Magda is overal – Christian Jongeneel

Deel dit:

Er zijn van die boeken die je na het lezen nog dagen of zelfs weken door het hoofd blijven spoken. “Magda is overal” van Christian Jongeneel is zo’n boek, althans, in mijn geval.

Ik ken Christian persoonlijk in die zin dat ik hem een paar keer heb ontmoet bij een Sargasso borrel. Vaker lees ik hem in een mail of via de groepschat. Nog vaker las ik zijn columns. Zijn reeks ‘kras’ – ironische microcolumns van een overpeinzende ‘gutmensch’ – is naar mijn mening briljant geschreven.

Maar nog nooit las ik een boek van hem. Qua romans is dit zijn eerste. En het is echt verrassend goed. Christian doet met “Maga is overal” een greep naar de wereldliteratuur: in ieder geval in letterlijke zin, want Magda is Overal gaat ogenschijnlijk niet over Rotterdam, maar over de hele wereld. Zoals Magda in de roman overal vandaan komt, gaat Magda ook overal naartoe.

Magda is van Fries-Chinees-Indonesisch-hindustaans-surinaams-marokkaans bloed (volgt u het nog), en neemt ons mee naar New York, London, Brazilië en Parijs, en vervolgens recht de Himalaya in. Zij wordt ons in het eerste deel beschreven door haar broer Dede. Dit deel is humoristisch en meeslepend en behoorlijk absurdistisch. Een prima kans voor Christian om te laten zien wat een meesterverteller hij is, door de vele buitengewoon grappige vondsten in stijl en semantiek. Het leest als ‘Gimmick’ van Zwagerman, maar dan tien keer zo grotesque. In andere recensies las ik dat andere lezers dit deel soms wel erg doldwaas en over the top vinden, maar dat is mijns inziens juist de kracht van dit verhaal – er wordt duidelijk gespeeld met stijl en vertelvolgorde.

Middenin het boek wordt dit eerste deel vrij abrupt afgesloten, en gaat het verder in een volgend deel. Het karakter van deze vertelling, die honderd jaar eerder begint, is langzamer. Toch is het contrast minder groot dan de recensies mij beloofden. Ik vind dat op zich een goed teken. De verhalen “passen” bij elkaar. Er wordt teruggeschakeld, maar niet te extreem. Er is meer aandacht voor de beschrijving van landschappen en personen en persoonlijke overpijnzingen, maar een echte Couperusvertelling wordt het niet: het blijft een vlot geschreven verhaal, maar nu zonder de grappen en grollen van het eerste deel, en meer schijnbaar-realistisch.

Het derde en laatste deel is het deel wat door Jongeneel in zijn promovideo wordt omschreven als een “thriller”, waarover je volgens hem dan niet teveel mag weggeven. De recensies die ik tot nu toe las, volgen hem daar braaf in. Op zich jammer. Want die thriller kwam er in mijn beleving niet. Gelukkig maar, zou ik zeggen. Het was allemaal wat veel geweest. Wel vinden we een zoektocht naar wie de verteller uit deel één, Dede, uiteindelijk is. Het staat in alle opzichten in hoog contrast met het eerste deel, zowel qua vertelstijl, als in de geografische spanne van het verhaal, als in snelheid, maar ook vooral inhoudelijk. Als het een thriller moet zijn, dan is het eerder een thriller als van Paul Auster dan een van Agatha Christie. Bij het dichtslaan weet je als lezer eigenlijk nog steeds niet van de hoed en de rand. (Verondersteld) feit en fictie lopen in feite nog altijd flink door elkaar.

Maar toch heb je als lezer het idee dat je wel zo ongeveer begrijpt hoe de zaken in elkaar steken. En dat is geen leuke ontknoping: het boek eindigt in een onheilspellende mineur. Jongeneel zelf zegt in zijn promovideo dat Magda en Dede ieder een andere manier belichten van hoe het is om van gemengd bloed en cultuur te zijn: je kunt jezelf aanpassen en het gemengde bloed vieren, zoals Magda, maar ook in verwarring raken en in woede ontsteken, zoals Dede. Het boek gaat over euforie, over feest, seks, de rijkdom van culturen, maar ook over geld, geweld, mode en hypes, en uiteindelijk blijkt de glamour in het boek vooral klatergoud te zijn. Dat is dramatisch gezien totaal correct, maar de vraag is of Jongeneel daarmee het belangrijkste gezegd heeft over het thema van zijn boek: migratie en de menging van culturen. Er klinkt een geest in het boek door die zich opdringt, en uiteindelijk niet alleen de lezer, maar ook de schrijver niet loslaat.

Als kunstwerk is Magda is Overal buitengewoon geslaagd. Als statement zullen we het er maar mee moeten doen. Maar dat is dan ook juist het goede eraan, want kunst is niet om te vlijen, of om pasklare antwoorden te geven.

Ik zou zeggen: lees dat boek.


Deel dit:

En uit de bergen klonk de echo – Khaled Hosseini

Deel dit:

Ik kan me nog herinneren dat ik na ‘de Vliegeraar’ van Khaled Hosseini een boek van Sandor Marai las, en er niet in kon komen. Waar in Hosseini’s debuut mishandeling en levenslange verminking het lot is van hoofdpersonen, ging het boek van Marai ‘slechts’ over het lijden aan een levenslange liefde, en ik dacht: wat een obsessieve verwende zeikert is dit toch! Misschien moeten we meer over echte ellende lezen om onze geestelijke pijn te relativeren.

Ook in Hosseini’s boek ‘Duizend Schitterende Zonnen’ gaat het er heftig aan toe. Bij ‘de Vliegeraar’ zijn vooral kinderen het slachtoffer, in zijn tweede roman zijn het de vrouwen. Het maakt het niet minder pijnlijk. De Afghaans Amerikaanse schrijver gebruikt zijn geboorteland voor het grootste gedeelte als achtergrond en ellende is daar niet moeilijk te vinden.

Ik zette dus mijn tanden al op elkaar toen ik aan ‘En uit de bergen kwam de echo’ ging lezen. En ja, ook in dit boek speelt lichamelijke verminking een duidelijke rol. Maar toch speelt dit een minder grote rol en is het minder rauw dan in de voorgaande twee boeken. In plaats hiervan komt vooral de pijn van mensen die elkaar hun hele leven mislopen aan bod, soms letterlijk, maar ook in de vorm van elkaar-niet-verstaan.

Dit verhaal wijkt ook af van de voorgaande twee, doordat het in de vorm van verschillende verhalen wordt verteld. Elk verhaal verwijst door naar het volgende en terug naar het vorige, maar staat eigenlijk op zichzelf. Een man die zijn driejarig zusje verliest, en zijn hele leven hoopt terug te zien. Een vrouw die haar hele leven de schuld op zich moet nemen voor het ongeluk dat haar zus getroffen heeft. Een homoseksuele man die alleen heimelijk liefheeft en een saai en keurig leven lijdt, en verlamd raakt voordat hij zijn liefde uiteindelijk durft te verklaren. Een vrouw die even getalenteerd als getormenteerd is en uiteindelijk zelfmoord pleegt, hoe haar dochter daaronder lijdt. Een jongen die zijn vader beschouwt als weldoener die erachter komt dat de weldoener net zo goed een misdadiger is. Een man die zich voordoet als egoïst die uiteindelijk een weldoener blijkt. Een man die plastisch chirurg wordt door de confrontatie met een verminkte jeugdvriendin.

In het verhaal waarmee het boek opent, treedt een demon op die het kwaad lijkt te vertegenwoordigen, maar ook het goed in zich draagt: een thema dat telkens terugkeert. Het is een sombere wereld die Hosseini beschrijft. Mensen die iets goeds willen, maar zich tekortgeschoten voelen. Maar wat is hij een meesterlijk verteller! Hij brengt vooral Afghanistan door zijn verschillende moeilijke perioden in beeld, maar ook het leven van mensen in San Francisco, Parijs en een Grieks eiland tot leven. In zijn biografie lees ik dat de man ook arts is, wat geen verbazing wekt. Enkele van zijn hoofdpersonen zijn arts, maar de medische werkelijkheid van mensen wordt ook gruwelijk goed beschreven. De onmacht van mensen tegenover de rampen die het lichaam treffen is een ander terugkerend thema. Ook schrijnende armoede wordt levendig beschreven.

Het blijven echter achtergronden voor een serie verhalen die vooral lijken te draaien om mensen die elkaar een leven lang missen. Ik denk dat Hosseini er met zijn rauwe achtergronden in mijn ogen beter in slaagt dan Marai dat gevoel bij mij uit te beelden.

Het is al met al geen vrolijk makende literatuur, maar het lezen levert naar mijn mening echt iets op. Ik zie nu al uit naar deze man zijn volgende boek, al duurt het meestal een tijdje voordat hij de volgende uitbrengt: ik kan mij voorstellen dat het bijzonder zware bevallingen zijn.


Deel dit:

Paul van Ostaijen – Muziek en dansgedichten

Deel dit:

Ik lees graag, maar eigenlijk nooit gedichten. Het meeste gaat langs mij heen. Met hier en daar een uitzondering: de gedichten van van Ostaijen vormen eigenlijk bijna altijd zo’n uitzondering… In alles muzikaal, bijzonder geestig, vol van leven, en ze blijven hangen… strofen komen bij me terug.

Wellicht de meest beroemde van van Ostaijen is Huldedicht aan Singer. De hier aangelinkte verzameling lees ik graag met enige regelmaat. Het is voor zover ik weet een selectie uit diverse werken, maar het is een mooie selectie, ook in een mooie volgorde. Het begin met die trillende luit, dan plotseling helemaal los met de Boere-charleston, en wie belandt er niet zelf in de nachtelijke optocht met een tekst als:

“Lichtende lampen
laaiende lampen
licht van laaiende lampen
dans van laaiende lampen
kadans van lichtende lampen
kadans van laaiende lampen
dans van de lucht in waaiende lampen
waaiende dans van de lucht in laaiende lampen
laaiende kadans in de waaiende lampedans
kadans van lampedans
licht van lampen
Lansgekletter
muziekgeschetter
geschetter van klare klarinetten
helder gekletter van klare klarinetten
helder gekletter klarinettegeschetter”

… en dan de laatste strofe van het laatste gedicht:
banjo’s whisky JAZZ

Volgens mij staat-ie nu al bijna twintig jaar zo op het net, en laat-ie er nog lang blijven staan


Deel dit:

Heren van de Thee

Deel dit:

Hella Haasses ‘Heren van de Thee’ geeft een prachtige genuanceerd beeld van de theecultuur van de Nederlandse bezetter in het huidige Indonesië. Zowel de goede wil als het falen van de overheersers wordt er pijnlijk in duidelijk. 

Lees verder Heren van de Thee


Deel dit:

Steeds als ik zin van het leven te pakken heb komen ze weer met iets nieuws

Deel dit:

DE moderne filosofie lijkt de vraag ‘hoe moet ik leven’ een beetje in de steek gelaten te hebben. Voor de Griekse en Romeinse filosofen stond die vraag centraal, tegenwoordig hebben filosofen het liever over ‘wat is waar’… Lees verder Steeds als ik zin van het leven te pakken heb komen ze weer met iets nieuws


Deel dit:

Sapiens van Harari: dit niet gelezen hebben…

Deel dit:

Toen ik studeerde hadden een vriend van mij en ik de gewoonte elkaar boeken door te schuiven met de toezegging “dit niet gelezen hebben is het niet begrepen hebben”.

Het idee was dan dat zo’n boek belangrijke inzichten leverde over filosofie, kunst, mensen, of het leven. Het ging dan in die tijd om boeken van bijvoorbeeld Nietzsche, Hesse, Kellendonk, Céline, boeken over kunstenaars als Warhol, Zappa, Picasso. Maar ook mindere goden kregen dit predicaat mee. Het was een studentikoze manier om de ander in zijn eergevoel aan te spreken het boek maar zo snel mogelijk te lezen.

Nu geven we elkaar nog steeds boeken, maar dan meestal met een minder pretentieuze uitspraak als “dit is leuk, moet je lezen”. Want als je jong bent valt er veel meer te ontdekken: je hebt nog niet zoveel gelezen dus alles wat je oppakt dat wat voorstelt is gelijk een nieuwe wereld waar je in stapt. Waarbij ik niet wil zeggen dat ik nu alles pretendeer te weten: ik pretendeer hooguit beter te weten wat ik niet ken, en waar ik dat eventueel zou kunnen vinden.

En dat zal voor die vriend van mij ook wel gelden, dus zulke dwingende adviezen die we elkaar toen gaven, geven we elkaar niet meer.

Dit boek, “Sapiens” van Harari, kreeg ik niet van hem. Maar hij gaat het, beloof ik hier, in de nabije toekomst wel lezen. En ik zou het nog heel veel mensen willen toeschuiven met het predicaat “dit gelezen hebben is het niet begrepen hebben”.

Niet dat er heel veel gloednieuwe wetenswaardigheden in staan. Het boek bevat wel veel interessante historische feiten, maar veel daarvan is echt al breed bekend. De manier waarop Harari echter de hele geschiedenis van de mensheid, van homo erectus tot aan de nabije toekomst, aan elkaar schrijft, is bijzonder, en zijn insteek levert ook nieuwe gedachten op.

In het bijzonder was ik getroffen door zijn hoofdstuk over religie. Hij geeft een meer fundamentele (atheïstische) verklaring voor religie dan het wat platte “men zocht nu eenmaal een verklaring voor wat men niet snapte”, dat je zo vaak hoort, een verklaring die zo’n hoop zaken van religie onverklaard laat. De verklaring van Harari verklaart zoveel meer, en heeft voor mij de half gesloten ogen geopend. Wie wil weten wat de overeenkomst is tussen de Nederlandse staat, de Islam en Peugôt moet echt dit boek gaan lezen.

Daarbij geeft Harari een heel mooi en compleet overzicht van het ontstaan van religie en van de religies die we tegenwoordig (mijns inziens overigens ten onrechte) aanduiden als ‘de monotheïstische religies’ (de drie-eenheid Jodendom, Christendom en Islam). Dit was voor mij dan wel niet zozeer nieuw, maar hij brengt het op een prachtige en relativerende manier in kaart, een manier die mij lichtelijk jaloers maakt. Veel mensen zou ik dit boek graag willen toeschuiven met de woorden “let ook vooral hoe hij de samenhang beschrijft tussen het moderne monotheïsme, en zoroastrisme, manicheïsme, animisme en boeddhisme”. Er is zoveel meer aan religie dan alleen geloof in een Mannetje met een Oordeel, dat wordt door dit boek wel duidelijk.

Soms komt Harari met ongemakkelijke maar zeker treffende analyses. Bijvoorbeeld wanneer hij het Nazisme indeelt bij het ‘liberale humanisme’. Ook komt hij met feiten die niet zo algemeen geaccepteerd zijn. Zo zie ik een recensent van de Volkskrant schrijven: “En dan zijn er nog de kleine uitglijers. Toen Constantijn keizer werd, was het christendom volgens Harari nog een obscure oosterse sekte. De West-Europese provincies droegen praktisch niks bij aan het Romeinse Rijk.” Ik zou dat geen uitglijers noemen. Dit zijn heel goed te onderbouwen claims.

Dat neemt niet weg dat ik het ook niet in alles met Harari eens ben. Soms gaat hij wat kort door de bocht, en het schisma tussen monotheïsme en dualisme in religie is wat mij betreft wat kunstmatig. Maar dit zijn details.

Detail is voor mij ook dat Harari uiteindelijk uitkomt op een toekomstvoorspelling die zeker interessant is, maar ook vaag, en hoog speculatief. Het slot is wat mij betreft niet het sterkste deel van het boek, en het ligt ook niet in lijn met de rest van het geschrift. En dat is misschien waarom ik veel recensenten zie schrijven dat ze aan het eind van het boek het spoor bijster raken.

Wat mij meer bijblijft is hoe hij in het hele boek beschrijft hoe de mensheid door de millennia heen van een veelheid in een eenheid aan het veranderen is, hoe we via uitvindingen als het vuur, de landbouw, het schrift, geld en kapitalisme, enerzijds de wereld veroveren, en anderzijds van een troep apen veranderen in een bijenkorf. Of dat vooruitgang is of niet, dat laat Harari feitelijk in het midden.

Een speculatie over een nieuwe wereldorde, wat ik min of meer verwacht had na zo’n verhaal, mist. In plaats daarvan eindigt Harari met een korte zoektocht naar het geluk, en doet zodoende een heel ander schot voor de boeg. Maar dan had hij volgens mij anders moeten beginnen, en laat hij teveel uit de hele geschiedenis van de mensheid en het menselijke denken daarover onbesproken.

Los van dit wat rare einde is dit boek toch echt een aanrader. Lezen! Want dit niet gelezen hebben, is het niet begrepen hebben.


Deel dit:

Guignol’s Band – Céline

Deel dit:

Vergeten boek? Ha! Dan denk ik aan ‘Guignol’s Band’! Van Céline!… Louis Ferdinand Destouches… alias Louis-Ferdinand Céline, de grote stijlvernieuwer! Met zijn korte zinnen! En zijn drie puntjes… nooit, nooit zou de literatuur meer hetzelfde zijn…

Het ging zo… toen ik student was leerde ik ooit Brusselmans kennen… vond ik geweldig! Dat was pas andere koek dan dat ik voorgekauwd had gekregen als literatuur op school! Niks geen volzinnen… spreektaal! Alledaags geneuzel… gewoon, pats! direct op papier! Dacht nog bij mezelf: dit is een grote vernieuwer… Wist ik veel… ik was ook pas twintig…

Zo laafde ik me aan weliswaar grappige doch vrij middelmatige literatuur… totdat een vriend mij vertelde: maar… dan heb je Céline nog niet gelezen! Wie? Céline! Kwam-ie met een boekje aan zetten… Gesprekken met professor Y… damn… meteen was ik verkocht… Lees verder Guignol’s Band – Céline


Deel dit:

Boekbespreking: “Vrijheid voor Gevorderden”, Paul Teule

Deel dit:

RECENSIE – Paul Teule’s boek ‘vrijheid voor gevorderden’ leest vlot en is een mooi pleidooi om het concept ‘vrijheid’ in de politiek op een meer sociale manier te gebruiken. Ondanks dat gaat het boek uw recensent Klokwerk nog niet ver genoeg…

Op mijn middelbare school beweerde mijn docent maatschappijleer ooit dat er twee belangrijke waarden in de politiek zijn: Vrijheid en Gelijkheid. Zijn stelling was dat deze waarden als vanzelf met elkaar in botsing zijn. Linkse mensen zouden gelijkheid belangrijker vinden, rechtse mensen hechten meer aan vrijheid. Ik vond dat toen al een onzinnige stelling. Is het niet zo dat vrijheid en gelijkheid elkaar juist kunnen versterken?  Paul Teule, docent politieke economie aan de Universiteit van Amsterdam, maar ons natuurlijk vooral bekend als schrijver voor Sargasso,  laat ons in zijn nieuwe boek ‘Vrijheid voor Gevorderden’ zien dat dit kan.

Daarvoor moet Teule eerst wel het begrip vrijheid herdefiniëren, want in onze samenleving wordt dit begreep volgens hem veel te nauw opgevat. Vrijheid is volgens Teule niet alleen ‘negatieve vrijheid’, vrij zijn van geboden, maar ook ‘positieve vrijheid’: vrij zijn in de zin van het hebben van mogelijkheden. Het heeft volgens Teule geen zin om vrij te zijn van geboden als er geen mogelijkheden zijn. En daar heeft hij natuurlijk een ijzersterk punt.

De te nauwe opvatting van vrijheid is volgens Teule de reden voor een politieke en morele crisis. De misvatting dat vrijheid alleen maar het vrij-laten zou zijn, zorgt voor een zoek-het-zelf-maar-uit-samenleving, waarin mensen tegelijkertijd onbeschoft en lichtgeraakt zijn, en de overheid vooral ervaren wordt als een last. Volgens Teule is het echter nog niet te laat: als wij leren de verworvenheden die wij als Nederlandse samenleving gerealiseerd hebben opnieuw in dat licht te waarderen, als regels die ons juist vrijheid opleveren in plaats van vrijheid kosten, hebben wij weer een politiek kompas waarop we kunnen varen.

In dit licht bespreekt hij in ‘Vrijheid voor Gevorderden” vervolgens een heel aantal politieke domeinen en issues: de vrijemarkteconomie, het vrije woord, vrijheid van onderwijs, alcohol en drugsbeleid, beleid ten aanzien van prostitutie, emancipatie, staatssoevereiniteit en integratie, en telkens laat hij zien dat om werkelijke vrijheid voor burgers te bevechten, de overheid niet kan weglopen van haar taak, en dat een laissez-fairpolitiek eerder minder dan meer vrijheid oplevert. Om een werkelijk vrije samenleving te  krijgen moet de overheid volgens Teule optreden als marktmeester, als een partij die actief investeert in het onderwijs, die controle oplegt en uitvoert op verdovende middelen, die prostituees bescherming garandeert, mensen de helpende hand biedt bij emancipatie, en door internationale samenwerking zijn invloedsterrein vergroot.

Het sterke van deze verdediging van een sterke regulerende overheid is dat ze niet contrair is met het vrije-marktdenken en de angst voor het verlies van vrijheid, maar in lijn ligt daarmee, en dus ook niet kwetsbaar is voor liberale bezwaren. Een goed voorbeeld is hoe Teule de stand van zaken aangaande prostitutie beschouwd. Teule bepleit dat er in deze gelegaliseerde sector veel te weinig controle en naleving is, en dat daarom de criminaliteit welig tiert. Weinig vrijheid voor seksslavinnen. In plaats van zich dan tegen legalisatie te keren pleit hij voor veel meer geld naar controle en voorzieningen voor mensen die in deze sector werken. Hij onderbouwt dit niet alleen door een moreel appél te doen inzake de vrijheid van prostituees, maar door tevens te stellen dat deze sector indirect een enorme bijdrage levert aan de economie. Welke toerist in Amsterdam gaat immers niet even een kijkje nemen op de wallen? Om deze economie zichzelf niet te laten ondermijnen is het volgens Teule niet meer dan logisch als de sekswerkers zelf veel meer van deze verdiensten terug zouden zien. In een werkelijk vrije samenleving worden kosten en baten doorberekend in het product, en waar de markt dit niet zelf regelt, is het volgens Teule logisch dat de overheid dit afdwingt.

De rechtgeaarde VVD’er die vrijheid slechts ziet als het opheffen van regels zal voor dit soort pleidooien voor overheidsbemoeienis en staatssubsidies uiteraard terugdeinzen, maar voor hem biedt dit boek dan ook een belangrijke uitdaging. Teule weet namelijk heel aannemelijk te maken dat juist dit terugdeinzen zorgt voor beperkingen in de inviduele vrijheden van burgers. Teule onderbouwt zijn betoog met allerlei politicologen, filosofen, psychologen, neurologen, sociologen en economen van nationaal en internationaal belang, zonder dat “Vrijheid voor Gevorderden” saai of taai om te lezen wordt. Hij laat daarbij ook de tegenstanders van zijn eigen standpunt aan het woord, en schroomt er niet voor telkens zijn eigen uitgangspunten te bevragen en ook te toetsen aan resultaten in de praktijk. Daarmee zet hij een zeer grondig en gedegen (soms zelfs in mijn ogen wat over-voorzichtig) betoog neer, waarin en passant een feest aan mooie citaten verwerkt is. “Vrijheid voor Gevorderden” is daarbij ook voor de leek makkelijk leesbaar en onderhoudend.

Helaas stelde Teule mij in één aspect teleur, namelijk waar hij in zijn bespreking het sociale stelsel van uitkeringen en volksverzekeringen met rust laat. Slechts in het laatste hoofdstuk noemt hij het sociale stelsel, zonder daarbij echt voorbeelden te noemen laat staan uit te werken, wat hij bij de andere politieke domeinen wel doet. Dat is jammer, want zijn betoog is mijns inziens naadloos te extrapoleren naar die terreinen, en hij had hier ook weer ondersteuning kunnen vinden bij verschillende denkers. Zo wordt het idee van een basisinkomen in bepaalde liberale kringen van oudsher omarmd omdat het niet alleen regelarm is, maar vooral omdat het mensen de mogelijkheid biedt om zich vrij van overheidsbetutteling te ontwikkelen. Ook Ronald van Raak van de SP bepleitte in een lezing aan de Teldersstichting dat mensen die wérkelijk voor vrijheid zijn, de mensen juist mogelijkheden biedt in de vorm van sociale zekerheid. Teule stelt in zijn boek dat eigenlijk iedere partij in Nederland een liberale partij is, en hij neemt alle partijen van PVV en VVD tot GroenLinks en SP in zijn betoog mee, maar door deze omissie komt het boek bij deze lezer uiteindelijk toch vooral over als een D66-betoog: sociaal, maar over het vangnet helaas maar weinig woorden.

Ondanks dat is het boek ‘vrijheid voor gevorderden’ van Teule een aardige uitdaging voor de vastgeroeste rechts-liberaal om zich af te vragen of hij wel zo consequent is in zijn vrijheidsliefde, en voor mensen met een grotere hang naar de socialere aspecten van de samenleving een wapen om dit niet alleen met het concept ‘gelijkheid’ maar ook juist met ‘vrijheid’ als argument sterker te verdedigen. Een aanrader dus.

‘Vrijheid voor Gevorderden’ is vanaf vandaag (11 maart 2016) te bestellen bij Boom uitgevers te Amsterdam, voor een verkoopprijs van €19,90. Paperback, 204 pagina’s . ISBN 9789089536235.

Dit artikel verscheen eerder op Sargasso.nl


Deel dit:

HHhH – een heerlijk maar volkomen fout boek

Deel dit:

Waarin de auteur de bestseller HHhH bespreekt, en hij lagen in het boek ontdekt die zelfs de schrijver waarschijnlijk niet begrijpt.

In Europa en Amerika, overal wordt het boek HHhH van de fransman Laurent Binet de hemel ingeprezen. Het boek over de waargebeurde aanslag van het Tsjechische verzet op de nazileider Heidrich is nog steeds een bestseller. Bij het lezen ervan vielen me echter een heel aantal dingen op die ik in geen recensie teruglas. Vandaar dat het mij de moeite waard lijkt om er nog één kritische recensie tegenover te zetten.

 

Feit en fictie

Binet veroordeelt aan het begin van zijn boek alle fictie, en doet dat af als “kinderachtig”. Daarbij heeft hij zichzelf de opdracht gegeven een boek te schrijven over alleen maar de feiten. In zijn woorden om zijn hoofdpersonen “recht te doen”.

Dit levert een flinke worsteling op, want natuurlijk zijn niet alle feiten over de aanslag op Heidrich en de verzetshelden bekend. Het uitgebreide verslag van deze worsteling, die het hele boek door blijft lopen, maakt het interessant.

Feit en mening

Goed, Binet wil zich dus beperken tot de feiten bij zijn beschrijvingen. Maar omdat de man wel degelijk een mening heeft, schrijft hij die er continu naast. Kijk, en dat vind ík nou kinderachtig. Waarom niet alle misdaden van de nazi’s beschrijven en de lezer zelf een oordeel laten vellen? De gruwelijkheden die hij beschrijft, zeggen meer dan genoeg.

De rancune van Binet tegen iedereen in het verhaal die de nazi’s niet al te hard tegen de haren in wilde strijken, ook al is het uit pure angst of onmacht, is daarbij exemplarisch voor de typische na-oorlogse politieke correctheid van de beste stuurlui die aan wal staan.

Zwart-wit

Maar deze fout gaat nog verder. Alle nazi’s die Binet beschrijft, wil hij ook tot fysiek lelijke misbaksels maken. Allemaal hebben ze rattenkoppen of een paardenhoofd. Zijn verzetshelden daarentegen hebben allemaal op zijn minst fonkelende ogen, en ook als ze overduidelijk puur lelijk moeten zijn geweest roemt hij hun uitstraling. Deze neiging doet mij onwillekeurig denken aan de stelling: alle joden hebben een haakneus.

Vooral omdat deze neiging verder dan alleen maar het fysieke. Alle Duitse soldaten én Duitse burgers worden door Binet omschreven als ellendelingen waarvan het uiteraard niet erg is als er een paar sneuvelen door kogels van zijn helden. Terwijl de soldaten ook vaak maar jochies in dienstplicht waren, en wie Duits geboren is natuurlijk nog geen erfelijke slechtheid in zich heeft.

Binet maakt het nog bonter. Hij noemt de beslissing van een Tsjechische koning om Duitse gastarbeiders te importeren, in nota bene 1200 na christus, een “historische fout”…. alleen maar omdat Hitler er 700 jaar later misbruik van zou maken.

Dit lezende bekroop mij een sterk gevoel van Blut-und-Boden-denken. Hoe kan iemand die een boek wil schrijven tegen het naziregime deze denkfout maken?

Verzet

Binet zelf vindt verder dat hij met zijn roman recht heeft gedaan aan zijn helden, en bewezen heeft dat het harde verzet altijd tot de beste resultaten heeft geleid. Ook daar ben ik naar aanleiding van zijn eigen geschrift nog bepaald niet van overtuigd. Het strategisch belang van de dood van Heijdrich is hoogst twijfelachtig, en door de represailles naar aanleiding van de aanslag zijn duizenden onschuldige burgers omgebracht. Hele dorpen zijn platgebrand en is feitelijk het hele Tsjechische verzet ontmaskerd en opgepakt.

Maar Binet stelt daar doodleuk tegenover dat de aanslag volgens hem alleen al zin had omdat doordat de Duitsers deze represailles uitvoerden de mondiale publieke opinie zich tegen hen keerde. Hierbij valt mijn mond open van verbazing. Dit is als de Holocaust leuk vinden omdat daarmee tenminste duidelijk werd dat de nazi’s zo een akelige filosofie hadden. De wereld op zijn kop.

Stijl

En dan de schrijfstijl. Het boek is zeer meeslepend geschreven: de lezer legt het niet weg. Maar de retoriek van helden met fonkelende ogen en schurken met een rattenkop doet af en toe toch meer aan kinderboeken of de boeketreeks denken dan aan literatuur, en de klungelige wijze waarop Binet af en toe zijn eigen liefdesleven op halfslachtige wijze met het verhaal probeert te verweven is ronduit gênant.

Postmodern

Naar mijn mening is de opdracht die Binet zichzelf gegeven heeft om zich bij de feiten te houden sowieso onmogelijk. Ieder oplepelen van feiten door middel van woorden wordt immers gekleurd door interpretatie. Dus ook als Binet een boek geschreven had over zijn eigen leven, over zaken waar hij met zijn neus dagelijks zelf bij zat, was zijn boek fictie gebleven.

Mij lijkt dat echter geen ramp. Een schrijver gebruikt naar mijn idee dan ook geen beelden om iets of iemand uit het werkelijke leven recht te doen, maar om zijn eigen interpretatie, zijn eigen fictie, aan de lezer over te brengen. Mijns inziens is fictie dan ook bepaald niet “kinderachtig”. Het is de kern van literatuur.

In sommige recensies wordt dit boek een postmoderne roman genoemd. In zoverre terecht waar de postmoderne literatuur zich kenmerkt door het centraal stellen van de moeilijke relatie tussen feit en fictie, waarbij de auteur vaak ook tot onderwerp wordt van zijn eigen boek. Dit wordt dan meta-fictie genoemd.

De kern van de postmoderne filosofie echter, de stelling dat een absolute waarheid niet bestaat, wordt in het boek juist ontkend. Integendeel, het boek is tot het einde toe een pleidooi voor de zoektocht naar die absolute waarheid, en daarmee de getuigenis van een mijns inziens nogal verdacht zwart-wit denken.

Conclusie

Dit boek zou voor wie het ook te interpreteren zijn als een poging van de schrijver om zijn poging om “de waarheid” op te schrijven, in het belachelijke te trekken, zoals in een echte postmoderne roman gebeurt. Ook zou het boek een prachtige afrekening kunnen zijn met de neiging om in zwart-wit-stellingen te denken, en zo zelfs in de valkuil te lopen onbedoelde rassentheorieën op te stellen. Of het zou een afrekening kunnen zijn met de blindheid van de verering van de mensen die deelnamen aan het gewapend verzet. En dit alles dan subtiel in het belachelijke getrokken door een bombastische schrijfstijl.

Wat dat betreft vond ik het ook een prachtig boek om te lezen. Ik heb alleen niet het idee dat de schrijver dit zo bedoeld heeft. En ook zie ik hier in de onverdeeld lovende recensies niets van terug. Het geheel komt op mij dan ook over als een net iets te goed geslaagde literaire versie van dertig minuten van Arjan Ederveen, waarvan niet alleen de argeloze kijker, maar ook de maker de diepere laag ontgaat.


Deel dit:

Epicurus’ Brief over het Geluk

Deel dit:

Epicurus staat bekend als de hedonist die stelde dat het doel van de mens was zijn eigen genot te volgen. Hij werd als goeroe aanbeden en filosofeerde met zijn vrienden in zijn beroemde achtertuin, waar ook vrouwen en slaven welkom waren, en dat spreekt in het licht van een genotsfilosofie natuurlijk tot de verbeelding.

Toch pleitte hij voor een uiterst gematigd leven. Immers, overdaad schaadt, onverzadigbaar verlangen heeft niets met geluk van doen, en soms moeten we minder leuke dingen doen om leuke dingen te bereiken. Geluk was voor hem uiteindelijk het zich vrijwaren van angst en pijn en daarvoor is evenwichtig en deugdzaam leven nu eenmaal noodzakelijk.

De filosofie van Epicurus is daarom naar mijn idee voor onze tijd aantrekkelijk. Genot is volgens hem uiteindelijk de enige natuurlijke maatstaf die we hebben. De goden voor zover ze al bestaan bemoeien zich niet met ons en alles is gewoon strikt toevallig, maar bang voor het lot hoeven we niet te zijn door de eigen evenwichtigheid die Epicurus ons leert. Angst voor de dood is volgens hem onzinnig, want die kunnen we zelf toch niet ervaren, en prettig leven is uiteindelijk oneindig veel belangrijker dan lang leven.

De veelgehoorde kritiek dat Epicurus’ filosofie immoreel zou zijn, is onterecht. Sterker nog, waar Plato zijn moraal baseert op een hogere waarheid, Aristoteles op een bestemming van de mens, en de stoïaut;cijnen op de logos/natuur, is de moraal van Epicurus uiteindelijk naar mijn mening veel steviger, want immers gebaseerd op genot, en daardoor veel minder kwetsbaar voor de verleidingen daarvan, en dus voor hypocrisie. Bovendien zijn concepten als een hogere waarheid, een menselijke bestemming of een logos naar mijn idee hoogst betwijfelbaar, en daarbij (of daardoor) meestal ronduit vaag en geven ze aanleiding tot oneindig veel meningsverschil en misverstand. Filosofie is natuurlijk al vaag genoeg, en dit soort gezwam over “de natuur” geeft ook in de Stoa (de filosofie van de stoïaut;cijnen) naar mijn idee al genoeg aanleiding tot dwalingen, en onderdrukking van genot, en dus van zichzelf en anderen, om over de filosofie van Plato maar te zwijgen. Niet toevallig worden de Stoa en het Platonisme gezien als de morele voorlopers van het christendom – en hypocrieter en mensonderdrukkender is volgens mij de moraal zelden geweest als in de monotheïaut;stische godsdiensten.

Epicurus pleit niet alleen voor matigheid, maar komt ook met een omschrijving van rechtvaardigheid die vooral begrijpelijk en praktisch is: “Natuurlijk recht is een afspraak die gericht is op nut, en die als oogmerk heeft dat men elkaar niet benadeelt en niet door elkaar benadeeld wordt.” Kijk, daar kan ik wat mee.

Toch zitten er grenzen aan deze utilistische moraal. Zo vindt Epicurus dat er met betrekking tot al die levende wezens “die niet bereid of in staat zijn geweest verdragen te sluiten” geen recht of onrecht is. Bij Epicurus blijft de mens redelijk alleen, en hij raadt dan ook aan een teruggetrokken en onmaatschappelijk leven te leiden.

Kom ik op een kritiek van Cicero die mijns inziens wel weer terecht is. Hij merkt op dat hij voor Epicurus’ volgelingen maar hoopt dat ze niet teveel mensen ervan overtuigen om zich terug te trekken, want als er niet meer aan politiek gedaan wordt en iedereen zich alleen maar om zijn vrienden bekommert, zal het met de voorspoed en vooral de vrede in “hun tuintjes” snel gedaan zal zijn.

En daar wil ik aan toevoegen dat als Epicurus in onze tijd zou kunnen kijken, hij wellicht zou moeten toegeven dat wie aan de natuur geen recht toekent uiteindelijk zal moeten concluderen dat er naar verloop van tijd nog maar verdomd weinig in zijn tuintje wil groeien.

Wat dat betreft is de verdediging van Epicurus voor de vriendschap, die hij heel hoog had zitten, dan wel hoopgevend. Waar hij toe moet geven dat vrienden lang niet altijd meer genot leveren dan pijn, omdat ze je niet alleen kunnen verraden, maar je ook de pijn en het ongeluk van je vrienden hebt te verdragen, beseft hij ook weer dat zonder vertrouwen en een onvoorwaardelijkheid echte vriendschap niet mogelijk is. Deze contradictie laat zich slecht rijmen met zijn filosofie van nut en genot. En dus komt hij met een kunstgreep die eigenlijk niet in zijn filosofie van persoonlijk genot past. Hij zegt dat de persoon als het ware in zijn vriend een alter ego ziet en zodoende de lust een gezamenlijke lust is.

Hoe dan ook beperkt dit buiten-zichzelf-treden zich bij Epicurus tot een kleine kring vrienden. Als je die kring wilt oprekken, wat ik zou willen doen, kom je via Epicurus als vanzelf weer dichter bij de Stoa terecht, die van het leven in harmonie met de natuur hun hoogste credo hadden gemaakt.

Nu, tussen deze twee filosofische polen heeft het gros van de romeinse filosofie zich dan ook afgespeeld. Vandaar ook die kritieken natuurlijk van Cicero en Seneca, die niet alleen filosofen waren, maar misschien zelfs in eerste instantie vooral staatsmensen.

De waarheid ligt natuurlijk weer ergens in het midden.

Hoe dan ook, het boekje blijft een aanrader.

 

Het boekje “Brief over het geluk”, van Epicurus bevat een heldere inleiding van 50 pagina’s. Daarna een brief van tien pagina’s, en verder nog in 2x 10 pagina’s het totaal van de leerstellingen die van Epicurus bewaard zijn gebleven (mooie uitspraken die iedere scheurkalender zouden sieren). Epicurus compleet én in notendop.


Deel dit: