan zijn band. De inhoud kan hetzelfde zijn, maar de kracht en heftigheid daarvan – en die kenmerken zijn wellicht nog belangrijker dan de inhoud zelf – worden altijd met de band onderstreept; hoe is de band verzorgt, hoe duur is zij ooit geweest? Dit zijn niet de banden zoals ze zitten om de boeken van een suffige verzamelaar. Er mist orde.

Ha! Nu zal het mij niet interesseren dat mijn buurman zich in zijn slaapkamer in een zwarte cirkel zou terugtrekken met wellicht in zijn linkerhand een verminkte amfibische levensvorm en in zijn andere hand een druipkaars teneinde zijn vloek uit te spreken over willekeurige en denkbeeldige vijanden uit alle windstreken; opmerkelijk is het wel… In dat kader was ik ook zeer gespitst op het feit dat mijn buurman een ochtend nog voor het wegtrekken der dauw uitvoerig zijn tuin aan het bezaaien was; iets wat ook in onze buurt niet als bedreigend of laakbaar wordt gezien. Ik vermaak me. Welke soorten magische planten zullen binnenkort hun stinkende adem over de huizen der buren uitstorten, en welke reactie zullen mijn brave buurtgenoten op het zien van de zwarte knoppen hebben?

Is er überhaupt een equivalent van een schoonheidscommissie in mijn buurt in de vorm van drie brave huisvrouwen die zich na verloop van tijd af zullen gaan vragen of er geen actie ondernomen dient te worden tegen stinkende distels, vliegenzwammen en dergelijke?

Welnee. Heemstede spreekt schande, en trekt zich terug in zijn tuin. En ik zal niet anders handelen. – Ik verkneukel me.

 

IX.

Mijn vrouw laat de golden retriever uit in het groenendaalse bos. Het bos vult zich met drollen van onze hond (en die van anderen). Het groenendaalse bos zou een drollenbos zijn als niet af en toe een paar arbeiders uit Haarlem in groen juten gestoken het bos opruimen, door alle drollen die zij zien te verwijderen. Zo blijft het groenendaalse bos het groenendaalse bos, zonder drollen, en de wandelpaden blijven begaanbaar voor geciviliseerde burgers die met hun kleding pronken zoals bijvoorbeeld en met name mijn vrouw, wiens lichaam er in tegenstelling tot dat van de meeste Heemsteedse geblondeerde vrouwen er nog zeker mag zijn, dit omdat zij pril en jong is.

De hond van de buren is onrustig. Het blaffen tegen de kinderen is omgeslagen in een constante productie van een heel spectrum van geluiden die men zich bij een hond niet zo gauw zou bedenken – ik hoor dat ’s nachts en ja, het klinkt bepaald griezelig. Mijn vrouw kruipt dicht tegen mij aan. Het janken wordt afgewisseld door de meest baldadige kreten van allerlei soorten gekte.

In de middeleeuwen zou deze hond afgeslacht worden als zijnde bezeten door de duivel. Misschien zou dat de juiste verklaring zijn geweest, en de juiste actie bovendien; nu wordt gewacht tot de hond op straat een kind doodt alvorens conclusies te trekken, want deze maatschappij gelooft in onschuld.

Het spitten gaat onverdroten voort. Door de schutting vliegt vaak de aarde, maar dit duurt evenwel nooit langer meer dan een minuut, daarna begint het beest raar te janken.

Mijn buurman is al een paar dagen niet meer te zien, maar dat hij thuis is kan men zien aan de wagen. Ik vraag mij af of ik aan zal bellen om hem te vragen maatregelen te nemen. Maar hier in het dorp bemoeit men zich met zijn eigen zaken, en vertelt alles wat geweten moet worden aan zijn vrouw (die vertelt het aan de slager).

Dat is juist wat ik zo prettig vind. Ben ik dan degene om deze tolerante regel te breken?

‘S nachts als wij echt niet kunnen slapen van de jankende hond bedrijf ik met mijn liefje de liefde, serieus, zwijgend en gedreven, en wanneer wij verzadigd zijn is de hond buiten vervallen in een laag monotoon gegrom dat door het vocht dat wij in elkaars mond hebben verkleurd wordt tot iets draaglijks en vredigs, in ieder geval iets dat heel ver weg is, en vallen wij toch in slaap.

 

XI.

De hond jankt. Ik hoor mijn liefje kreunen. Ik raak haar schouder aan, en ik kus haar schouder. Ik kruip dicht tegen haar aan en ik pak haar borst. Ze is wakker. Dat wist ik. Ik vraag waar denk je aan, maar zij zegt niks en draait zich om. We kijken elkaar recht in de ogen. Ik wil haar lippen met de mijne aanraken maar ik doe het niet. In plaats daarvan vraag ik haar weer: “waar denk je aan?”. Dan kust zij mij plotseling gehaast op de mond.

Ik maak mij los en ik zeg “ik hou van jou”, en het klinkt oprecht, net of ik het meen. Als ik maar lang doe alsof ben ik vast binnenkort al vergeten dat ik het niet zeker weet, dat ik twijfel of gevoel wel bestaat, en zo ja, oprecht is.

Ik blaas in haar haar en zij blaast in het mijne. Dan kijk ik in haar gezicht. Maar ze lacht niet. Ze kijkt mij roerloos aan en zegt: “ik ben zwanger”, begint dan te huilen.

En ik lach. Ik lach haar uit. Ik lach haar hartelijk uit in haar gezicht en ik zeg weer: “ik hou van jou”, ik zeg het nog een keer, en ik druk haar tegen mij aan. Wellicht heb ik nu al gelijk. Ik hou van haar omdat er nu geen weg terug meer is. Ik moet wel van haar houden, ik voel me zo opgelucht, zo opgelucht. De twijfel valt van mij af en ik lach. Nooit meer hoef ik te twijfelen want ik heb een kind. Ik krijg een kind en nu af aan zal ik nooit meer hoeven twijfelen of mensen mij geloven en of ik mijzelf geloof met mijn vrouw en mijn huis en mijn baan. Ik voel mij bevrijd en ik lach Inge uit, ja, ik lach mijn lieve vriendinnetje uit tot zij ook moet lachen want zij denkt dat ik haar toelach (misschien is dat wel zo) en we zoenen, en we voelen elkaar en voelen ons gelukkig.

We stoeien wat in bed en rollen om, we bijten elkaar en zijn opgetogen. Ik hou van mijn vriendin.

 

XII.

De hond gromt als mijn buurman de tuin inkomt. Nog even voorover hangen over de vensterbank en dan kan ik zijn bos haar vanaf hier goed zien. Hij loopt om de hond heen en poert met zijn stok tussen wat struiken, hier en daar. Het beest blijft op zijn plek zitten maar volgt zijn baas met zijn angstige ogen, heen en weer, heen en weer. Ik zie de groene ogen van de hond oplichten in het licht van de maan als hij zijn kop draait; de ogen van zijn baas zie ik niet – hij is een zwarte schim die heen en weer blijft lopen.

Als de hond reeds lang gestopt is met grommen, en slechts af en toe licht jankt verdwijnt de man weer in het huis. Enkele minuten later komt hij terug met een spiritusbrander. Ik kan niet precies zien wat hij boven de vlam uitspookt, maar na nog een paar minuten loopt hij naar voren met een kom waaruit de hond gehoorzaam begint te drinken.

… Het is toch te gek, hoeveel lawaai dat beest maakt! Ik ben anders dan de anderen; ik stoor mij niet aan mensen, niet aan beesten, niet aan het binnenlandse nieuws of aan verschijningen, maar het gejank van deze hond gaat mij door merg en been. Als ik dit zo laat beschouwen mijn buren van de andere kant me binnen de kortste keren als net zo zonderling! Dat mag niet gebeuren.

Ik sluip naar het hek. Meters van mij verwijderd hoor ik het krabben van de hond op de grindtegels. Als ik bij het gaas aangekomen ben luister ik of het krabben stopt, maar het gaat onverdroten voort. Voordat ik het gaas aanraak kijk ik om mij heen naar het geel verlichte trottoir. Er is niemand op straat. Uit mijn jas haal ik de korte nijptang, en plaats deze op het gaas. Enkele seconden laat ik hem daar rusten. Dan knip ik met een korte knip het gaas door. Even is het doodstil; het krabben is opgehouden, maar verder geen reactie.

Ik wacht weer enkele seconden en zet de tang dan weer tegen het gaas aan. Als ik knip hoor ik weer geen reactie. Overmoedig zet ik de tang voor de derde maal tegen het gaas. Als ik bijna weer knip schrik ik me een ongeluk want de hond begint plots weer te krabben.

Haastig en met een kloppende keel knip ik de rest van de strengen door, zonder om mij heen te kijken en zonder te luisteren. Als het gaas slap begint te hangen en een groot gat doet ontstaan loop ik snel weg.

Ik kom pas weer tot rust als ik mijn tuinhek door ben, het looppad belopen heb, en de deur die al die tijd op een kier stond achter mij dicht heb getrokken.

Hijgend sta ik in de gang, en ik zie mijn schichtige blik over het oppervlak van de spiegel glijden die de deur van de halkast beslaat.

Ik schud mijn hoofd als ik mijn mantel op de kapstok hang. De tang steek ik na enig nadenken in mijn jaszak. Ik loop naar de kamer, knip het ganglicht uit, duw de deur open en zie daar mijn vrouw, met opgetrokken benen op de bank. Ze leest iets van een vrouwelijke schrijfster, zo één met gevoelens, een verstandige vrouw – de hond kijkt naar David Hasselhof. “Iemand iets te drinken?” vraag ik.

XIII.

Die middag, mijn vrouw laat de hond uit in het Groenendaalse bos, gaat de bel als de thee begint te fluiten. Ik leg mijn laptop op de bank naast mij, loop naar de keuken, schakel het fornuis uit, loop door de gang naar de voordeur en doe hem open. Recht voor mij staat mijn buurman, zo dichtbij dat ik mijn lichaam een stapje achteruit breng; hij kijkt mij met verwilderde ogen aan, zo dichtbij staat hij, zo lang als de man is. – “Mijn hond…” brengt hij uit.

Hij is duidelijk in de war. Ik vraag hem wat er aan de hand is. De man begint stamelend te vertellen dat zijn hond in de war is en vraagt me dan of hij binnen mag komen. Ik nodig hem uit en bied hem thee aan. Ik wijs hem de kamer in als hij achter mij aanloopt en schenk in de keuken de thee op. Ik beweeg de pot enkele seconden heen en weer, dan haal ik het theezakje eruit. Deze leg ik op het papieren zakje, dan neem ik het papiertje met het zakje op en deponeer het in de vuilnisbak. Met de pot en twee glazen kom ik de kamer binnen. De buurman is op de poef gaan zitten, jaren vijftig design. Ik zet de pot op het tafeltje, verschuif mijn laptop en ga tegenover hem zitten.

“Mijn hond is ontsnapt.”, zegt mijn buurman als ik de thee inschenk. Hij beweegt zijn magere pikzwarte armen heen en weer voor zijn lichaam. “Mijn hond is ontsnapt en hij is momenteel gevaarlijk.” zegt hij dan. Ik trek mijn wenkbrauwen op. “U begrijpt het niet, maar mijn hond is momenteel in een trance. Hij is gevaarlijk. Ik heb u nodig om hem terug te vinden.”

Ik leun achterover en kijk de man enkele seconden aan. “Als uw hond gevaarlijk is dan is dat een zaak van de politie.” zeg ik dan, en ik wil naar de telefoon pakken, maar hij kijkt me aan en zegt dan weer: “U begrijpt het niet. Mijn hond is gevaarlijk, en ik heb u nodig om te weten wat er momenteel met hem gebeurt.”

Ik mompel wat, en de man kijkt mij nu strak aan. Zijn lange armen hangen nu voor zijn lichaam. “Ik heb u nodig. Ik kan via u te weten komen… Laat het mij uitleggen. U heeft een nuchtere natuur. Ik wil u gebruiken als medium voor mijn hond.”

Ik kijk hem aan en begin te lachen. Ik lach hem uit, maar de man blijft aandringen. “Het hoeft u geen moeite te kosten, geeft u mij slechts een voorwerp dat u het laatst bijstaat. Meer hoeft u niet voor mij te doen.” zegt hij.

Ik begin mijn zin met “het spijt me meneer” maar herinner mij plotseling het theezakje, en daarbij: ik word plotseling nieuwsgierig. Ik vertel de man te wachten en loop naar de keuken. Wat zou hij willen? Niet om het één of het ander maar dit kan interessant worden. Over mijn actie de vorige avond bij het hek voel ik mij overigens allerminst zenuwachtig. Wat zou die vent met zijn medium-zijn tegen mij weten te bewijzen? Wellicht is het verstandig mij na verloop van tijd van de tang af te maken, maar nee, ik poets hem op en leg hem keurig tussen het gereedschap, en daarnaast, het gaat hier toch om niets meer dan het doorknippen van een hek.

Ik kom terug met het papiertje met daarop het theezakje. De man neemt het van mij aan en bekijkt het. Dan bedankt hij mij: “dank u wel”. Hij brengt zijn gezicht tot vlak bij het nog warme zakje.

Een minuut lang is het stil als ik hem observeer. Na twintig seconden kijkt hij mij heel even aan – ik zie net zijn groene ogen op mij gericht, dan kijkt hij weer naar het theezakje.

Dan heft hij zijn gespannen gezicht weer op en zegt mij op een opvallend vlakke toon: “Als u van uw vrouw houdt, gaat u haar nu zoeken.”

Even is het stil; ik kijk voor mij uit.

Dan doe ik wat gedaan moet worden. Ik sta op. Als de man er niet bij was geweest was ik waarschijnlijk nog langer blijven zitten, hevig twijfelend, maar nu de man erbij zit sta ik op. Van binnen ben ik leeg als ik naar de deur loop. Koud emotieloos. Dan, als ik naar buiten loop, mijn jas aantrekkend begin ik sneller te lopen.

 

XIV.

Ik loop de laan uit en zie als ik schichtig achterom kijk de lange gestalte van mijn buurman achter mij in de deuropening verschijnen, met het opstaande, ravenzwarte haar. Als ik nog sneller begin te lopen begint mijn hart vanzelf harder te kloppen en begint de ongerustheid op te komen. Ik loop naar het Groenendaalse bos. Mijn ogen worden wijd open gewaaid door de wind, die spetters rondwaait en de mensen doet rillen; ik loop echter door. Mijn handen steken in mijn zakken en ik voel de tang. Het lijkt alsof ik mezelf met dit lopen tracht te bewijzen. Ik vraag mij onwillekeurig af hoe ik eruit zie, lopend door de regen, met een statige regenjas (ze was niet goedkoop), mijn zwartgelakte schoenen, pantalon en vastberaden ogen – mijn haar danst in de wind maar verhult niet de keurige scheiding die ik vanochtend heb aangebracht, dat ben ik. Zie ik er bezorgd uit of neutraal, of ligt dat in de ogen van de toeschouwer? Ik loop met lange passen de vier straten door die mijn huis scheiden van het Groenendaalse bos.

Ik loop met mijn lakschoenen over de modder en het grind aan het begin van het bos. In de verte zie ik enkele mensen lopen, met een hond dansend om hen heen met de bladeren in de wind. De recht aangeplante bomen met de drassige rechthoekige veldjes ernaast zijn bedekt door een dunne laag winterduisternis – bladeren liggen platgetrapt en zwart bedrabd tussen de plassen; het is vier uur.

Ik word onrustiger nu. Tot zover liep ik op mijn gevoel. Ik zou niet precies weten waar in het middelgrote wandelbos mijn vrouw zich bevindt. Ik ken het rondje dat ze normaal loopt met de hond, maar ik weet niet in welke richting ze loopt en of ze wellicht na zoveel keren soms een ander pad inslaat of af en toe wat rust neemt. Die kennis heb ik niet. Dat steekt me. Dan zie ik in de verte een groepje mensen staan. Daar loop ik op af.

Het groepje staat een eindje van het pad af. Grijze mensen met zwarte jassen die uiteen gaan als ik aan kom lopen. “De politie is gebeld.” zegt een man tegen mij. Ik kijk naar de grond. Daar ligt, met bloed op zijn kaken, de hond van mijn buurman. Dood. Zijn poten liggen in een verkrampte stand gebogen onder zijn lichaam. De wind speelt met de zwarte plukjes haar. Zijn tanden staan in een wilde grimas, en dof zijn zijn groene ogen. “Hij werd helemaal wild, de kinderen waren bang voor hem. Hij beet een os, die stond hier aan de kant, en daarna sloeg de os op hol. De os heeft hem gedood, denk ik.” zegt een vrouw met wijd opengesperde ogen. Ze heeft kort geblondeerd haar in een te verzorgd kapsel om aantrekkelijk te zijn; ze is een jaar of vijfendertig, klein en niet zo slank meer. Als ze spreekt beweegt een lichte onderkin zachtjes mee. Ik kijk ongerust om mij heen en een verschrikkelijk voorgevoel bekruipt mij. Zonder te weten waarom hol ik de mensen achter mij latend het bos in. Dunne takken zwiepen langs mijn broek, mijn jas, mijn gezicht. Ik stap in een plas maar ik merk het niet. Ik kan alleen de bomen zien en vrees wat daarachter ligt.

Ik zie dat iets groots zich heeft bewogen langs deze grond, of althans, ik denk dat te zien. Verder en verder loop ik, en als ik drie minuten zo geploeterd heb tussen deze struiken roep ik met schorre stem voor het eerst de naam van mijn vrouw: “Inge!”. En nog een keer roep ik haar naam: “Inge!”. Dan, als ik een heuveltje over loop, zie ik haar beneden mij plotseling staan in haar witte jas, zo’n dertig meter van mij verwijderd. Ze kijkt verstrooid naar beneden, de hond loopt een paar meter van haar af; een vredig aanblik. Ik wil bijna opgelucht ademhalen als ik plotseling een hevig gekraak hoor. Vijftig meter naast mij breekt uit het struikgewas opeens een massieve zwarte gestalte, en raast de heuvel af richting mijn vrouw. Ik schreeuw nu heel hard “INGE!”, de hond begint hard en snel te blaffen en mijn vrouw kijkt verschrikt naar de os en slaakt een afschuwelijke kreet – ik heb mijn vrouw nog nooit horen schreeuwen.

Het beest gaat razendsnel in de richting van mijn vrouw en als ik eindelijk de kop kan onderscheiden boort hij zijn horens in mijn meisje. “Inge!” roep ik nogmaals en struin met een vaart de helling af.

 

XV.

Wat ik zie vervult mij met afgrijzen. Als de os zijn kop opheft waarbovenop nu mijn vriendinnetje ligt word ik vervuld van een enorme woede en een enorme drang het uit te schreeuwen. En ik schreeuw het uit. Wist ik tot nu toe nog niet waarom ik hier door dit grijze aanplantbos struinde anders dan op bevel van mijn buurman, nu is het plotseling alsof op deze plek de tijd stil staat. Ik struin naar de os toe en begin hem te slaan. Met beide vuisten timmer ik op zijn zij. Op dat moment hoor ik het lichaam van Inge op de grond vallen. Ik weet niet wat ik moet doen, ik val tegen het dampende lichaam van de os aan dat stijf stilstaat, en tegelijkertijd rilt en beweegt. Ik wend mijn wang opzij en plots zie ik schrikbarend dichtbij zijn panische rode ogen, en ruik ik het schuim op zijn bek. En dan neemt het dier plots de benen en ik zijg ineen.

Ik val met mijn lichaam pardoes over dat van mijn meisje, en ik pak haar vast, en het is heel warm, en ik streel haar en ik zeg Inge, Inge, en ik vertel haar dat ik van haar hou, dat ik nu weet dat ik van haar hou, en ik hoop niet dat het te laat is, ik hoop dat zij het hoort, ik wil dat zij dat weet. Ik fluister het in haar oor, ik roep haar, ik pak haar vast en til haar op, en schud haar door elkaar. Dan klinken er in mijn oren sirenes en word ik van haar lichaam afgesleurd, tamelijk hardhandig. En als ik zie dat twee broeders haar beginnen te reanimeren en een kompres aanleggen leidt een agent mij naar een arrestantenbusje en geeft mij een kop koffie. Maar ik kan naar niets anders kijken dan naar de plek waar steeds meer mensen omheen staan, en ik vraag mij af waarom een mens pas begint te voelen wat hij is op het moment dat hij vreest dat het voorbijgaat – wanneer hij geconfronteerd wordt met de realiteit, die gevoelloos is, zonder identiteit en zinloos bovendien.

 

XVI.

Mijn meisje komt over drie weken thuis, en zal dan nog twee weken niet mogen lopen. De dokter zegt dat zij volledig zal herstellen, maar dat wij nooit kinderen zullen kunnen krijgen.

In de tuin staat nu een bord met TE KOOP – we verlaten Heemstede. Wij horen hier niet. Niemand zal ons ooit geloven. Niemand zal geloven dat we van elkaar houden als we niet naast een huis en een auto en de hond een kind zullen hebben lopen door de gepommadeerde straatjes van dit gereserveerde dorp.

Toen iedereen in ons geloofde geloofde ik ons zelf niet. Nu twijfelt iedereen aan onze relatie, bij de slager en in de rij bij de kinderbibliotheek – ik heb de Heemstedenaren echter niet meer nodig om mij ergens van te overtuigen.

De zonderlinge gebeurtenissen worden ons kwalijk genomen. We worden erger gemeden dan onze zonderlinge buurman – want wij zijn erger dan hij. Wij zijn zelf geen zonderlingen, wij gaan met ze om.

We kijken zwijgend naar de muren naast elkaars gezicht. Wij lezen tijdschriften en kijken door het raam naar de kaler wordende bomen.


Deel dit: