Anaximander en de geboorte van het wetenschapelijke denken, Carlo Rovelli, boekomslag

Anaximander – Carlo Rovelli (recensie)

Deel dit:

Hoe is het mogelijk een heel boek te schrijven over een filosoof waarvan maar vier zinnen overgeleverd zijn? Anaximander van de Italiaanse fysicus Carlo Rovelli doet precies dat, en daarom weet je als lezer van tevoren eigenlijk al dat het boek nooit alléén over Anaximandros kan gaan.

En dat gaat het ook niet. Het werkelijke onderwerp van het boek wordt verraden in de ondertitel: De geboorte van het wetenschappelijke denken. Rovelli gebruikt in zijn boek de Griekse filosoof Anaximandros (gelatiniseerde naam: Anaximander) als aanleiding tot een betoog over wetenschapsfilosofie. Dat maakt het boek gelukkig wel interessant, want Rovelli geeft een mooie beschrijving van waar de wetenschap voor staat, en hoe deze functioneert en zich ontwikkelt. Geen geschiedenis dus, maar eerder een korte geschiedenis van de wetenschapsfilosofie. Het boek is daarbij bijzonder vlot en toegankelijk geschreven.

De oude Grieken

Natuurlijk is er voor mensen die geïnteresseerd zijn in de Oudheid ook wat te beleven. Ondanks dat Rovelli dus geen geschiedenisboek schreef, staat in zijn Anaximander wel een mooi hoofdstuk met een beschrijving van Milete, de Ionische kust en de Griekse wereld van de zevende eeuw voor onze jaartelling. In de rest van het boek komen de Grieken natuurlijk regelmatig terug.

Het is goed dat Rovelli daarbij niet in de valkuil trapt te doen alsof de Grieken alles zelf uitgevonden hadden. Hij legt er de nadruk op hoe Griekse denkers veel van hun wijsheden ontleenden van de wereld van Perzië en Babylon en Egypte, en zich zelfs door denkers van andere culturen op hun nummer lieten zetten.

Toch kwamen de Grieken wel met iets nieuws, iets wat Carlo Rovelli aanduidt als: “de geboorte van het wetenschappelijke denken”. Juist dat zijn op zijn nummer laten zetten, en niet alleen de eigen cultuur en leermeesters maar vooral ook de eigen overtuigingen durven betwijfelen, is volgens Rovelli cruciaal voor het wetenschappelijke denken. En volgens hem speelt de relatief onbekende filosoof Anaximandros (die in de vertaling wordt aangeduid als Anaximander) in de ontwikkeling daarvan een cruciale rol.

Anaximandros (of Anaximander)

De stelling dat Anaximandros in de traditionele verhandelingen over wetenschap en filosofie te weinig aandacht krijgt valt zeker te verdedigen. In veel overzichten van de filosofie wordt hij slechts vlug genoemd in het rijtje Thales / Anaximandros / Anaximenes, als degene die in plaats van water of lucht het apeiron als basiselement aannam. Bij deze vermelding blijft het dan vaak, maar wie verder gaat zoeken naar wat bekend is over deze bijzonder vroege filosoof, vindt interessante dingen.

Dat apeiron om te beginnen blijkt een grenzeloze oerstof, die uiteenvalt in tegenstellingen. Daarmee lijkt Anaximandros vooruit te lopen op de filosofie van Herakleitos, die tegenstellingen en zelfs strijd als de basis van het bestaan beschouwt. Belangrijker voor Rovelli als natuurkundige is dat door latere commentatoren aan Anaximandros ook het idee wordt toegeschreven dat de aarde waarop we leven niet rust in een bak water of op iets anders, maar een schijf moet zijn die in het luchtledige zweeft. Daarnaast wordt aan Anaximandros ook wel de eerste visie van het ontstaan van regen uit waterdamp toegeschreven, alsmede het idee dat organismen zich kunnen ontwikkelen: een voorloper van de evolutietheorie. Vrijwel zeker tekende Anaximandros de eerste bekende wereldkaart.

Maar bovenal betoogt Rovelli dat met Anaximandros een cultuur ontstaat om alles te blijven bevragen: ook de autoriteiten en leermeesters. Anaximandros is waarschijnlijk de leerling van Thales, maar stelt diens inzichten ter discussie. Het is met dat kritische denken waar volgens Rovelli het wetenschappelijke denken ontstaat.

Is dit overtrokken? Ja en nee. De wetenschappelijke discipline heeft zoveel facetten dat een heleboel vondsten als “begin van de wetenschap” zijn aan te wijzen. Gelukkig blijkt Rovelli dat wel te beseffen, en erkent hij dit ook in zijn tekst. Maar zijn boek is tegelijkertijd een betoog: hij wil de lezer ervan overtuigen dat het continu bevragen van de waarheden die wij kennen essentieel is voor de wetenschap. Anaximandros is ongetwijfeld niet de eerste mens die zijn leermeester scherp bevraagd heeft en bekritiseerd, maar hij is wel de eerste waarvan we weten dat hij dit deed, en daarmee is vol te houden dat hij inderdaad een belangrijker figuur in de ontwikkeling van de Griekse filosofie is dan waar hij traditioneel gezien voor wordt gehouden.

Atheïsme

Toegegeven, ik begon wat vooringenomen aan dit boek. De titel, ondertitel en achterflap lezende vreesde ik dat ik te maken zou krijgen met een wat al te plat betoog over de wetenschapper die zich ontworstelt uit de verstikkende greep van religie. Ik was bang voor een idealisering van de zoveelste op het schild gehesen ‘atheïstische held’, aan wiens individuele vindingrijkheid de volledige ontwikkeling van de mensheid wordt toegeschreven.

Die fout maakt Carlo Rovelli gelukkig niet. Zijn Anaximander weliswaar met een beschrijving van de plaats van religie in onze samenleving, maar Rovelli laat daarin zien dat hij heel goed op de hoogte is van de verschillende sociologische beschouwingen van dit verschijnsel. Het platte beeld van de wetenschap die altijd op gespannen voet zou staan met religie wordt gelukkig nogal genuanceerd.

Toch legt Rovelli een relatie tussen religie en absolutisme in bestuur, die naar mijn idee niet helemaal vol te houden is. Volgens Rovelli is religie, wat hij min of meer gelijk stelt aan dogmatiek, de natuurlijke partner voor dictatoriaal bestuur. Daarnaast stelt hij dat onder dictatoriaal bestuur de wetenschappen niet kunnen floreren.

Ik denk persoonlijk dat het voorbeeld van de Sovjet-Unie deze beide stellingen al weerlegt: een dictatoriaal bestuur kan heel goed zonder religie, en ook onder een dictatoriaal bestuur is het bloeien van de wetenschap mogelijk. Er zijn natuurlijk meerdere voorbeelden, maar dit is wel de meest duidelijke. Toch doet dit niet zoveel af van de kern van Rovelli’s pleidooi, dat neerkomt op het accepteren van onzekerheid als basis voor de mogelijkheid van zelfontwikkeling.

Cultuurrelativisme

Rovelli zet zich echter ook af tegen het zogenaamde “cultuurrelativisme”: wetenschap die zo doorgeslagen zou zijn in relativisme dat ze geen onderscheid meer wenst te maken tussen goed en kwaad, of slechter en beter.

Dat cultuurrelativisme wordt volgens mij vaker besproken dan beleden, en enerzijds als stroman gebruikt om wetenschap zwart te maken omdat zij nooit zekerheid zou kunnen geven (en daarmee waardeloos zou zijn: anything goes), en anderzijds bekritiseerd als zou het leiden tot moreel verval of zelfs de ondergang van onze beschaving.

In zijn bespreking van dit cultuurrelativisme verwijst Carlo Rovelli niet zozeer naar oude Grieken, als wel naar moderne wetenschapsfilosofen als Karl Popper en Thomas Kuhn. Wetenschappelijke kennis ontwikkelt zich vanuit de open wetenschappelijke discussie, waarin oude inzichten geen dogma’s zijn, maar punten die continu herijkt dienen te worden. Er mag dan wel geen sprake meer zijn van goed en kwaad, maar wel van minder goed en beter, waarin de theorie die systematisch waargenomen verschijnselen beter kan verklaren dan de andere de “betere” is.

Westers centrisme

Het is wel jammer dat Rovelli het wetenschappelijke denken in zijn boek duidt als een “westerse” onderneming. Dat is een heel dubieuze benaming, zeker als je de Oudheid bij de ontwikkeling van die onderneming wilt betrekken.

Er is namelijk een duidelijke discontinuïteit in het westerse denken tussen de Griekse en Romeinse filosofen enerzijds en de westerse denkers uit de Renaissance en daarna anderzijds, die zeker niet alleen werd overbrugd door een ijverige kloosterlingen die de werken van Plato en Seneca bewaarden. Deze brugfunctie werd minstens zo goed vervuld door de bibliothecarissen uit Byzantium, maar vooral zijn het Arabische denkers uit Bagdad en wat nu Marokko en Andalusië is die de filosofieën van Aristoteles en de neoplatonisten niet alleen bewaarden, maar ook levend hielden en verrijkten met aspecten die voor de ontwikkeling van de wetenschap van cruciaal belang zijn. Trouwe lezers van deze blog zullen waarschijnlijk weten dat belangrijke vondsten als het laboratoriumexperiment en de universiteit niet door Galileo of andere Europeanen in de Renaissance zijn uitgevonden, zoals Rovelli beweert, maar soms bewust en rechtstreeks en anders impliciet overgenomen waren uit de Arabische wereld (ibn al-Haytham, of Alhazen), gelijk met de Arabische cijfers en het gebruik van het getal nul.

Daarbij is de moderne wetenschap mijns inziens eerder een wereldonderneming geworden dan een westerse onderneming. Zeker, de meest prestigieuze universiteiten liggen nog steeds in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, maar universiteiten in vooral Aziatische steden dragen belangrijk bij aan de voortgang van modern onderzoek. Daarnaast hebben wetenschappers in de sociale en geesteswetenschappen de afgelopen eeuw serieuze inspanningen verricht om hun culturele bias te compenseren, wat niet alleen geleid heeft tot het “cultuurrelativisme”, maar vooral tot veel nieuwe heldere inzichten over het wezen van het mens-zijn.

Het is zeker te betogen dat de wetenschap vanaf de Verlichting vooral een westerse onderneming was geworden, en dat is gebleven tot de twintigste eeuw. Maar de ontwikkeling van de oude Grieken tot nu te nemen en dat als “westers” beschouwen is ouderwets. Het doet ook geen recht aan het feit dat de oude Grieken zelf al nauwelijks Europeanen waren, en niet zomaar niet in te delen zijn bij de Europese beschaving die na 1500 opkwam. En ook doet men daarmee de moderne wetenschap als internationale onderneming geen recht.

Ondanks dit alles vergeef ik Carlo Rovelli dit klassieke westerse centrisme graag. Hij mag in zijn bespreking van de ontwikkeling van de wetenschap dan een wat ouderwets curriculum afdraaien, hij is duidelijk gepokt en gemazeld in wetenschapsfilosofie, het hoofdonderwerp van het boek. Zijn bespreking daarvan langs moderne wetenschapsfilosofen als Popper, Kuhn en Lakatos ervoer ik als een uitstekende samenvatting, waarbij Rovelli ook steekhoudend eigen commentaar levert.

Bovendien benadrukt Carlo Rovelli vele malen dat de ware wetenschappelijke creativiteit zit in het botsen van verschillende culturen en de bereidheid van andere culturen te leren. Dit relativisme bepleit hij gelukkig heel consequent, en vormt zelfs de kern van zijn betoog.

Relativisme onder vuur

De open nieuwsgierige houding die nodig is voor wetenschap ligt in de huidige moderne tijden nogal eens onder vuur. De aanvallen komen niet alleen vanuit religieuze, maar ook uit met ideologische overwegingen, vooral uit conservatieve hoek, maar ook uit extreemlinkse hoek. Al te vaak zien we in het huidige debat dat mensen er zonder blikken of blozen voor kiezen om hele takken van de wetenschap simpelweg “niet te geloven”, omdat dit nu eenmaal niet bij de eigen gekozen politieke overtuiging past.

Kritiek op de wetenschap is niet alleen legitiem, maar ook nuttig en zelfs nodig om de wetenschap te laten functioneren. Maar die kritiek moet dan wel op wetenschappelijke wijze gegeven worden. Dat wil zeggen: door middel van het geven van valide en controleerbare metingen, en/of het geven van valide verklaringen voor meetresultaten die de staande verklaringen kunnen vervangen omdat ze beter bij de gevonden resultaten passen. Dat is hoe wetenschap zich ontwikkelt.

Galilei was geen genie omdat hij  de Almagest van Ptolemaios met het model van de kosmos met de aarde als middelpunt verwierp, hij was een genie omdat hij een alternatieve theorie aannemelijk wist te maken, waarbij hij juist zeer sterk rekening hield met Ptolemaios en de sterke punten in het werk kon behouden. Rovelli benadrukt hoeveel en hoe vaak wetenschappers als Galilei naar de Almagest verwezen, en het boek zelfs qua vorm nog als model gebruikten voor hun eigen geschriften.

We zien soms dat mensen denken wetenschappelijke theorieën te kunnen afwijzen door te  stellen dat wetenschappers die met resultaten komen waar men het niet mee eens is wel ideologisch gekleurd moeten zijn, of zouden zijn omgekocht. Maar ook als dat waar zou zijn, zelfs dan is dat nog niet voldoende als weerlegging, omdat een weerlegging van wetenschappelijke resultaten ondersteund moet worden met echte wetenschappelijke argumenten zoals zojuist omschreven: betere meetresultaten, of een theorie die meer en beter verklaart. In praktijk verraadt zo’n poging tot verwerping van wetenschappelijke resultaten uiteraard vooral de ideologische gekleurdheid van de criticaster.

We zien dit soort aanvallen op de wetenschap helaas heel vaak, ook in het moderne politieke discours. Om dit soort aanvallen het hoofd te kunnen bieden is het belangrijk dat mensen het wetenschappelijk proces begrijpen. En dat geldt niet alleen voor wetenschappers zelf, maar ook voor mensen die zich ook maar enigszins interesseren voor de wetenschap, positief of negatief.

Daarom zijn boeken zoals dat van Carlo Rovelli belangrijk: opdat meer mensen begrijpen wat de wetenschap is, hoe deze zich ontwikkelt, en hoe een wetenschappelijke kritiek gevormd kan worden. Ik kan Rovelli’s Anaximander dan ook van harte aanbevelen.

Deze recensie verscheen eerder op het historische blog Mainzer Beobachter.


Deel dit: